Bijbelse namen A


ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ



Akeldama → akker des bloeds. Han.1:19

Akkub → arglistig.

Akrabbim → schorpioenen.

Alammelech → eik van de koning. Joz.19:26

Alamoth → jonge-meisjesstem, sopraan.

Alemeth → schuilplaats, dekking

Aleph → hoofd van een stier.

Alexander → verjager van mensen, of mannelijke hulp.


Alexandrie → stad naar Alexander genaamd.

Alfa → eerste Griekse letter.

Alfeus → leidsman of geleerde.

Algummimhout → God is zeer hoog.

Alja → ongerechtigheid. 1Kr.1:51

Aljan → onrechtvaardig. 1Kr.1:40

Allemeth → 1Kr.6:60 fout St.v.

Allon → eik.

Allon-Bachuth → eik der treuring [treureik]. Gen.35:8

Almodad → onmeetbaar, onmetelijk.

Almon → verborgen. Joz.21:18

Almon-Diblathaim → Almon naar Diblatháïm, verborgen plaats naar de twee koeken (van samengeperste vijgen).

Almuggimhout → God de hoogste.

Aloth → terpentijneik. 1Kon.4:16

Altascheth → verdelg niet, verderf of bederf het niet.

Aluz → een troep mensen.

Alva → ongerechtigheid. Gen.36:40

Alvan → onrechtvaardig. Gen.36:23

Am-ad → eeuwig volk. Joz.19:26

Amal → verontrustend, lastig


Amalek → een volk, dat oplikt of uitput.

Amam → volk. Joz.15:26

Amana → een bevestiging. Hoogl.4:8

Amarja → waarvan Jehova gesproken (beloofd) heeft.

Amasa → last.

Amasai → last van Jehova.

Amasia → gedragen door Jehova [dien Jehova ondersteunt].

Amassai → last van Jehova. Neh.11:13

Amazia → De HEERE versterkt, sterkte van Jehova (door Jehova gesterkt). Machtig is Adonai.

Amen → voorwaar, zeker

Amfipolis → beslotene stad. Han:17:1

Ami → uitgebreid. Ezr.2:57

Aminadab → volk van mildheid, goedheid [edel volk].

Amitthai → waarheid (getrouwheid) van Jehova.

Amma → beginnende. 2Sa.2:24

Ammi → mijn volk. Hos.1:12

Ammiel → één van het volk Gods, of mijn volk behoort God toe.

Ammihud → één van het volk van Juda [burger van Juda].

Ammihur → één van het volk van Juda [burger van Juda]. 2Sa.13:37

Amminadab → volk van mildheid [edel volk].


Ammisaddai → volk van de Almachtige [zeer machtig volk].

Ammizabad → volk van de goeddoende Gever. 1Kr.27:6

Ammon → groot volk, of maagschap

Amnon → getrouw.

Amok → diep.

Amon → voeder, voedster

Amorieten → bergbewoners. (tegen)sprekers.

Amos → last, beladen.

Amoz → sterk.

Amplias → vermeerderd, vergroot. Rom.16:8

Amrafel → één die spreekt van duistere dingen. Gen.14:1

Amram → volk der verhevenheid (verheven, beroemd volk).

Amzi → sterk, standvastig.

Ana → antwoord, of antwoordende.

Anab → plaats met overvloed van druiven.

Anacharath → klagend gerucht ener menigte. Joz.19:19

Anaja → antwoord van Jehova.

Anamelech → wolkenkoning [het sterrenbeeld Cefeus]. 2Kon.17:31

Anan → wolk. Neh.10:26

Anani → wolk van Jehova [dien de Heere bedekt, of behoedt. 1Kr.3:24


Ananias → wolk van Jehova [dien de Heere bedekt, of behoedt.

Ananja → wolk van Jehova [dien de Heere bedekt, of behoedt. Neh.- 11:32

Anath → antwoord op het gebed, lofzang.

Anathoth → antwoorden op gebeden, lofzangen.

Andreas → zeer sterk, moedig.

Andronikus → verwoesting van het volk.

Anem → twee fonteinen. 1Kr.6:73

Aner → balling.

Anetothiet → inwoner van Anathôth. 2Sa.23:27

Aniam → droefenis des volks. 1Kr.7:19

Anim → twee fonteinen. Joz.15:50

Anna → de bevallige. Luk.2:36

Annas → de bevallige.

Anok → langhals. Joz.21:11

Antichrist → plaatsvervanger, tegenstander

antichristen → plaatsvervangers, tegenstanders Christus. 1Joh.2:18

Antiochie → stad in Syrië.

Antipas → die tegen allen is. in plaats van ieder Op.2:13

Antipatris → in de plaats van het vaderland. (vroeger ‘Afek’) Han.23:31

Antotija → gebeden beantwoord door Jehova. 1Kr.8:24


Anub → samenbindende. 1Kr.4:8

Apokalypsis → openbaring.

Apokrief → verborgen [verdacht].

Apollos → Behorend bij Apollo, of: gegeven door Apollo.

Apollyon → verderver. Op.9:11

Apostel → afgezant, afgezonden

Appaim → twee ademende plaatsen [de neusgaten], of twee personen of een dubbel deel.

Appia → Filem.1:2

Aquila → arend.

Ar → stad.

Ara → vergadering. 1Kr.7:38

Arab → hinderlaag. Joz.15:52

Araba → huis der woestijn.

Arabie → woestijn of onvruchtbaar.

Arabier → bewoner van Arabië of van een onvruchtbare streek.

Arach → zwerver.

Arad → wilde ezel. 1Kr.8:15

Aram → hoog, verheven

Aran → wilde geit.

Ararat → afgaand gebergte.


Arauna → een brede elze- of pijnboom.

Arba → vierhoekig [volmaakte gestalte].

Arbiet → hinderlaag.

Archangel → aartsengel, eerste der engelen. Jud.9

Archelaus → vorst des volks. Mat.2:22

Archevieten → lentes. Ezr.4:9

Archippus → Kol.4:17, Fm.1:2

Ard → vluchteling.

Ardon → vluchteling. 1Kr.2:18

Areli → leeuw van mijn God [zoon van mijn held].

Areopagus → de heuvel van Mars.

Aretas → deugdzaam. 2Kor.11:32

Arfachsad → grenzende aan de Chaldeërs.

Arfad → stut, steun. Jes.10:9

Arfaxad → grenzende aan de Chaldeërs. Luk.3:36

Argob → hoop stenen, hoop aardkluiten

Aridai → groot. Est.9:9

Aridatha → grote, hoge geboorte

Ariel → leeuw van God [zeer sterke leeuw, held; stad van helden]; ook haard [altaar] van God.

Arimathea → heuvel of verhevenheid.


Arioch → sterke leeuw [man als een leeuw].

Arisai → een leeuw gelijk. Est.9:9

Aristarchus → beoordelaar.

Aristobulus → zeer goede raadsman. Rom.16:10

Arje → leeuw. 1Kon.15:25

Arkiet → vluchteling [inwoner van Arka, een Fenicische stad].

Armageddon → plaats van menigten. Op.16:16

Ar-Moabs → (stad van) water [zaad, nakomeling] van de vader. Jes.15:1

Armoni → behorende tot een paleis. 2Sa.21:8

Arnan → behendig, vlug. 1Kr.3:21

Arnon → murmelend, schuimend; springende van vreugde.

Arod → wilde ezel. Nu.26:17

Arodi → wilde ezel. Gen.46:16

Aroer → heide, kale boom

Arpad → stut, steun.

Artaxerxes → een groot koning, een groot krijgsman.

Artemas → Ti.3:12

Arthahsasta → een groot koning, een groot krijgsman.

Arubboth → vensters, schoorstenen

Aruma → verheven. Ri.9:41


Arvad → plaats van vluchtelingen.

Arza → aarde, land. 1Kon.16:9

Asa → heelmeester.

Asael → door God gemaakt, of God zal het maken. 2Kr.17:8 zelfde als A’sa-El. 1Kr.2:16

Asa-El → door God gemaakt. of God zal het maken. 1Kr.2:16 zelfde als Asaël 2Kr17:8

Asaf → verzamelaar.

Asahel → door God gemaakt.

Asaja → door Jehova gemaakt.

Asan → rook.

Asareel → gebonden van God (door een eed). 1Kr.4:16

Asarela → oprecht voor God, Gode gelukkig. 1Kr.25:2

Asbea → ik bezweer.

Asbel → vuur van Bel [ijdel vuur]; of verterend vuur.

Asdod → versterkte plaats.

Asdoth-Pisga → versterkte plaats, verdeelde rots.

Aser → gelukkig, gezegend.

Asfata → ik heb mijn einde. Est.9:7

Asiel → van God geschapen. 1Kr.4:35

Asima → een bok of geit zonder haar. 1Kon.17:30

Askelon → landverhuizing.


Askenaz → zo is het vuur verspreid.

Asmaveth → de dood trotseren. Neh.12:29

Asna → sterk, machtig.

Asnappar → de vlugge, de edele en grote (ter ere van de zon). Ezr.4:10

Asnath → die behoort of gewijd is aan Neith, vereerster van Neith [de godin Isis of der wijsheid].

Asnoth-Thabor → afgescheiden oren, verkoren. Joz.19:34

Aspatha → gegeven door het paard [Brama in de gedaante van een paard].

Aspenaz → paardeneus [gewijde tovenaar] vergel. Aspátha.

Asriel → gelofte van God.

Asschur → zwakheid, zwart; of gelukkige adel.

Assir → gevangene

Assur → een stap, of gelukkige.

Assus → kustplaats in Mysia in Klein-Azië.

Assyrie → een stap, of gelukkige.

Astaroth → [m.v.] van de godin Astarte [de maan].

Asterathiet → inwoner van Asterôth-Karnáïm. 1Kr.11:44

Asteroth-Karnaim → tweehoornige Astarte [de wassende maan, die in deze stad werd aangebeden en voorgesteld als een vrouw met een ossekop]. Gen.20:5

Astoreth → koningin (des hemels) [de maan].

Asvath → gemaakt. 1Kr.7:33

Atach → verblijfplaats. 1Sa.30:30


Atara → kroon, diadeem. 1Kr.2:26

Ataroth → kronen, diademen.

Ater → gesloten, gebonden

Athaja → ter gelegener tijd door Jehova gemaakt. Neh.11:4

Athalia → door Jehova weggenomen, of door Jehova beroofd.

Athalja (Atalja) → Jehova heeft bedroefd. 1Kr.8:26

Athene → genoemd naar de godin Minerva.*

Athlai → door Jehova beroofd. Ezr.10:28

Athroth → kronen. 1Kr.2:54

Athroth-Addar → kronen van grootheid.

Athroth-Sofan → kronen van Sofan. Nu.32:35

Attai → gelegen tijd.

Augustus → heilig, verheven

Aven → ijdelheid.

Avith → ruïnen.

Avva → omverwerping. 2Kon.17:24

Avvieten → inwoner van woeste plaatsen.

Azal → edel, of grondslag van een berg. Zac.14:5

Azalia → afgezonderd door Jehova, voor zich behouden.

Azanja → gehoord door Jehova. Neh.10:9


Azareël → geholpen door God.

Azarel → gebonden door God (door een eed). 1Kr.27:22

Azaria → Jehova was, is hulp.

Azarja → Jehova helpt.

Azarjahu → Jehova was, is zijn hulp.

Azaz → sterk.1Kr.5:8

Azazja → gesterkt door Jehova.

Azbuk → een sterke plaats, die ontvolkt is. Neh.3:16

Azeka → omheind.

Azel → edel.

Azem → sterkte, been.

Azgad → sterk in voorspoed.

Azie → Romeinse provincie (in Turkije).

Aziel → door God getroost. 1Kr.15:20

Aziza → sterk. Ezr.10:27

Azmaveth → sterk tot de dood, of nabij de dood [krijgsman].

Azmon → sterk.

Azor → helper.

Azote → versterkte plaats. Han.8:40

Azriel → hulp van God.


Azrikam → hulp tegen de vijand.

Azuba → verlaten, verwoest.

Azur → helper. Jer.28:1

Azzan → zeer sterk, of hun sterkte. Nu.34:26

Azzur → helper.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u het gebruik van deze cookies en gaat u akkoord met ons cookiebeleid.  Meer info