Betekenissen
Adónikam betekent “de Heer staat op”, “de Heer zal opstaan” of “mijn Heer staat op”. De naam bevat een theofore verwijzing naar God en drukt verwachting of goddelijke tussenkomst uit.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
De naam komt voor in de periode na de Babylonische ballingschap, in de tijd van Ezra en Nehemia (5e eeuw v.Chr.).
Naam in het Hebreeuws
אֲדֹנִיקָם (’Adōnīqām / Adónikam).
Naam in het Grieks
In de Septuaginta: Ἀδωνικάμ (Adonikam).
Strongnummers
Hebreeuws: H140 (Adonikam).
Grieks: Geen afzonderlijk Strongnummer.
Etymologische gegevens
De naam is samengesteld uit אֲדֹנִי (’adoni – “mijn Heer”) en קָם (qam – “staat op”, “verrijst”). De betekenis verwijst naar Gods handelen, opstaan of ingrijpen. De naam behoort tot de theofore namen die een geloofsbelijdenis uitdrukken.
Formuleringen
Statenvertaling: Adonikam.
Herziene Statenvertaling: Adonikam.
King James Version: Adonikam.
Symbolische betekenis
Adónikam kan symbool staan voor hoop, verwachting en vertrouwen in Gods ingrijpen. De naam benadrukt dat God opstaat om te handelen, te beschermen of te verlossen.
Bijbelse Stam
Adónikam behoort tot de teruggekeerde ballingen, maar wordt niet aan een specifieke stam gekoppeld.
Familie
| Relatie | Naam / Opmerking |
|---|---|
| Vader | Niet genoemd |
| Moeder | Niet genoemd |
| Broers | Niet genoemd |
| Zussen | Niet genoemd |
| Vrouw | Niet genoemd |
| Zonen | Niet genoemd |
| Dochters | Niet genoemd |
Een korte omschrijving
Adónikam is het hoofd van een familie die terugkeert uit de Babylonische ballingschap. Zijn nakomelingen vormen een aanzienlijke groep binnen de herstellende gemeenschap van Juda en Jeruzalem. In Ezra 2 worden 666 leden van zijn familie genoemd, wat hen tot een van de grotere terugkerende groepen maakt. Later keren drie van zijn zonen met Ezra terug naar het land. Hoewel Adónikam zelf geen verhalende rol heeft, staat zijn naam symbool voor hoop en herstel in een periode waarin het volk Israël opnieuw wordt opgebouwd, zowel geestelijk als maatschappelijk.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Ezra 2:13; Ezra 8:13; Nehemia 7:18.