Betekenissen
Abíhu betekent “hij is mijn vader” of “mijn vader is hij”. De naam kan ook worden opgevat als “vader is hij”, waarbij “vader” in theologische zin naar God kan verwijzen.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
Abíhu leefde in de tijd van Mozes, tijdens de woestijnreis van Israël (ca. 15e–13e eeuw v.Chr.).
Naam in het Hebreeuws
Vorm: אֲבִיהוּא
Transcriptie: ʾAvíhû (Abíhu)
Naam in het Grieks
Vorm (Septuaginta): Αβιού
Transcriptie: Abiou
Strongnummers
Hebreeuws: H0003 (Abíhu)
Grieks: n.v.t. (naam wordt als Hebreeuwse eigennaam weergegeven)
Etymologische gegevens
De naam is samengesteld uit abi (“mijn vader”) en een vorm van hu (“hij”). De betekenis luidt: “mijn vader is hij”, mogelijk verwijzend naar God als Vader. De naam drukt verbondenheid en afhankelijkheid uit.
Formuleringen
Statenvertaling: Abihu
Herziene Statenvertaling: Abihu
King James Version: Abihu
Symbolische betekenis
Abíhu staat symbool voor heiligheid en verantwoordelijkheid in de eredienst. Zijn dood door “vreemd vuur” benadrukt de ernst van Gods heiligheid en de noodzaak van gehoorzaamheid.
Bijbelse Stam
Abíhu behoort tot de stam Levi, uit het priesterlijk geslacht van Aäron.
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Aäron |
| Moeder | Eliséba, dochter van Amminadab |
| Broers | Nadab, Eleazar, Ithamar |
| Zussen | n.v.t. |
| Vrouw | n.v.t. |
| Zonen | n.v.t. (Abíhu stierf kinderloos) |
| Dochters | n.v.t. |
Een korte omschrijving
Abíhu was een van de vier zonen van Aäron en werd samen met zijn broers tot priester gewijd. Hij wordt vooral bekend door de gebeurtenis in Leviticus 10, waar hij en zijn broer Nadab “vreemd vuur” voor de HEERE brachten, iets wat God hun niet geboden had. Als gevolg daarvan werden zij door Gods vuur verteerd. Deze gebeurtenis benadrukt de heiligheid van God en de verantwoordelijkheid van de priesters om Zijn voorschriften nauwkeurig te volgen. Abíhu’s leven en dood vormen een blijvende waarschuwing voor ongehoorzaamheid binnen de eredienst.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Exodus 6:23; Exodus 24:1, 9; Leviticus 10:1–2; Numeri 3:2–4; Numeri 26:60–61