Abraham

Betekenissen

Abraham betekent “vader van een menigte” of “vader van vele volken”. De naam drukt de goddelijke belofte uit dat Abraham tot een groot volk zou worden.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Abraham leefde in de patriarchale periode, rond de 20e–19e eeuw v.Chr., in de tijd voorafgaand aan de vorming van het volk Israël.

Naam in het Hebreeuws

אַבְרָהָם (Avraham)

Naam in het Grieks

Ἀβραάμ (Abraam)

Strongnummers

Hebreeuws: H85

Grieks: G11

Etymologische gegevens

De oorspronkelijke naam van Abraham was Abram (“verheven vader”). God veranderde zijn naam in Abraham, waarbij het element hamon (“menigte, veelheid”) wordt toegevoegd. De naamverandering bevestigt Gods verbond en de belofte van talloze nakomelingen.

Formuleringen

Van de Statenvertaling: Abraham

Van de Herziene Statenvertaling: Abraham

Van de King James vertaling: Abraham

Symbolische betekenis

Abraham staat symbool voor geloof, gehoorzaamheid en het verbond tussen God en Zijn volk. Hij wordt gezien als de “vader van alle gelovigen”.

Bijbelse Stam

Voorvader van Israël; stamvader van alle twaalf stammen via Isaak en Jakob.

Familie

RelatieNaam
VaderTerach
MoederOnbekend
BroersNahor, Haran
ZussenOnbekend
VrouwSara (Sarai)
ZonenIsmaël, Isaak, Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak, Suah
DochtersOnbekend

Een korte omschrijving

Abraham is een van de centrale figuren van de Bijbel en wordt beschouwd als de stamvader van Israël. God riep hem uit Ur en beloofde hem een land, een nageslacht en zegen voor alle volken. Zijn geloof wordt meerdere malen benadrukt, onder andere in zijn bereidheid om Isaak te offeren. Abraham leefde als nomade in Kanaän, sloot een verbond met God en werd de vader van zowel Isaak als Ismaël. Zijn leven vormt het fundament voor de geschiedenis van Israël en voor het begrip van geloof in zowel het jodendom, christendom als de islam.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 12–25, Exodus 2:24, Jozua 24:2–3, Nehemia 9:7, Romeinen 4, Hebreeën 11:8–19