Bijbelse namen B


ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ



Beth-El → huis Gods.

Betheliet → huis mijns Gods. 1Kon.16:34

Beth-Emek → huis of plaats der vallei [een plaats in een vallei gelegen]. Joz.19:27

Bether → verdelende [dalen die de bergen scheiden, verdelen]. Hoogl.2:17

Bethesda → huis van barmhartigheid. Joh.5:2

Beth-fage → huis der fonteinen of huis der onrijpe vijgen.

Beth-Gader → huis van de muur [versterkte plaats]. 1Kr.2:51

Beth-Gamul → huis van de beloonde, of kamelenhuis. Jer.48:23

Beth-haezel → een plaats in de nabijheid, een nabijgelegen plaats. Mi.1:11

Beth-halachmi → een Bethlemiet, 2Sa.21:19 welke plaats alsdan moet gelezen worden: Elhanan een Bethlemiet sloeg de broeder van Goliath.

Beth-hammarchaboth → huis der wateren. Joz.19:5

Beth-haram → huis van de hoge, verhevene. Joz.13:27

Beth-Haran → huis der gedachtenis. Num.32:36

Beth-Heked → huis der schaapscheerders (gelijk het ook in sommige overzettingen terecht vertaald wordt).

Beth-hogla → huis van de patrijs [plaats waar vele patrijzen zijn].

Beth-horon → plaats van de grote spelonk.

Beth-Jesimoth → huis der woestijnen, [een plaats in een woeste streek gelegen].

Beth-Joab → huis van Joab. 1Kr.2:54

Beth-kar → huis van stormrammen. 1Sa.7:11

Beth-Lebaoth → plaats van leeuwinnen [waar vele leeuwen worden gevonden].

Bethlehem → broodhuis.

Bethlehem-Juda → broodhuis van lof.

Beth-Maacha → huis van verdrukking

Beth-markaboth → huis der wagenen. 1Kr.4:31

Beth-Nimra → huis van zuiver water; huis van springend water.

Beth-Palet → wijkplaats, schuilplaats. Joz.15:27

Beth-Pazzez → huis van verspreiding, van afscheiding. Joz.19:21

Beth-Peor → huis [tempel] van Peor.

Beth-rafa → huis van de genezing, heling

Beth-Rechob → huis van breedte, ruimte.

Bethsaida → vishuis.

Beth-San → huis van rust [rusthuis].

Beth-Sean → huis van rust [rusthuis].

Beth-Semes → huis [tempel] van de zon.

Beth-semiet → huis der afstammelingen van de zon. 1Sa.6:14, 18

Beth-Sitta → huis van accacia’s [plaats waar vele accacia’s groei- en]. Ri.7:22

Beth-Tappuah → huis van appelen [appelhuis], [plaats waar vele appelen groeien]. Joz.15:53

Bethuel → maagd van God, door God afgezonderd.

Bethul → maagd. Joz.19:4

Beth-Zur → huis van de rots [stad op een rots gebouwd].

Betonim → Betónim, noten. Joz.13:26

Bezai → neergeworpen door Jehova; of in de arbeid (baring) van Jehova.

Bezaleël → in de schaduw van God (onder Zijn bescherming).

Bezek → bliksemstraal.

Bezer → gouderts, of verdediging.

Bichri → jeugdig, eerstgeborene.

Bidkar → zoon van de doorboorder. 2Kon.9:25

Bigtha → gegeven door het geluk of de zon. Est.1:10

Bigthan → gift van het geluk. Est.2:21

Bigthana → gift van het geluk. Est.6:2

Bigvai → gelukkig.

Bikeat-Aven → de vlakte van Aven. Am.1:5

Bildad → zoon der twisting, twister.

Bileam → verwoesting van het volk, verzwelgende het volk.

Bilga → vertroosting, verlevendiging.

Bilgai → vertroosting van Jehova. Neh.10:8

Bilha → schroomvalligheid.

Bilhan → schroomvallig.

Bilsan → zoon der tong [zoon der welsprekendheid].

Bimhal → zoon der vermenging [verdorvenheid]. 1Kr.7:33

Bina → uitstromende. zoon van Mosa (I kron 9:43)

Binnui → gebouw.

Birsa → zoon de goddeloosheid. Gen.14:2

Birzavith → keur van olijven. 1Kr.7:31

Bislam → in vrede (geboren in een tijd van rust en vrede). Ezr.4:7

Bithron → grote verdeling (een streek met afwisseling van bergen en dalen). 2Sa.2:29

Bithynie → terugwijkend land.

Bitja → dochter [aanbidster] van Jehova. 1Kr.4:18

Bizjotheja → veracht door Jehova. Joz.15:28

Biztha → eunuch van Ahasveros. roven, plunderen. Est.1:10

Blastus → kiem. Han.12:20

Boanerges → zonen des donders. Mar.3:17

Boaz → in Hem (Jehova) is sterkte.

Bochim → wenenden.

Bochru → zijn eerstgeborene.

Bohan → duim [waardigheid van kracht]

Booz → in Hem (Jehova) is sterkte.

Bosor → in droefenis. 2Pe.2:15

Bozes → verhevenheid. 1Sa.14:4

Bozkath → verheven grond.

Bozra → sterkte, vesting

Bukki → ontledigd door Jehova.

Bukkia → ontledigd door Jehova.

Bul → kiem, oogst. 1Kon.6:38

Buna → voorzichtigheid, verstand. 1Kr.2:25

Buni → gebouwd. Neh.11:15

Bunni → gebouwd.

Buz → veracht.

Buzi → gesproten uit Buz. Eze.1:3

Deel dit artikel op: