Amásai

Eigennaam ♂

Betekenis: Hij belastte – belastend

Bijbelverzen:

(1 Kronieken 6:25) De kinderen van Elkana nu waren Amásai en Ahimôth.

(1 Kronieken 6:35) Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amásai,

(1 Kronieken 12:18) En de Geest toog Amásai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

(1 Kronieken 15:24) En Sebánja, en Jósafat, en Netháneël, en Amásai, en Zechárja, en Benája, en Eliézer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehía waren poortiers der ark.

(2 Kronieken 29:12) Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amásai, en Joël, de zoon van Azárja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merári, Kis, de zoon van Abdi, en Azárja, de zoon van Jeháleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;

Deel dit artikel op: