Betekenissen
Admátha betekent waarschijnlijk “aarde”, “grond” of “rode aarde”. De naam is verwant aan woorden die met land of bodem te maken hebben. De exacte betekenis is onzeker.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
De naam komt voor in de tijd van het Perzische rijk, in de genealogie van de zonen van Haman (5e eeuw v.Chr.).
Naam in het Hebreeuws
אֲדַמְתָא (’Adamtā / Admátha).
Naam in het Grieks
In de Septuaginta: Ἀδαμάθα (Adamatha).
Strongnummers
Hebreeuws: H131 (Admatha).
Grieks: Geen afzonderlijk Strongnummer.
Etymologische gegevens
De naam is verwant aan de stam א־ד־מ (’d-m), die “aarde”, “grond” of “rood” aanduidt. Mogelijk is Admátha een Perzische of Elamitische naam die in het Hebreeuws is weergegeven. De etymologie blijft onzeker door het beperkte voorkomen.
Formuleringen
Statenvertaling: Admátha.
Herziene Statenvertaling: Admata.
King James Version: Admatha.
Symbolische betekenis
De naam kan symbolisch verwijzen naar vergankelijkheid of verbondenheid met de aarde. In de context van het boek Esther staat de naam echter vooral in verband met de ondergang van Hamans huis.
Bijbelse Stam
Admátha behoort niet tot de stammen van Israël; hij is een zoon van Haman, een Agagiet.
Familie
| Relatie | Naam / Opmerking |
|---|---|
| Vader | Haman |
| Moeder | Niet genoemd |
| Broers | Parsandatha, Dalfon, Aspatha, Poratha, Aridatha, Parmashta, Arisai, Aridai, Vaizatha |
| Zussen | Niet genoemd |
| Vrouw | Niet genoemd |
| Zonen | Niet genoemd |
| Dochters | Niet genoemd |
Een korte omschrijving
Admátha is een van de tien zonen van Haman, de vijand van de Joden in het boek Esther. Hij wordt genoemd in de lijst van zonen die samen met hun vader omkomen wanneer de Joden zich verdedigen tegen hun vijanden. Hoewel Admátha zelf geen actieve rol speelt in het verhaal, maakt zijn naam deel uit van de genealogie die de totale ondergang van Hamans huis benadrukt. Zijn vermelding onderstreept de ommekeer in het verhaal, waarin het kwaad dat tegen Israël was beraamd, terugkeert op het hoofd van de daders.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Esther 9:7.