Betekenissen (van de naam)
De Bijbelse naam Anem wordt doorgaans uitgelegd als “bron”, “oog” of “waterplaats”. De betekenis van Anem verwijst naar een plek van leven, verfrissing en voorziening.
Classificatie
Plaatsnaam.
Datering
De naam Anem komt voor in de periode van de vroege Israëlitische vestiging in Kanaän, tijdens de tijd van de stamverdelingen onder Jozua.
Naam in het Hebreeuws
עָנֵם (ʿAnem)
Naam in het Grieks
Ἀνήμ (Anem)
Strongnummers
Hebreeuws: H6046
Grieks: niet van toepassing
Etymologische gegevens
De naam Anem is verwant aan de Hebreeuwse wortel עין (ʿayin), die zowel “oog” als “bron” betekent. Hierdoor wordt Anem etymologisch verbonden met een plaats waar water aanwezig is, een essentieel element in het Bijbelse landschap.
Formuleringen (Schrijfwijze)
In de Statenvertaling: Anem
In de Herziene Statenvertaling: Anem
In de King James vertaling: Anem
Symbolische betekenis
Symbolisch staat Anem voor leven, vernieuwing en goddelijke voorziening. Een bron of waterplaats is in de Bijbel vaak een beeld van zegen en voortdurende zorg van de HEERE.
Bijbelse Stam
Anem ligt in het gebied van de stam Issaschar en werd toegewezen aan de Levieten.
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Niet van toepassing |
| Moeder | Niet van toepassing |
| Broers | Niet van toepassing |
| Zussen | Niet van toepassing |
| Vrouw | Niet van toepassing |
| Man | Niet van toepassing |
| Zonen | Niet van toepassing |
| Dochters | Niet van toepassing |
Een korte omschrijving
Anem is een kleine maar betekenisvolle plaatsnaam in het Oude Testament. De stad lag in het gebied van de stam Issaschar en werd toegewezen aan de Levieten, die verantwoordelijk waren voor de dienst aan de HEERE. De naam Anem, die “bron” of “waterplaats” betekent, past goed bij de symboliek van leven en zegen die water in de Bijbel vertegenwoordigt. Hoewel Anem slechts één keer expliciet genoemd wordt, maakt de vermelding duidelijk dat het deel uitmaakte van het netwerk van Levitische steden die verspreid lagen over het land Israël.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
1 Kronieken 6:73.