Abéd-Nego

Betekenissen

Abéd-Nego betekent “dienaar van Nego” of “knecht van Nebo”. De naam verwijst naar de Babylonische god Nabu (ook geschreven als Nebo), de god van wijsheid en schrift.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

De naam komt voor in de Babylonische ballingschap, tijdens het bewind van koning Nebukadnezar (6e eeuw v.Chr.).

Naam in het Hebreeuws

Vorm: עֲבֵד־נְגוֹ
Transcriptie: ʿAvéd‑Negó

Naam in het Grieks

Vorm (Septuaginta): Αβδεναγώ
Transcriptie: Abdenagō

Strongnummers

Hebreeuws: H5664 (Abed‑Nego)

Grieks: n.v.t. (naam komt uitsluitend in het Hebreeuws voor)

Etymologische gegevens

De naam is een Babylonische vervorming van de oorspronkelijke Hebreeuwse naam Azarja (“de HEERE helpt”). De Babylonische hofhouding gaf nieuwe namen die verwezen naar hun eigen goden. “Nego” is een variant van “Nebo” (Nabu), de Babylonische god van wijsheid. “Abéd” betekent “dienaar”.

Formuleringen

Statenvertaling: Abed‑nego
Herziene Statenvertaling: Abed‑Nego
King James Version: Abed‑nego

Symbolische betekenis

Abéd‑Nego staat symbool voor trouw aan God ondanks druk van buitenaf. Zijn weigering om het gouden beeld te aanbidden en zijn redding uit de vurige oven maken hem tot een voorbeeld van standvastig geloof.

Bijbelse Stam

Abéd‑Nego behoort tot Juda, als een van de jongelingen uit de koninklijke of adellijke familie die naar Babel werden weggevoerd.

Familie

RelatieNaam
Vadern.v.t.
Moedern.v.t.
Broersn.v.t.
Zussenn.v.t.
Vrouwn.v.t.
Zonenn.v.t.
Dochtersn.v.t.

Een korte omschrijving

Abéd‑Nego is de Babylonische naam van Azarja, een van de drie vrienden van Daniël. Samen met Sadrach en Mesach werd hij door koning Nebukadnezar geselecteerd om aan het hof te dienen. Toen zij weigerden het gouden beeld te aanbidden, werden zij in de vurige oven geworpen. God redde hen op wonderlijke wijze, waardoor Abéd‑Nego een blijvend voorbeeld werd van moed en trouw aan de HEERE, zelfs onder extreme druk. Zijn verhaal benadrukt dat God machtig is om te verlossen, ongeacht de omstandigheden.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Daniël 1:7; Daniël 2:49; Daniël 3:12–30