Abímaël

Betekenissen

Abímaël betekent “mijn vader is God” of “vader van God”. De naam bevat het element El, dat “God” betekent. Een alternatieve nuance is: “God is mijn vader”.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Abímaël leefde in de periode na de zondvloed, in de tijd van de vroege volkenvorming (ca. 3e millennium v.Chr.).

Naam in het Hebreeuws

Vorm: אֲבִימָאֵל
Transcriptie: ʾAvimāʾel (Abímaël)

Naam in het Grieks

Vorm (Septuaginta): Αβιμαήλ
Transcriptie: Abimaēl

Strongnummers

Hebreeuws: H0039 (Abímaël)

Grieks: n.v.t. (naam wordt als Hebreeuwse eigennaam weergegeven)

Etymologische gegevens

De naam is samengesteld uit abi (“mijn vader”) en El (“God”). De betekenis luidt: “mijn vader is God”, “God is mijn vader” of “vader van God”. De naam behoort tot de theoforische namen die Gods naam of eigenschappen bevatten.

Formuleringen

Statenvertaling: Abimaël
Herziene Statenvertaling: Abimaël
King James Version: Abimael

Symbolische betekenis

De naam benadrukt verbondenheid met God als bron van afkomst, kracht en identiteit. In de context van de volkenlijst symboliseert hij de goddelijke oorsprong van de volkeren die uit Sem voortkwamen.

Bijbelse Stam

Abímaël behoort tot de afstammelingen van Sem, via Joktan. Hij is niet verbonden met de twaalf stammen van Israël.

Familie

RelatieNaam
VaderJoktan
Moedern.v.t. (niet genoemd)
BroersAlmodad, Sélef, Chatsarmávet, Jerach, Hadoram, Uzal, Dikla, Obal, Abimaël, Séba, Ofir, Chavila, Jobab
Zussenn.v.t.
Vrouwn.v.t.
Zonenn.v.t. (niet genoemd)
Dochtersn.v.t.

Een korte omschrijving

Abímaël is een van de zonen van Joktan, genoemd in de geslachtsregisters van Genesis en 1 Kronieken. Hij behoort tot de volken die zich verspreidden in het gebied van Arabië, waar veel van Joktans nakomelingen zich vestigden. Hoewel er geen verdere biografische gegevens over hem worden vermeld, maakt zijn plaats in de genealogie duidelijk dat hij deel uitmaakte van de vroege Semitische volken. Zijn naam, die “mijn vader is God” betekent, weerspiegelt de religieuze en culturele achtergrond van de oud-oosterse wereld waarin namen vaak een belijdenis of wens uitdrukten.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 10:28; 1 Kronieken 1:22