Adóni-Bézek

Betekenissen

Adóni-Bézek betekent “heer van Bézek” of “mijn heer is Bézek”. De naam is samengesteld uit Adoni (“mijn heer”) en de plaatsnaam Bézek.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

De naam komt voor in de periode van de Richteren, direct na de dood van Jozua (ca. 12e eeuw v.Chr.).

Naam in het Hebreeuws

אֲדֹנִי בֶּזֶק (’Adōnī Bezeq).

Naam in het Grieks

In de Septuaginta: Ἀδωνιβεζέκ (Adōnibezek).

Strongnummers

Hebreeuws: H137 (Adoni), H966 (Bezek).

Grieks: Geen afzonderlijk Strongnummer.

Etymologische gegevens

De naam bestaat uit twee delen: Adoni (“mijn heer”) en Bezek, de naam van een stad. De betekenis is dus letterlijk “heer van Bézek”. De naam weerspiegelt een titel van heerschappij over deze stad of regio.

Formuleringen

Statenvertaling: Adóni-Bézek.

Herziene Statenvertaling: Adoni-Bezek.

King James Version: Adoni-bezek.

Symbolische betekenis

Adóni-Bézek staat symbool voor vergelding: wat hij anderen aandeed, overkwam hem zelf. Zijn verhaal benadrukt het Bijbelse principe dat onrecht uiteindelijk wordt geoordeeld.

Bijbelse Stam

Adóni-Bézek behoort niet tot de stammen van Israël; hij is een Kanaänitische koning.

Familie

RelatieNaam / Opmerking
VaderNiet genoemd
MoederNiet genoemd
BroersNiet genoemd
ZussenNiet genoemd
VrouwNiet genoemd
ZonenNiet genoemd
DochtersNiet genoemd

Een korte omschrijving

Adóni-Bézek was een Kanaänitische koning die door de Israëlieten werd verslagen aan het begin van de periode van de Richteren. Hij stond bekend om zijn wreedheid: hij had de duimen en grote tenen van zeventig overwonnen koningen afgehakt, die vervolgens onder zijn tafel moesten scharrelen om voedsel te vinden. Toen hij door Juda en Simeon werd gevangengenomen, onderging hij hetzelfde lot. Adóni-Bézek erkende dat God hem vergolden had naar zijn daden. Hij werd naar Jeruzalem gebracht, waar hij stierf. Zijn verhaal vormt een van de eerste episodes in het boek Richteren en illustreert de rechtvaardige vergelding die in de Bijbel vaak wordt benadrukt.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Richteren 1:5–7