Betekenissen
Acháje betekent “Achaje”, “land van de Achaeërs” of “Achaïa”. De naam verwijst naar een bekende Griekse landstreek.
Classificatie
Naam van een gebied
Datering
Acháje wordt genoemd in de tijd van het Nieuwe Testament, in de eerste eeuw na Christus, tijdens de reizen en brieven van de apostel Paulus.
Naam in het Hebreeuws
Niet van toepassing (Griekse geografische naam)
Naam in het Grieks
Ἀχαΐα (Achaïa)
Strongnummers
Hebreeuws: niet van toepassing
Grieks: G882
Etymologische gegevens
De naam is afgeleid van het Griekse Achaïa, een regio in het zuiden van Griekenland. De oorsprong ligt waarschijnlijk in de naam van de Achaeërs, een oud Grieks volk. In het Romeinse Rijk werd Achaïa een officiële provincie.
Formuleringen
Van de Statenvertaling: Achaje
Van de Herziene Statenvertaling: Achaje
Van de King James vertaling: Achaia
Symbolische betekenis
Acháje symboliseert de uitbreiding van het evangelie naar de Griekse wereld en de verbinding tussen Joodse en heidense gelovigen in de vroege kerk.
Bijbelse Stam
Niet van toepassing (geografische regio buiten Israël)
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Niet van toepassing |
| Moeder | Niet van toepassing |
| Broers | Niet van toepassing |
| Zussen | Niet van toepassing |
| Vrouw | Niet van toepassing |
| Zonen | Niet van toepassing |
| Dochters | Niet van toepassing |
Een korte omschrijving
Acháje is een regio in het zuiden van Griekenland en speelt een belangrijke rol in het Nieuwe Testament. Het gebied omvatte onder meer Korinthe, een van de belangrijkste steden waar Paulus een gemeente stichtte. Acháje was een Romeinse provincie en vormde een centrum van handel, cultuur en religieuze diversiteit. Paulus bezocht Acháje tijdens zijn zendingsreizen en schreef brieven aan de gemeenten in deze regio. De naam staat in de Bijbel symbool voor de verspreiding van het evangelie in de Griekse wereld en de groei van de vroege kerk.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Handelingen 18:12, Handelingen 18:27, Romeinen 15:26, 1 Korinthe 16:15, 2 Korinthe 1:1, 1 Thessalonicenzen 1:7–8