Ada

Betekenissen

Ada betekent “sieraad”, “versiering”, “pracht” of “lieflijkheid”. De naam wordt vaak verbonden met schoonheid en waardigheid.

Classificatie

Eigennaam (vrouw)

Datering

Ada komt voor in de vroegste Bijbelse geschiedenis (tijd van de aartsvaders, Genesis) en in de Edomitische koningslijsten (periode van de vroege koninkrijken in Edom).

Naam in het Hebreeuws

עָדָה (’Adah / Ada).

Naam in het Grieks

In de Septuaginta: Ἀδά (Ada).

Strongnummers

Hebreeuws: H5711 (Adah).

Grieks: Geen afzonderlijk Strongnummer.

Etymologische gegevens

De naam is verwant aan de Hebreeuwse stam ע-ד-ה (ʿ-d-h), die te maken heeft met “sieren”, “versieren” of “pracht”. Ada draagt daarom de betekenis van iets of iemand die schoonheid of waardigheid uitstraalt.

Formuleringen

Statenvertaling: Ada.

Herziene Statenvertaling: Ada.

King James Version: Adah.

Symbolische betekenis

Ada kan symbool staan voor schoonheid, eer en waardigheid. In de context van Genesis wordt zij gezien als een van de eerste vrouwen die genoemd worden, wat haar naam een archetypische betekenis geeft van sierlijkheid en voortbrenging.

Bijbelse Stam

Ada wordt verbonden met de lijn van Kaïn (Genesis 4) en met de Edomitische koningshuizen (Genesis 36). Zij behoort dus niet tot een van de twaalf stammen van Israël.

Familie

RelatieNaam / Opmerking
VaderNiet genoemd
MoederNiet genoemd
BroersNiet genoemd
ZussenNiet genoemd
VrouwNiet van toepassing
ZonenJabal en Jubal
DochtersNiet genoemd

Een korte omschrijving

Ada is een van de vroegst genoemde vrouwen in de Bijbel. Zij is de vrouw van Lamech uit de lijn van Kaïn en de moeder van Jabal en Jubal, die worden gezien als stamvaders van respectievelijk de nomadische veehouders en de muzikanten. Daarnaast komt een andere Ada voor als vrouw van Esau, genoemd in de Edomitische genealogieën. De naam draagt een betekenis die verbonden is met schoonheid en sierlijkheid, wat haar rol in de vroege Bijbelse geschiedenis een symbolische dimensie geeft. Ada staat daarmee zowel in de culturele ontwikkeling van de mensheid als in de genealogische lijnen van Edom.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 4:19–23; Genesis 36:2; Genesis 36:4.