Betekenissen
Abárim betekent “overgangen”, “doorgangen” of “oversteken”. De naam wordt vaak verbonden met het idee van bergpassen of een grensgebied dat men moet oversteken.
Classificatie
Naam van een gebied
Plaatsnaam
Datering
De naam komt voor in de periode van de woestijnreis van Israël (15e–13e eeuw v.Chr.), vooral in de context van Mozes’ laatste dagen.
Naam in het Hebreeuws
Vorm: עֲבָרִים
Transcriptie: ʿAvarím (Abárim)
Naam in het Grieks
Vorm (Septuaginta): Αβαρείμ
Transcriptie: Abareím
Strongnummers
Hebreeuws: H5682 (Abárim)
Grieks: n.v.t. (naam komt uitsluitend in het Hebreeuws voor)
Etymologische gegevens
De naam is afgeleid van de Hebreeuwse wortel עבר (ʿavar), “oversteken”, “voorbijgaan”. Abárim duidt daarom op een gebied van overgangen of bergpassen, passend bij de geografische ligging als grensgebied tussen de woestijn en het beloofde land.
Formuleringen
Statenvertaling: Abarim
Herziene Statenvertaling: Abarim
King James Version: Abarim
Symbolische betekenis
Abárim staat symbool voor de grens tussen belofte en vervulling. Mozes mocht vanaf dit gebergte het beloofde land zien, maar het niet binnengaan. Het gebied wordt daardoor vaak gezien als beeld van overgang, verwachting en het perspectief op Gods toekomst.
Bijbelse Stam
Abárim behoort niet tot een Israëlitische stam
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | n.v.t. |
| Moeder | n.v.t. |
| Broers | n.v.t. |
| Zussen | n.v.t. |
| Vrouw | n.v.t. |
| Zonen | n.v.t. |
| Dochters | n.v.t. |
Een korte omschrijving
Abárim is een berggebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Jericho. Het vormt een keten van hoogten waarvan de Nebo en de Pisga de bekendste toppen zijn. In dit gebied kreeg Mozes van God het bevel om het land Kanaän te overzien voordat hij stierf. Abárim fungeert in de Bijbel als een plaats van overgang: het markeert het einde van de woestijnreis en het zicht op de vervulling van Gods belofte. Het gebied wordt meerdere keren genoemd als oriëntatiepunt tijdens de tocht van Israël door de woestijn.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Numeri 21:11; Numeri 27:12; Numeri 33:47–48; Deuteronomium 32:49; Jeremia 22:20