Betekenissen
Abda betekent “dienaar”, “knecht” of “dienende”. De naam is verwant aan het Hebreeuwse werkwoord עבד (ʿavad), “dienen”.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
De naam komt voor in de periode van de monarchie in Israël, met vermeldingen in de tijd van Salomo en later in de tijd van Nehemia.
Naam in het Hebreeuws
Vorm: עַבְדָּא
Transcriptie: ʿAvdāʾ (Abda)
Naam in het Grieks
Vorm (Septuaginta): Αβδά
Transcriptie: Abdá
Strongnummers
Hebreeuws: H5653 (Abda)
Grieks: n.v.t. (naam komt uitsluitend in het Hebreeuws voor)
Etymologische gegevens
Abda is afgeleid van de wortel עבד (ʿavad), “dienen”. De naam drukt toewijding, dienstbaarheid en nederigheid uit. In de Bijbelse context kan het zowel een sociale functie aanduiden als een geestelijke houding van trouw en gehoorzaamheid.
Formuleringen
Statenvertaling: Abda
Herziene Statenvertaling: Abda
King James Version: Abda
Symbolische betekenis
De naam staat symbool voor dienstbaarheid aan God of aan een door God gegeven taak. Personen met deze naam worden in de Schrift verbonden met praktische verantwoordelijkheid en trouw in hun functie.
Bijbelse Stam
Abda wordt niet verbonden met een specifieke stam, maar de personen die deze naam dragen zijn werkzaam binnen het koninkrijk van Juda.
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Adoniram (vader van Abda in 1 Koningen 4:6) |
| Moeder | n.v.t. |
| Broers | n.v.t. |
| Zussen | n.v.t. |
| Vrouw | n.v.t. |
| Zonen | Samuel (zoon van Abda in Nehemia 11:17) |
| Dochters | n.v.t. |
Een korte omschrijving
Abda is de naam van twee mannen in het Oude Testament. De eerste is de vader van Adoniram, een hoge functionaris onder koning Salomo die toezicht hield op de herendiensten. De tweede Abda is de vader van Samuel, een Leviet die in de tijd van Nehemia verantwoordelijk was voor de lofzang in de tempel. De naam draagt een duidelijke betekenis van dienstbaarheid, wat goed aansluit bij de rollen die de dragers in de Bijbelse geschiedenis vervullen. Abda staat daarmee voor trouw, verantwoordelijkheid en toewijding aan de taak die God of de gemeenschap geeft.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
1 Koningen 4:6; Nehemia 11:17