Athália

Betekenissen van de naam Athália

Athália betekent “de HEERE is verheven” of “Jahweh is hoogverheven”. De naam drukt in oorsprong eer en verheffing van de Naam van God uit, al staat de draagster in de Bijbel juist bekend om haar afkeer van de HEERE.

Classificatie

Eigennaam (vrouw)

Datering

Negende eeuw v.Chr., in de tijd van de koningen van Israël en Juda, rond de regeringen van Achab, Joram, Ahazia en Joas.

Naam in het Hebreeuws

עֲתַלְיָה / עֲתַלְיָהוּ (Atalja / Ataljahu)

Naam in het Grieks

Γοθολία (Gotholia)

Strongnummers

Hebreeuws: H6271
Grieks: niet van toepassing

Etymologische gegevens

Athália is een theofore naam, opgebouwd uit een stam met de betekenis “verheffen, hoog maken” en het element -jah/-jahu, dat verwijst naar de naam van de HEERE (Jahweh). Letterlijk betekent de naam “Jahweh is verheven”. In scherp contrast daarmee leeft Athália in openlijke afgoderij en Baälsdienst, wat de spanning tussen naam en levenswandel benadrukt.

Formuleringen (Schrijfwijze)

in de Statenvertaling: Athália
in de Herziene Statenvertaling: Athalia
in de King James vertaling: Athaliah

Symbolische betekenis

Athália symboliseert geestelijke afval, machtsmisbruik en de verwoestende invloed van afgoderij in Juda. Haar naam, die spreekt van een verheven HEERE, staat lijnrecht tegenover haar daden: moord op het koninklijk nageslacht, invoering van Baälsdienst en tirannieke heerschappij. Zij is een blijvende waarschuwing tegen het loslaten van Gods verbond.

Bijbelse Stam

Door geboorte verbonden met het huis van Omri in Israël; door huwelijk koningin in Juda (huis van David).

Familie

RelatieNaam
VaderAchab (koning van Israël)
MoederIzebel
BroersOnder andere Ahazia (koning van Israël)
ZussenNiet genoemd
VrouwNiet van toepassing
ManJoram (Jehoram), koning van Juda
ZonenAhazia (koning van Juda)
DochtersNiet bij naam genoemd

Een korte omschrijving

Athália is de beruchte koningin van Juda, dochter uit het huis van Achab en Izebel in Israël en vrouw van koning Joram van Juda. Na de dood van haar zoon Ahazia grijpt zij de macht in Juda en laat vrijwel het gehele koninklijke nageslacht uitroeien om haar positie te verzekeren. Alleen Joas wordt door zijn tante Josabea verborgen en later door de priester Jojada als koning uitgeroepen. Athália bevordert de Baälsdienst in Jeruzalem en vormt een dieptepunt in de geschiedenis van Juda. Haar gewelddadige einde bij de tempel markeert Gods oordeel en de herbevestiging van het Davidische koningshuis.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

2 Koningen 8:26, 2 Koningen 11:1, 2 Koningen 11:2, 2 Koningen 11:3, 2 Koningen 11:13, 2 Koningen 11:14, 2 Koningen 11:20, 2 Kronieken 22:2, 2 Kronieken 22:10, 2 Kronieken 22:11, 2 Kronieken 22:12, 2 Kronieken 23:12, 2 Kronieken 23:13, 2 Kronieken 23:21, 2 Kronieken 24:7