Betekenissen
Abjathar betekent waarschijnlijk “mijn vader is overvloed” of “vader van overvloed / overvloedigheid”. De naam kan ook worden opgevat als “de vader geeft overvloed”.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
Abjathar leefde in de tijd van koning David en Salomo, rond de 10e eeuw v.Chr. Hij was een van de laatste hogepriesters uit de lijn van Eli.
Naam in het Hebreeuws
אֶבְיָתָר (’Evyatar / Evyatar)
Naam in het Grieks
Ἀβιάθαρ (Abiathar)
Strongnummers
Hebreeuws: H54
Grieks: niet van toepassing
Etymologische gegevens
De naam is samengesteld uit ’av (אָב, “vader”) en een element verwant aan yatar (יָתַר, “overblijven, overvloed hebben”). De naam drukt uit dat de vader (mogelijk God) overvloed schenkt of laat overblijven.
Formuleringen
Van de Statenvertaling: Abjathar
Van de Herziene Statenvertaling: Abjathar
Van de King James vertaling: Abiathar
Symbolische betekenis
De naam kan symbolisch verwijzen naar God als de Vader die overvloed, bescherming en uitkomst geeft. Abjathars levensverhaal – ontsnappen aan de slachting van Nob en dienen naast David – versterkt dit beeld van goddelijke bewaring.
Bijbelse Stam
Levi (priesterlijke lijn van Eli)
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Achimelech |
| Moeder | Onbekend |
| Broers | Onbekend |
| Zussen | Onbekend |
| Vrouw | Onbekend |
| Zonen | Onbekend |
| Dochters | Onbekend |
Een korte omschrijving
Abjathar was een priester uit de lijn van Eli en een van de meest bekende priesters uit de tijd van David. Hij ontsnapte als enige aan de slachting van de priesters van Nob door Doëg, waarna hij vluchtte naar David en hem trouw diende. Tijdens Davids regering fungeerde hij samen met Sadok als priester. Aan het begin van Salomo’s regering koos Abjathar de zijde van Adonia, wat leidde tot zijn afzetting. Daarmee werd de profetie over het huis van Eli vervuld. Zijn leven weerspiegelt zowel trouw als tragiek binnen de priesterlijke geschiedenis van Israël.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
1 Samuël 22:20, 1 Samuël 23:6, 2 Samuël 8:17, 2 Samuël 15:24, 1 Koningen 1:7, 1 Koningen 2:26–27