Appáïm

Betekenissen van de naam Appáïm

De Bijbelse naam Appáïm (Appaim) betekent “(paar) neusgaten”, “gezicht” of “toorn”. De betekenis van Appáïm is verbonden met adem, emotie en innerlijke bewogenheid, en benadrukt in Bijbelse naamstudie vaak passie, bewogenheid en levenskracht binnen de stam van Juda.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Oude Testament, tijd van de koningen, zoals weergegeven in de genealogieën van 1 Kronieken.

Naam in het Hebreeuws

אַפַּיִם (ʾAppayim)

Naam in het Grieks

Αφφαιμ (Aphphaim)

Strongnummers

Hebreeuws: H649
Grieks: niet van toepassing

Etymologische gegevens

Appáïm is de dualis van het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord voor “neusgaten / neus / gezicht”, verwant aan een wortel die “ademen, toornig zijn” uitdrukt. De naam wordt daarom etymologisch verklaard als “(twee) neusgaten” of “gezicht”, met associaties van adem, leven en heftige emotie.

Formuleringen (Schrijfwijze)

In de Statenvertaling: Appáïm / Appaim
In de Herziene Statenvertaling: Appaim
In de King James vertaling: Appaim

Symbolische betekenis

Symbolisch kan de naam Appáïm staan voor innerlijke bewogenheid, vurigheid en de levensadem. Binnen de genealogie van Juda herinnert Appáïm eraan dat God ook de minder bekende schakels in de heilsgeschiedenis kent en gebruikt.

Bijbelse stam

Stam van Juda

Familie

RelatieNaam
VaderNadab
MoederNiet genoemd
BroersNiet expliciet genoemd
ZussenNiet genoemd
VrouwNiet genoemd
ManNiet van toepassing
ZonenIshi
DochtersNiet genoemd

Een korte omschrijving

Appáïm is een man uit de stam van Juda, genoemd in de geslachtsregisters van 1 Kronieken. Hij is een zoon van Nadab en de vader van Ishi, en maakt deel uit van de Jerahmeëlitische lijn binnen Juda. De Bijbelse naam Appáïm, met de betekenis “neusgaten” of “gezicht”, is taalkundig verbonden met adem en emotie. Hoewel hij slechts kort wordt genoemd, onderstreept Appáïm de zorgvuldige registratie van de Judaïsche families en laat hij zien dat elke naam, hoe klein ook, een plaats heeft in Gods voortgaande geschiedenis met Zijn volk.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

1 Kronieken 2:30–31