Ahítub

Betekenissen

De naam Ahítub betekent “broeder van goedheid”, “mijn broeder is goed” of “broeder van het goede”. De naam Ahítub wordt vooral gezien in priesterlijke geslachten binnen Israël.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

De naam Ahítub komt in het Oude Testament voor, vooral in de tijd van de Richteren, de koningen Saul en David, en in de priesterlijke geslachtsregisters.

Naam in het Hebreeuws

אֲחִיטוּב (Achitub)

Naam in het Grieks

Αχιτούβ (Achitoub)

Strongnummers

Hebreeuws: H285

Grieks: n.v.t.

Etymologische gegevens

De naam Ahítub is samengesteld uit “ach” (broeder) en “tov” (goed). Zo krijgt de naam Ahítub een betekenis die wijst op verwantschap, goedheid of goddelijke gunst.

Formuleringen

Statenvertaling: Ahitub
Herziene Statenvertaling: Ahitub
King James Version: Ahitub

Symbolische betekenis

De naam Ahítub symboliseert priesterlijke trouw, heiligheid, continuïteit en verbondenheid met de eredienst van Israël.

Bijbelse Stam

Stam Levi – priesterlijke lijn. De naam Ahítub komt in meerdere generaties binnen deze stam voor.

Familie

VaderVerschillend per vermelde Ahítub: Phinehas (zoon van Eli) of Amaria; soms onbekend
MoederOnbekend
BroersNiet vermeld
ZussenOnbekend
VrouwOnbekend
ZonenOnder anderen Zadok (priester onder David en Salomo)
DochtersOnbekend

Een korte omschrijving

De naam Ahítub komt in de Bijbel voor op meerdere plaatsen en verwijst telkens naar personen uit priesterlijke geslachten. De bekendste Ahítub is de vader van Zadok, de trouwe priester die koning David en later Salomo diende. Een andere Ahítub behoort tot de afstamming van Eli via Phinehas. Namen als Ahítub spelen een belangrijke rol in de genealogische structuur van Israël, omdat zij de continuïteit van het priesterschap benadrukken. Hoewel Ahítub zelf meestal niet in grote verhalende scènes voorkomt, vertegenwoordigt de naam een rijke priesterlijke traditie en een lijn van mannen die verantwoordelijk waren voor de eredienst, de tabernakel en later de tempel.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

1 Samuël 14:3; 2 Samuël 8:17; 1 Kronieken 6:7; 1 Kronieken 6:52; Ezra 7:2.