Bélsazar

Betekenissen van de naam Bélsazar

Bélsazar betekent “Bel, bescherm de koning”. De naam is theoforisch en verwijst naar de Babylonische god Bel (Marduk), die geacht werd de vorst te beschermen.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Bélsazar leefde in de 6e eeuw v.Chr., tijdens de laatste fase van het Nieuw-Babylonische rijk, vlak vóór de val van Babel in 539 v.Chr.

Naam in het Hebreeuws

בֵּלְשַׁאצַּר (Bēlšaʾtsar)

Naam in het Grieks

Βαλτάσαρ (Baltasar)

Strongnummers

Hebreeuws: H1112 / H1113
Grieks: niet afzonderlijk genummerd

Etymologische gegevens

De naam Bélsazar komt overeen met het Akkadische Bēl-šar-uṣur, “Bel, bescherm de koning”. De naam is verwant aan andere Babylonische hofnamen zoals Belteshazzar (de Babylonische naam van Daniël) en weerspiegelt de religieuze en politieke cultuur van het Babylonische hof.

Formuleringen (Schrijfwijze)

Statenvertaling: Bélsazar
Herziene Statenvertaling: Belsazar
King James Version: Belshazzar

Symbolische betekenis

Bélsazar staat symbool voor hoogmoed, vergankelijkheid en goddelijk oordeel. Zijn feest, waarop hij de heilige tempelvaten ontwijdde, leidde tot de beroemde “schrijf aan de wand” en zijn onmiddellijke ondergang.

Bijbelse Stam

Niet van toepassing.

Familie

RelatieNaam
VaderNabonidus (laatste koning van Babylon)
MoederNitocris (volgens traditie mogelijk dochter van Nebukadnezar)
BroersNiet vermeld
ZussenNiet vermeld
VrouwNiet vermeld
ManNiet van toepassing
ZonenNiet vermeld
DochtersNiet vermeld

Een korte omschrijving

Bélsazar was de Babylonische kroonprins en mede‑regent onder zijn vader Nabonidus. Hij is vooral bekend uit Daniël 5, waar hij tijdens een uitbundig feest de heilige vaten uit de tempel van Jeruzalem ontwijdt. Tijdens dit feest verschijnt de mysterieuze hand die de woorden “MENE, MENE, TEKEL, PARSIN” schrijft, die Daniël uitlegt als een goddelijk oordeel over Bélsazar en zijn rijk. Nog diezelfde nacht wordt Bélsazar gedood en valt Babylon in handen van de Meden en Perzen. Zijn naam is sindsdien een symbool geworden voor hoogmoed die door God wordt neergehaald.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Daniël 5:1, Daniël 5:2, Daniël 5:9, Daniël 5:22, Daniël 5:29, Daniël 5:30, Daniël 7:1, Daniël 8:1