Bedad

Betekenissen van de naam Bedad

De Bijbelse naam Bedad betekent “afscheiding”, “afzondering” of “separatie”. De naam roept het beeld op van iemand die apart gezet is, onderscheiden van anderen, wat in Bijbelse naamkunde vaak wijst op een bijzondere positie of roeping binnen Gods heilsplan.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Bedad behoort tot de vroege Edomitische koningen, in de periode vóór er een koning over Israël regeerde (vroege 2e millennium v.Chr., ruwe datering).

Naam in het Hebreeuws

בְּדַד (Bedad)

Naam in het Grieks

Βαδάδ (Badad)

Strongnummers

Hebreeuws: H911
Grieks: niet van toepassing als afzonderlijk Strongnummer

Etymologische gegevens

Bedad is afgeleid van de Hebreeuwse wortel בדד (badad), “afzonderen”, “alleen zijn”. Deze wortel wordt gebruikt voor afzondering, zowel positief (apart gezet, heilig) als negatief (eenzaam, geïsoleerd). De naam Bedad draagt zo de gedachte van iemand die door God onderscheiden of afgezonderd is binnen de Edomitische geschiedenis.

Formuleringen (Schrijfwijze)

Statenvertaling: Bedad
Herziene Statenvertaling: Bedad
King James Version: Bedad

Symbolische betekenis

Symbolisch kan Bedad staan voor afzondering, onderscheid en een eigen, door God bepaalde plaats in de geschiedenis. De naam benadrukt dat ook buiten Israël, in Edom, personen en dynastieën een rol spelen binnen Gods grotere heilsplan.

Bijbelse stam

Edom (afstamming van Esau)

Familie

RelatieNaam
VaderOnbekend
MoederOnbekend
BroersOnbekend
ZussenOnbekend
VrouwOnbekend
ManNiet van toepassing
ZonenHadad (Edomitische koning)
DochtersOnbekend

Een korte omschrijving

Bedad is een mannelijke eigennaam in het Oude Testament en wordt genoemd als vader van de Edomitische koning Hadad. Hij verschijnt in de koningslijsten van Edom als onderdeel van de dynastie die regeerde vóór de instelling van het koningschap in Israël. De betekenis “afscheiding” of “afzondering” sluit aan bij de positie van Edom als verwant, maar toch duidelijk onderscheiden volk naast Israël.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 36:35, 1 Kronieken 1:46