Bochim

Betekenissen van de naam Bochim

Bochim betekent “weeners” of “de weenenden”. De naam verwijst naar een plaats waar het volk Israël onder diepe indruk van Gods boodschap begon te wenen.

Classificatie

Plaatsnaam

Datering

Periode van de richteren, kort na de intocht in Kanaän, vroege ijzertijd.

Naam in het Hebreeuws

בֹּכִים — Bokiym (“weenenden”)

Naam in het Grieks

Κλαυθμῶνες — Klauthmones (“plaats van wenen”)

Strongnummers

Hebreeuws: H1066
Grieks:

Etymologische gegevens

Bochim is de meervoudige actieve vorm van de Hebreeuwse wortel בכה (bakah), “wenen, huilen”. De naam betekent letterlijk “de weenenden” en wordt gegeven aan de plaats waar Israël weent na de terechtwijzing van de Engel van de HEERE.

Formuleringen (Schrijfwijze)

In de Statenvertaling: Bochim
In de Herziene Statenvertaling: Bochim
In de King James vertaling: Bochim

Symbolische betekenis

Bochim symboliseert verbondsvermaning, verdriet over zonde en een oproep tot bekering. Het is een geestelijke markeerplaats waar Israël geconfronteerd wordt met zijn ongehoorzaamheid en reageert met tranen en offers.

Bijbelse Stam

Waarschijnlijk in het gebied van de stam Efraïm, nabij Bethel in het centrale heuvelland.

Familie

RelatieNaam / Opmerking
VaderNiet van toepassing
MoederNiet van toepassing
BroersNiet van toepassing
ZussenNiet van toepassing
VrouwNiet van toepassing
ManNiet van toepassing
ZonenNiet van toepassing
DochtersNiet van toepassing

Een korte omschrijving

Bochim is een Bijbelse plaatsnaam uit Richteren 2, waar de Engel van de HEERE Israël confronteert met zijn ongehoorzaamheid bij de inname van Kanaän. Na de scherpe boodschap over verbondsbreuk en de gevolgen daarvan, heft het volk zijn stem op en weent, waarna de plaats Bochim (“weenenden”) wordt genoemd. Daar brengen zij offers aan de HEERE, wat Bochim tot een geestelijk gedenkpunt maakt van verdriet, berouw en hernieuwde toewijding. De naam Bochim onderstreept de ernst van Gods verbond en de noodzaak van gehoorzaamheid en bekering.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Richteren 2:1, Richteren 2:5