Betekenissen
Bethsáïda betekent “huis van visvangst” of “huis van de visser”. De naam verwijst naar een plaats waar visserij centraal stond, passend bij de ligging aan het Meer van Galilea.
Classificatie
Plaatsnaam
Datering
Nieuwe Testament, 1e eeuw n.Chr., tijdens de bediening van Jezus Christus.
Naam in het Hebreeuws
בית ציידא (Beit Tsaida)
Naam in het Grieks
Βηθσαϊδά (Bēthsaïda)
Strongnummers
Hebreeuws: H6719 (צידה – visvangst)
Grieks: G966 (Βηθσαϊδά – Bethsaida)
Etymologische gegevens
Bethsáïda is samengesteld uit “bayith” (huis) en “tsayid/tseda” (visvangst, jacht). De naam duidt op een nederzetting waar visserij een belangrijke economische rol speelde.
Formuleringen (Schrijfwijze)
in de Statenvertaling: Bethsaida
in de Herziene Statenvertaling: Bethsaïda
in de King James vertaling: Bethsaida
Symbolische betekenis
Bethsáïda staat symbool voor roeping, geloof en geestelijke verantwoordelijkheid. Het is de plaats waar Jezus wonderen verrichtte, maar ook waar Hij het ongeloof van de inwoners berispte.
Bijbelse Stam
Niet van toepassing
Familie
| Vader | Niet van toepassing |
|---|---|
| Moeder | Niet van toepassing |
| Broers | Niet van toepassing |
| Zussen | Niet van toepassing |
| Vrouw | Niet van toepassing |
| Man | Niet van toepassing |
| Zonen | Niet van toepassing |
| Dochters | Niet van toepassing |
Een korte omschrijving
Bethsáïda was een stad aan de noordelijke oever van het Meer van Galilea. De plaats is bekend als woongebied van de discipelen Filippus, Andreas en Petrus. Jezus verrichtte er meerdere wonderen, waaronder de genezing van een blinde man. Ondanks deze tekenen bleef veel ongeloof bestaan, waardoor Bethsáïda in de evangeliën ook wordt genoemd als een stad die haar geestelijke verantwoordelijkheid niet vervulde. De naam, die “huis van visvangst” betekent, past bij de visserijcultuur van de regio en bij de roeping van de discipelen die uit dit gebied afkomstig waren.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
Mattheüs 11:21, Markus 6:45, Markus 8:22, Lukas 9:10, Lukas 10:13, Johannes 1:44, Johannes 12:21