Babel

Betekenissen van de naam Babel

Babel betekent volgens de Bijbelse uitleg “verwarring” of “verwarring van de spraak”, omdat daar de taal van de mensen werd verward. Taalkundig hangt de naam ook samen met het Akkadische Bab-ilu, “poort van god” of “poort van de goden”. De Bijbelse naam Babel verwijst zowel naar de stad met de toren van Babel als naar de grote wereldmacht Babylon.

Classificatie

Plaatsnaam
Naam van een gebied
Naam van een land

Datering

Babel verschijnt voor het eerst in de oergeschiedenis, kort na de zondvloed, in de dagen van Nimrod. Later wordt Babel/Babylon de hoofdstad van een wereldrijk dat in de 7e–6e eeuw v.Chr. zijn hoogtepunt bereikt onder koningen als Nebukadnezar, in de tijd van de Babylonische ballingschap van Juda.

Naam in het Hebreeuws

בָּבֶל (Bavel)

Naam in het Grieks

Βαβέλ (Babel) – voor de stad uit Genesis
Βαβυλών (Babylōn) – voor het rijk en de stad in profeten en Nieuwe Testament

Strongnummers

Hebreeuws: H894
Grieks: G897 (Babylon)

Etymologische gegevens

De naam Babel is waarschijnlijk ontleend aan het Akkadische Bab-ilu, “poort van god”. In de Bijbel wordt de naam echter verbonden met het Hebreeuwse werkwoord balal (בָּלַל), “vermengen, verwarren”. Zo krijgt Babel in Genesis 11 een theologisch geladen etymologie: de plaats waar God de spraak van de mensen verwart en hun hoogmoedige bouwproject stopt. In latere boeken wordt dezelfde naam gebruikt voor de stad en het rijk Babylon.

Formuleringen (Schrijfwijze)

In de Statenvertaling: Babel / Babylon
In de Herziene Statenvertaling: Babel / Babel (Babylon)
In de King James vertaling: Babel (in Genesis); Babylon (voor stad en rijk)

Symbolische betekenis

Babel staat in de Bijbel symbool voor menselijke hoogmoed, zelfverheffing en opstand tegen God. De toren van Babel verbeeldt de poging van de mens om zonder God “een naam te maken” en de hemel te bereiken. In de profeten en in Openbaring wordt Babylon het beeld van de goddeloze wereldmacht, vol afgoderij, geweld en verleiding, die uiteindelijk door Gods oordeel valt. Tegelijk klinkt de belofte dat God zijn volk uit Babel zal uitleiden.

Bijbelse Stam

Niet van toepassing.

Familie

VaderNiet van toepassing (stad/land)
MoederNiet van toepassing
BroersNiet van toepassing
ZussenNiet van toepassing
VrouwNiet van toepassing
ManNiet van toepassing
ZonenNiet van toepassing
DochtersNiet van toepassing

Een korte omschrijving

Babel is de beroemde stad in het land Sinear waar de mensen een toren wilden bouwen “tot aan de hemel”. God verwarde daar hun taal, zodat zij over de aarde werden verspreid. In de verdere Bijbelse geschiedenis groeit Babel/Babylon uit tot de hoofdstad van een machtig rijk dat Juda verwoest en het volk in ballingschap voert. De naam Babel wordt zo verbonden met menselijke hoogmoed, wereldmacht en oordeel, maar ook met Gods soevereine leiding, want Hij gebruikt zelfs Babel in zijn heilsplan en belooft zijn volk uit Babel terug te brengen.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 10:10, Genesis 11:9, 2 Koningen 17:24, 2 Koningen 17:30, 2 Koningen 20:12, 2 Koningen 20:14, 2 Koningen 20:17, 2 Koningen 20:18, 2 Koningen 24:1, 2 Koningen 24:7, 2 Koningen 24:10, 2 Koningen 24:11, 2 Koningen 24:12, 2 Koningen 24:15, 2 Koningen 24:16, 2 Koningen 24:17, 2 Koningen 24:20, 2 Koningen 25:1, 2 Koningen 25:6, 2 Koningen 25:7, 2 Koningen 25:8, 2 Koningen 25:11, 2 Koningen 25:13, 2 Koningen 25:20, 2 Koningen 25:21, 2 Koningen 25:22, 2 Koningen 25:23, 2 Koningen 25:24, 2 Koningen 25:27, 2 Koningen 25:28, 1 Kronieken 9:1, 2 Kronieken 32:31, 2 Kronieken 33:11, 2 Kronieken 36:6, 2 Kronieken 36:7, 2 Kronieken 36:10, 2 Kronieken 36:18, 2 Kronieken 36:20, Ezra 1:11, Ezra 2:1, Ezra 5:12, Ezra 5:13, Ezra 5:14, Ezra 5:17, Ezra 6:1, Ezra 6:5, Ezra 7:6, Ezra 7:9, Ezra 7:16, Ezra 8:1, Nehemia 7:6, Nehemia 13:6, Esther 2:6, Psalmen 87:4, Psalmen 137:1, Psalmen 137:8, Jesaja 13:1, Jesaja 13:19, Jesaja 14:4, Jesaja 14:22, Jesaja 21:9, Jesaja 39:1, Jesaja 39:3, Jesaja 39:6, Jesaja 39:7, Jesaja 43:14, Jesaja 47:1, Jesaja 48:14, Jesaja 48:20, Jeremía 20:4, Jeremía 20:5, Jeremía 20:6, Jeremía 21:2, Jeremía 21:4, Jeremía 21:7, Jeremía 21:10, Jeremía 22:25, Jeremía 24:1, Jeremía 25:1, Jeremía 25:9, Jeremía 25:11, Jeremía 25:12, Jeremía 27:6, Jeremía 27:8, Jeremía 27:9, Jeremía 27:11, Jeremía 27:12, Jeremía 27:13, Jeremía 27:14, Jeremía 27:16, Jeremía 27:17, Jeremía 27:18, Jeremía 27:20, Jeremía 27:22, Jeremía 28:2, Jeremía 28:3, Jeremía 28:4, Jeremía 28:6, Jeremía 28:11, Jeremía 28:14, Jeremía 29:1, Jeremía 29:3, Jeremía 29:4, Jeremía 29:10, Jeremía 29:15, Jeremía 29:20, Jeremía 29:21, Jeremía 29:22, Jeremía 29:28, Jeremía 32:2, Jeremía 32:3, Jeremía 32:4, Jeremía 32:5, Jeremía 32:28, Jeremía 32:36, Jeremía 34:1, Jeremía 34:2, Jeremía 34:3, Jeremía 34:7, Jeremía 34:21, Jeremía 35:11, Jeremía 36:29, Jeremía 37:1, Jeremía 37:17, Jeremía 37:19, Jeremía 38:3, Jeremía 38:17, Jeremía 38:18, Jeremía 38:22, Jeremía 38:23, Jeremía 39:1, Jeremía 39:3, Jeremía 39:5, Jeremía 39:6, Jeremía 39:7, Jeremía 39:9, Jeremía 39:11, Jeremía 39:13, Jeremía 40:1, Jeremía 40:4, Jeremía 40:5, Jeremía 40:7, Jeremía 40:9, Jeremía 40:11, Jeremía 41:2, Jeremía 41:18, Jeremía 42:11, Jeremía 43:3, Jeremía 43:10, Jeremía 44:30, Jeremía 46:2, Jeremía 46:13, Jeremía 46:26, Jeremía 49:28, Jeremía 49:30, Jeremía 50:1, Jeremía 50:2, Jeremía 50:8, Jeremía 50:9, Jeremía 50:13, Jeremía 50:14, Jeremía 50:16, Jeremía 50:17, Jeremía 50:18, Jeremía 50:23, Jeremía 50:24, Jeremía 50:28, Jeremía 50:29, Jeremía 50:34, Jeremía 50:35, Jeremía 50:42, Jeremía 50:43, Jeremía 50:45, Jeremía 50:46, Jeremía 51:1, Jeremía 51:2, Jeremía 51:6, Jeremía 51:7, Jeremía 51:8, Jeremía 51:9, Jeremía 51:11, Jeremía 51:12, Jeremía 51:24, Jeremía 51:29, Jeremía 51:31, Jeremía 51:33, Jeremía 51:34, Jeremía 51:35, Jeremía 51:37, Jeremía 51:41, Jeremía 51:42, Jeremía 51:44, Jeremía 51:47, Jeremía 51:48, Jeremía 51:49, Jeremía 51:53, Jeremía 51:54, Jeremía 51:55, Jeremía 51:56, Jeremía 51:58, Jeremía 51:59, Jeremía 51:60, Jeremía 51:61, Jeremía 51:64, Jeremía 52:3, Jeremía 52:4, Jeremía 52:9, Jeremía 52:10, Jeremía 52:11, Jeremía 52:12, Jeremía 52:15, Jeremía 52:17, Jeremía 52:26, Jeremía 52:27, Jeremía 52:31, Jeremía 52:32, Jeremía 52:34, Ezechiël 17:12, Ezechiël 17:16, Ezechiël 17:20, Ezechiël 19:9, Ezechiël 21:19, Ezechiël 21:21, Ezechiël 23:15, Ezechiël 23:17, Ezechiël 23:23, Ezechiël 24:2, Ezechiël 26:7, Ezechiël 29:18, Ezechiël 29:19, Ezechiël 30:10, Ezechiël 30:24, Ezechiël 30:25, Ezechiël 32:11, Daniël 1:1, Daniël 2:12, Daniël 2:14, Daniël 2:18, Daniël 2:24, Daniël 2:48, Daniël 2:49, Daniël 3:1, Daniël 3:12, Daniël 3:30, Daniël 4:6, Daniël 4:29, Daniël 4:30, Daniël 5:7, Daniël 7:1, Micha 4:10, Zacharia 2:7, Zacharia 6:10, Handelingen 7:43, 1 Petrus 5:13, Openbaring 14:8, Openbaring 16:19, Openbaring 17:5, Openbaring 18:2, Openbaring 18:10, Openbaring 18:21