Betekenissen van de naam Báësa
De Bijbelse naam Báësa betekent “stinkend”, “aanstootgevend” of “afschuwwekkend”. De naam draagt de gedachte van iets dat God mishagt en mensen doet terugdeinzen. In de Schrift sluit deze betekenis nauw aan bij het leven van koning Báësa, die bekendstaat om zijn gewelddadige en goddeloze regering over Israël.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
Báësa was de derde koning van het noordelijke rijk Israël. Hij regeerde ongeveer 24 jaar, in de 10e–9e eeuw v.Chr., in de dagen van koning Asa van Juda. Daarnaast wordt nog een andere Báësa genoemd in de geslachtsregisters van Benjamin in de tijd vóór de ballingschap.
Naam in het Hebreeuws
בַּעְשָׁא (Baʿshaʾ)
Naam in het Grieks
Βαασά (Baasa)
Strongnummers
Hebreeuws: H1201
Grieks: Geen specifiek Strongnummer
Etymologische gegevens
Báësa is afgeleid van een ongebruikte wortel בעש / באש met de betekenis “stinken, aanstoot geven, walgen”. Vandaar de uitleg “stinkend, aanstootgevend”. De naam past bij de negatieve beoordeling van Báësa in de Bijbel: hij wandelt in de zonden van Jerobeam en roept Gods oordeel over zijn huis af. De naam wordt ook gedragen door een Benjaminiet in 1 Kronieken 9:6.
Formuleringen (Schrijfwijze)
In de Statenvertaling: Baësa
In de Herziene Statenvertaling: Baësa
In de King James vertaling: Baasha
Symbolische betekenis
Báësa is een symbool van goddeloze macht, geweld en geestelijke stank voor Gods aangezicht. Hij grijpt de troon door moord, vernietigt het huis van Jerobeam en volhardt in afgoderij. Zijn naam en geschiedenis laten zien hoe een ogenschijnlijk sterke koning in Gods ogen een aanstootgevende, “stinkende” heerser is, wiens huis uiteindelijk volledig wordt uitgeroeid.
Bijbelse Stam
Issaschar (koning Báësa, zoon van Ahia, is afkomstig uit de stam Issaschar) en Benjamin (een andere Báësa wordt genoemd in de geslachtsregisters van Benjamin)
Familie
| Vader | Ahia, uit de stam Issaschar |
| Moeder | Niet genoemd |
| Broers | Niet genoemd |
| Zussen | Niet genoemd |
| Vrouw | Niet genoemd |
| Man | Niet van toepassing |
| Zonen | Ela (Elah), die na hem koning wordt; verdere zonen niet bij name genoemd |
| Dochters | Niet genoemd |
Een korte omschrijving
Báësa is vooral bekend als de derde koning van het noordelijke rijk Israël. Hij komt uit de stam Issaschar en grijpt de macht door koning Nadab, de zoon van Jerobeam, te doden tijdens het beleg van Gibbethon. Vervolgens roeït hij het hele huis van Jerobeam uit, zoals door de profeet Ahia was voorzegd. Hoewel hij het oordeel over Jerobeam uitvoert, blijft Báësa zelf in dezelfde zonde van afgoderij leven. De profeet Jehu kondigt daarom Gods oordeel over zijn huis aan. Zijn zoon Ela volgt hem kort op, maar ook diens regering eindigt in geweld. Zo wordt Báësa een voorbeeld van hoe een “stinkende” heerschappij onder Gods oordeel valt.
De naam komt voor in de Bijbelverzen
1 Koningen 15:16, 1 Koningen 15:17, 1 Koningen 15:19, 1 Koningen 15:21, 1 Koningen 15:22, 1 Koningen 15:27, 1 Koningen 15:28, 1 Koningen 15:32, 1 Koningen 15:33, 1 Koningen 16:1, 1 Koningen 16:3, 1 Koningen 16:4, 1 Koningen 16:5, 1 Koningen 16:6, 1 Koningen 16:7, 1 Koningen 16:8, 1 Koningen 16:11, 1 Koningen 16:12, 1 Koningen 16:13, 1 Koningen 21:22, 2 Koningen 9:9, 2 Kronieken 16:1, 2 Kronieken 16:3, 2 Kronieken 16:5, 2 Kronieken 16:6, Jeremía 41:9