Categorie: O woorden

  • Onberispelijk

    Hebr. tamiem = kompleet, gaaf of ta-am, totaal, geheel, Gr. teleios, perfect, gezegd van offerdieren (Ex. 12:5; Lev. 1:10-23; 1 Petr. 1:19) en van onkreukbare mensen zoals Noach (Gen. 6:9), David (2 Sam. 22:24), Job (1:1; 12:4), Zacharias en Elisabet (Luc. 1:6), Paulus (Fil. 3:6). Wie overvloedig is in de liefde, is onberispelijk voor God (1 Tess. 3:13).
    Door de verwachting van een nieuwe hemel en aarde, zal de gemeente zich beijveren onbevlekt en onberispelijk te blijken voor de HEER (2 Petr. 3:14).

  • Onbesnedene

    Voor Joden die de besnijdenis toepassen een vreemde (Ez. 44:9; Hand. 11:3) een ‘heiden’: wie is toch deze onbesneden Filistijn? (1 Sam. 17:26; vgl. Richt. 14:3). Maar eenzelfde afkeurende waardering geldt Joden die, in overdrachtelijke zin, onbesneden van hart genoemd worden, d.w.z. diegenen die ongeremd hun egoïsme koesteren (Lev. 26:41; Jer. 9:26; Hand. 7:51). Paulus stelt de onbesnedene, die de wet houdt, boven de besnedene, die dit niet doet (Rom. 2:27). Hij is van zijn afweer en vrees voor onbesnedenen, niet-Joden, losgekomen: de ware besnijdenis is die van het hart, naar den Geest, hij is een jood, die het in het verborgene is (Rom. 2:28 v).

  • Onbevoegde

    Hebr. zaar = vreemde, Gr. allogenès, van een ander soort. In de Israëlitische eredienst is er een scherp onderscheid tussen priesters en Levieten, enerzijds de gewijden en de Israëlieten, anderzijds die de dienst aan het altaar, het brengen van reukoffers, het eten van wat God is toegedacht aan de ambtsdragers moesten overlaten: de leek, die nadert, zal gedood worden (Num. 1:51; 18:7). Paulus spreekt minder over het verschil tussen ambtsdragers en gewone gemeenteleden en meer over de verscheidenheid van gaven, waardoor allen op eigen wijze dienstbaar kunnen zijn voor de HEER (1 Kor. 12; Rom 12:4 vv). Juist omdat het gevaar dreigt dat ieder alles doet, moet hij pleiten voor orde in de gemeente (1 Kor. 14:26 vv). Bijv. zij, die onderrichten, zullen daarvoor de bekwaamheid moeten bezitten (2 Tim. 2:2).

  • Ontfermen

    Zich erbarmen over. Het wordt vooral van God gezegd dat Hij zich ontfermt (Ex. 33:19; Ps. 103:13; Jes. 14:1; Rom. 9:15 vv; Hebr. 2:16). Wanneer gesproken wordt over de ontferming van een koning of rechtvaardige wordt een ander werkwoord gebruikt. Deze ontferming is praktisch een helpen van armen, wezen, machtelozen (Ps. 37:21; 72:13; Spr. 14:21, 31). Van Jezus wordt herhaaldelijk gezegd dat Hij met ontferming bewogen was over mensen die opgejaagd en afgemat (Matt. 9:36), stuurloos (Mare. 6:34), blind (Matt. 20:34), ontredderd (Luc. 7:13) zijn.

  • Onderrichten

    Hebr. jarah = aanwijzen, leiden, vandaar tora, torah, onderricht. ‘Het onderricht (torah) van de wijze is een bron van leven’ (Spr. 13:14). Het onderricht van de priester, de kunstenaar, de raadsman, de ouders, heeft betrekking op het doen en laten, het ritueel, het werk, het regeren, de manier van leven van het volk, ambachtslieden, de koning, kinderen (Ex. 35:34; Deut. 24:8; 2 Kon. 12:2; 2 Kron. 15:3; Spr. 4:4; 6:20). De boer leert wanneer hij moet zaaien, hoe hij moet oogsten (Jes. 28:26 vv), en de Leviet hoe hij moet zingen (1 Kron. 25:7). Het ‘lernen’ van de mensen gaat vooral over de leefregels, de weg die Israël ging (Neh. 9:20) en die ieder moet bewandelen (2 Kron. 17:9; Neh. 8:8; Ps. 25:8, 12). Als het volk onderricht wordt, kent het niet in de eerste plaats verschillende waarheden, maar worden ‘zijn armen sterk’ (Hos. 7:15), d.w.z. wordt men moedig en weet men van aanpakken. In Job en Daniël heeft het onderricht een ander accent doordat het het karakter krijgt van een verklaring van het levensraadsel (Job 15:17; 34:32; 40:2; Dan. 9:22). In het n.t. horen wij over het onderricht der Schriften, het ‘Oude Testament’, waardoor mensen getroost worden, volharden en hoop hebben (Rom. 15:4). Men leert er door te discussiëren, maar wordt vooral ‘opgevoed in gerechtigheid’ (2 Tim. 4:2; vgl. Kol. 128). Dit onderricht van de gemeente gaat vooral over het woord (het verhaal, Luc. 1:4; Gal. 6:6) en de weg van den Christus (Hand. 28:31).