Opheffen

Een spreuk, een lied, een uitspraak wordt opgedragen (Numeri 23:7; 2 Kronieken 29:27; Jesaja 14:4; Matthéüs 11:25). Wat iemand in gedachten heeft wordt als een statement opgedragen, vaak aan of tot God. Het wordt uitgesproken of opgepakt en omhoog gehouden, zodat iedereen het kan horen en zien. Als begonnen wordt met het spreken noemt men dat aanheffen.


Zoekterm

Opheffen, heffen (op), hef (op)


Vertalingen

Engels: lift up

Duits: aufheben

Hebreeuws: רוּם

Grieks: ἐπαίρω


Betekenis

van Dale

1 in de hoogte, opwaarts heffen
synoniem: oplichten, optillen
om hem te slaan, te straffen. (figuurlijk) iem. tot zich opheffen

2 opwaarts richten
de ogen, het hoofd opheffen
(figuurlijk) op iets hogers richten

Strong

H7311 רוּם ruwm (room) v.

  1. to be high.
  2. (actively) to rise or raise.

{in various applications, literally or figuratively} (a primitive root) KJV: bring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, (X a-)loud, mount up, offer (up), + presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms.

G1869 ἐπαίρω epairo (e-pai’-rō) v.

to raise up. {literally or figuratively} (from G1909 and G142) KJV: exalt self, poise (lift, take) up Root(s): G1909, G142


Typologie

Geen duidelijke typologische betekenis bekend.


Bijbelverzen

De zoekwoorden woord komt in 61 bijbelverzen voor:

Opheffen

(Genesis 41:44) En Faraö zeide tot Jozef: Ik ben Faraö! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.

(Deuteronomium 32:40) Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!

(2 Samuël 2:22) Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?

(1 Kronieken 15:22) En Chenánja, de overste der Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig.

(1 Kronieken 15:27) David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenánja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.

(Job 10:15) Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.

(Job 11:15) Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

(Job 22:26) Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.

(Job 38:34) Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

(Psalmen 63:4) (63:5) Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

(Psalmen 119:48) En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

(Spreuken 18:14) De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?

(Jesaja 2:4) En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.

(Jesaja 3:7) Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.

(Jesaja 10:15) Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?

(Jesaja 10:24) Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren;

(Jesaja 24:14) Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des HEEREN zullen zij juichen van de zee af.

(Jesaja 49:22) Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op den schouder gedragen worden.

(Jeremía 9:10) Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten der woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!

(Jeremía 9:18) En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.

(Klaagliederen 3:41) Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:

(Ezechiël 23:27) Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en gij zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.

(Ezechiël 26:8) Hij zal uw dochteren op het veld met het zwaard doden, en hij zal sterkten tegen u maken, en een wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u opheffen.

(Ezechiël 26:17) En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe zijt gij uit de zeeën vergaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden!

(Ezechiël 27:32) En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?

(Micha 4:3) En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.

(Lukas 18:13) En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!

Heffen (op)

(Ezra 9:6) En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.

(Job 21:12) Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

(Job 27:1) En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

(Job 29:1) En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

(Psalmen 110:7) Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

(Ezechiël 21:22) De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.

Hef (op)

(Genesis 13:14) En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.

(Genesis 21:18) Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.

(Genesis 31:12) En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.

(Éxodus 14:16) En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge.

(Deuteronomium 3:27) Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan.

(2 Koningen 19:4) Misschien zal de HEERE, uw God, horen al de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden, met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.

(Psalmen 10:12) Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

(Psalmen 25:1) Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.

(Psalmen 74:3) Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.

(Psalmen 121:1) Een lied Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.

(Psalmen 123:1) Een lied op Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.

(Psalmen 143:8) Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.

(Spreuken 26:7) Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.

(Jesaja 37:4) Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.

(Jesaja 40:9) O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!

(Jesaja 49:18) Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.

(Jesaja 60:4) Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.

(Jeremía 3:2) Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.

(Jeremía 7:16) Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.

(Jeremía 11:14) Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.

(Jeremía 13:20) Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?

(Klaagliederen 2:19) Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.

(Ezechiël 8:5) En Hij zeide tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op naar den weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar den weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden aan de poort van het altaar was dit beeld der ijvering, in den ingang.

(Ezechiël 19:1) Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israël,

(Ezechiël 27:2) Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;

(Ezechiël 28:12) Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!

(Ezechiël 32:2) Mensenkind! hef een klaaglied op over Faraö, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren.

(Zacharia 5:5) En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat er voortkomt.

Deel dit artikel op: