In Openb. 20:8 worden deze beide namen, genoemd, in navolging van Ez. 38 en 39, waar echter een profetie vermeld wordt tegen een heerser Gog in het land Magog. Deze Gog trekt vanuit het verre noorden met een groot leger op tegen Israël en wordt daar verslagen, zoals ook Autiochus IV met zijn Syriërs door de Makkabeeën is teruggedreven. ‘Gog’ is waarschijnlijk geen historische figuur, maar het type van de ‘vijand’, de nieuwtestamentische Antichrist. De Griekse vertaling schreef ook in Num. 24:7 over Gog (i.p.v. Agag) en in Am. 7:1 (en zie, een sprinkhaan is koning Gog). In Openb. 20:7-10 zijn Gog en Magog twee veldheren van Satan in de laatste stormloop der volkeren.
Categorie: G woorden
-
Golan
Een asiel- of vrijstad in het over-jordaanse Manasse (Deut. 4:43; Joz. 20:8), volgens 1 Kron. 6:71 levietenstad. De streek er omheen heet Gaulanitis, ten n. van de Jarmuk, ten o. van het meer van Galilea.
-
Golgotha
Aramees: gulgolta, vgl. het hebr. gulgólet = schedel, Luc. 23:33, een heuvel die de vorm heeft van een hoofd. Het was een plaats van executies dicht bij de stad Jeruzalem (Joh. 19:20) waar Jezus gekruisigd is (Matt. 27:33). De tegenwoordige hl. grafkerk omgeeft naar alle waarschijnlijkheid dit oude Golgota
-
Gibeon
Hoogte, een levietenstad in Juda (Joz. 21:17), eerder met een Chiwwietische bevolking, die Jozua te slim af was (Joz. 9).
-
Goliath
Glans, Filistijn uit Gat, befaamd door zijn reusachtig voorkomen (1 Sam. 17:4; 21:9; 22:10; 2 Sam. 21:19), die door de jonge David (1 Sam. 17:51) of door Elkana (2 Sam. 21:19) werd overwonnen.
-
Gihon
De bruisende, één van de 4 paradijsrivieren (Gen. 2:13), ook de naam van een bron in de nabijheid van Jeruzalem (nu Maria-bron), waar o.a. Salomo tot koning werd gezalfd (1 Kon. 1:34). Hizkia liet een tunnel hakken van de bron naar de vijver Siloach (2 Kon. 20:20).
-
Gomer
Voltooiing, naam van één van de zeven zonen van Jafet (Gen. 10:2 v; Ez. 38:6) en van de ontrouwe vrouw van de profeet Hosea (Hos. 1:3).
-
Gideon
(Boom)hakker, een richter uit de stam Manasse, in Ofra (Richt. 6:11). Hij bouwde een altaar voor de HEER (Richt. 6:24) en brak het altaar van Baal af (Richt. 6:27). Daarom noemde men hem Jerubbaal (Baäl heeft een twistgeding, Richt. 6:32). Hij verloste zijn volk met zijn Gideonsbende van 300 man van de roofovervallen der Midjanieten (Richt. 7; vgl. Ps. 83.10, 12; Jes. 9:3; 10:26).