Categorie: G woorden

  • Goliath

    Glans, Filistijn uit Gat, befaamd door zijn reusachtig voorkomen (1 Sam. 17:4; 21:9; 22:10; 2 Sam. 21:19), die door de jonge David (1 Sam. 17:51) of door Elkana (2 Sam. 21:19) werd overwonnen.

  • Gihon

    De bruisende, één van de 4 paradijsrivieren (Gen. 2:13), ook de naam van een bron in de nabijheid van Jeruzalem (nu Maria-bron), waar o.a. Salomo tot koning werd gezalfd (1 Kon. 1:34). Hizkia liet een tunnel hakken van de bron naar de vijver Siloach (2 Kon. 20:20).

  • Gomer

    Voltooiing, naam van één van de zeven zonen van Jafet (Gen. 10:2 v; Ez. 38:6) en van de ontrouwe vrouw van de profeet Hosea (Hos. 1:3).

  • Gideon

    (Boom)hakker, een richter uit de stam Manasse, in Ofra (Richt. 6:11). Hij bouwde een altaar voor de HEER (Richt. 6:24) en brak het altaar van Baal af (Richt. 6:27). Daarom noemde men hem Jerubbaal (Baäl heeft een twistgeding, Richt. 6:32). Hij verloste zijn volk met zijn Gideonsbende van 300 man van de roofovervallen der Midjanieten (Richt. 7; vgl. Ps. 83.10, 12; Jes. 9:3; 10:26).

  • Gilboa

    Spuitende bron, een 500 m hoge berg ten zo. van Jizreël (± 85 km ten n. van Jeruzalem), waar Saul zijn laatste hopeloze strijd heeft geleverd met de Filistijnen (1 Sam. 28:4; 31:2, 4).

  • Gilead

    Steenhoop van het getuigenis, bergland in het Overjordaanse (Gen. 31:21; Deut. 3:10, 13), waarheen Elia vlucht voor Achab (1 Kon. 17:1 vv). De streek leverde reukwerk en medicijn. ‘Is er geen balsem in Gilead, of is daar geen heelmeester?’ (Jer. 8:22). Over zijn weiden, kudden en bossen lezen we in Num. 32:1; Jer. 22:6; Hooglied 4:1. In het gebied werd o.a. door Syriërs en Ammonieten beestachtig huisgehouden (Am. 1:3, 13).

  • Geweld

    Geweld betekent niet alleen lichamelijk-, natuur- of oorlogsgeweld (Gen. 49:5; Job 19:7; Jes. 60:18; Jer. 51:46; Hand. 27:41), maar ook de afbraak en overweldiging van mensen door een vals getuigenis voor de rechter (Ex. 23:1; Deut. 19:16), door krenking, minachting en bespotting (Gen. 16:5), door economische en maatschappelijke streken en onderdrukking (Jer. 6:7; Amos 3:10, Hab. 1:3). Anders dan van ‘mannen van geweld’ (Ps. 18:49; Jes. 25:4), de schenders van mensenrecht en regel, wordt van de Knecht des HEREN gezegd, dat hij geen geweld pleegt (d.w.z. mensen niet stuk maakt) en ook niet bedriegelijk spreekt (Jes. 53:9; vgl. 1 Petr. 2:22 v). ‘Wie geweld bemint, dien haat Hij’ (Ps. 11:5). God regeert niet door kracht van wapens en overweldiging van mensen, maar door mentaliteitsverandering en geestelijke vernieuwing (Zach. 4:6).