Zie: Boom en Plant
Categorie: P woorden
-
Potifar
Gegeven door (de god) Ra, de overste van de lijfwacht van de Farao die Jozef kocht als huisslaaf (Gen. 37:36; 39:1).
-
Potifera
(= Potifar) priester van On, schoonvader van Jozef (Gen. 41:45; 46:20). Pottenbakker – Hebr. jootseer, Gr. kerameus, snijdt een stuk met de voeten geknede klei of Leem af en gaat dit met behulp van de draaischijf boetseren (Job. 33:6; Jer. 18:3). Daarna bakt hij het voorwerp in de oven (5w. 27:5). De macht en de creativiteit van de pottenbakker dienen als beeld voor de souvereiniteit van God (Jes. 29:16; 45:9; 64:8; Rom.9:21).
-
Prediker
Hebr. Qoohèlèt, Gr. Ekklesiastès, naam van een boek dat in de 3e categorie van de bijbelse kanon de Ketoebim of de Geschriften een aparte plaats inneemt door een sceptische instelling tav. het mensenleven: alles wat onder de zon is, is ijdelheid (een ademtocht), dus ook macht, rijkdom, wijsheid (Pred. 2:15, 21). In dit opzicht heeft het een andere geest dan andere wijsheidslitteratuur. Het is geschreven uit naam van koning Salomo, omdat hij de patroon der wijzen is (Pred. 1:1). Het is waarschijnlijk geschreven aan het eind van de 3e eeuw v. Chr.
-
Priester
Hebr. kooheen, betekent waarschijnlijk: die offers voor God stelt, Gr. hiereus: die heilig werk doet (vgl. Lat. sacerdos). Een priester bediende vooral het altaar, hij wist hoe offers gebracht moesten worden (Num. 18:5), hij gaf torah, d.i. aanwijzingen op het gebied van rein- en onreinheid (Hagg. 2:12 v), over het menselijk gedrag in de tempel en daarbuiten (Lev. 10:10; Deut. 33:10), oordeelde over melaatsheid en genezing daarvan (Lev. 13; Luc. 17:14), deed rechterlijke uitspraken (1 Kon. 8:31 v), kon ook orakel antwoorden geven op gestelde vragen, met behulp van efod en Urim-Tummim (Num. 27:21), bediende het reukofferaltaar (Ex. 30:7, 8) en gaf de zegen (Num. 6:22 w). De priesters worden dikwijls zonen van Aaron genoemd (Lev. 1:7; 2:2 etc.) omdat zij tot de familie van de stamvader Aaron behoren (die tot het huis van Levi gerekend wordt, Ex. 4:14). De Levieten zijn in ruimere zin stamgenoten en hun taak in de tempel te Jeruzalem kan in het algemeen als eenvoudiger dan van de priester worden omschreven. Daarover spreken o.a. Numeri 4 en 1 Kron. 6:48. Zij waren ook de zangers van de tempelkoren (1 Kron. 6:32; 2 Kron. 5:12).
De priesters woonden in 13 van de 48 steden die aan de Levieten zijn toegewezen (Num. 35:7; Joz. 21:4). Zij leefden van de eerstelingen van de oogst (Lev. 23:10), de gaven op het pinksterfeest (Lev. 23:17, 20) de losprijs van mannelijke eerstgeborenen van mensen en dieren (Lev. 27:26 v; Num. 18:15 v), en van de vrede-offers (Lev. 7:29- 34). Zij droegen ambtskleding (Ex. 28) en hun wijding was een uitgebreid ritueel (Lev. 8). In 1 Kronieken wordt meegedeeld dat de priesters in 24 groepen werden verdeeld die volgens rooster dienst deden in de tempel, tweemaal een week per jaar (1 Kron. 24:1 w). De priester Zacharias, de vader van Johannes de Doper, behoorde tot de 8e afdeling van Abia (Luc. 1:5, 8; vgl. 1 Kron. 24:10) Hogepriester, Overpriester. Door de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr. en de beëindiging van de offerdienst hield het eig. priesterambt in Israël op te bestaan. Het n.t spreekt over Jezus de Messias als de eeuwige en grote priester in het huis van God (Hebr. 5:6; 7:17; 10:21). -
Pisidie
Gebied in het z. van midden Klein-Azië, dat in 25 v. Chr. met het koninkrijk Galatië onder Romeins gezag kwam en door Paulus op zijn le reis werd bezocht (Hand. 13:14; 14:24).
Pison – Eén der 4 paradijsrivieren (Gen. 2:11), die moeilijk kan worden geïdentificeerd. -
Penina
Koraal, vrouw van Elkana, mededingster van Hanna (1 Sam. 1:2, 4).
-
Peor
Bergtop in het westen van Moab, waar een Baal|Baäl wordt vereerd. Hier zegende Bileam|Bíleam Israel|Israël (Num 23:28). Israëlieten werden door Midjanietische vrouwen verleid tot de ontuchtige eredienst van deze Baal-Peor|Baäl-Peor (Num 25:3, 5, 18; 31:16; Joz. 22:17; Hos. 9:10).
-
Pergamus
Een stad in Mysië, in het n.w. van Klein-Azië met o.a. bibliotheken (vandaar het woord perkament; 2 Tim. 4:13) en tempels van Zeus -de Redder, Asklepios -de Genezer (de stad wordt wel het Lourdes van de oudheid genoemd) en van Augustus de Keizer en de godin Roma. Johannes noemt Pergamus dan ook een plaats waar de troon van de satan staat (Openb. 2:13).