Gebied in het z. van midden Klein-Azië, dat in 25 v. Chr. met het koninkrijk Galatië onder Romeins gezag kwam en door Paulus op zijn le reis werd bezocht (Hand. 13:14; 14:24).
Pison – Eén der 4 paradijsrivieren (Gen. 2:11), die moeilijk kan worden geïdentificeerd.
Categorie: P woorden
-
Pisidie
-
Plaag
Hebr. maggeefa, néga = slag, klap, Lat. plaga (= plaag), aanduiding van de schok die melaatsheid, pestziekte of andere mortaliteit teweegbrengt. Deze rampen worden dan de ‘klap’ of de ‘plaag’ zelf. Meestal wordt gesproken over God als degene die Zijn volk of mensen tuchtigt met dit soort plagen (Gen. 12:17; Ex. 11:1; Lev. 14:34; Num.
16:46; 2 Sam. 24:15; Ps. 39:11; Zach. 14:12). Op grond van Ex. 11:1 (nog één plaag zal Ik over Egypte brengen) zou men van de 10 plagen van Egypte kunnen spreken, hoewel alleen hagel, donderslagen, bliksem (Ex. 9:14) en de pestziekte, die de eerstgeborenen velde (Ps. 78:50 v) zo genoemd worden. De rampen van allerlei aard waarover het laatste bijbelboek spreekt, heten wel alle ‘plagen’ (Openb. 9:18; 11:6; 15:1). Van de lijdende knecht des HEREN wordt gezegd dat wegens de overtreding van het volk ‘de plaag’ op hem was. Dit betekent volgens velen: Hij werd ten dode toe getroffen; volgens anderen: Hij werd melaats of Hij werd aangetast door de pestziekte (zie vs. 10: Hij maakt hem ziek; vgl. Matt. 8:17). -
Priska
Eerbiedwaardige, echtgenote van Aquila (Hand. 18:2; Rom. 16:3; ).
-
Planten
Zie ook: Boom en Plant
Betreft in overdrachtelijke zin mensen (die herhaaldelijk met bomen worden vergeleken, Ps. 1:3; 92:14; Matt. 7:17). God plant en doet een volksgroep groeien (Ex. 15:17; Num. 24:6; Ps. 80:9; Jes. 5:2, 7; 61:3). Het woord is als een plant, die gezet wordt in het leven van de gelovige of de gemeente (1 Kor. 3:6-9; 9:7; Jak. 1:21). De doop is een inplanting (van de gedoopte) in het lichaam van Christus (of de tuin des HEREN, Rom. 6:5; vgl. Gen. 2:8). De gedoopte is een ‘nieuw geplante’ (1 Tim. 3:6; NBG: pas bekeerde).
-
Profeet
Hebr. nabie’ = geroepene, Gr. profètès, een naam voor zieners en waarzeggers (2 Sam. 24:11; 2 Kon. 17:13), extatici die in groepen samenleven (1 Sam. 10:5, 10; 19:20), door de Geest gedrevenen (1 Sam.19:20, 24), hofbidders en -raadgevers (1 Kon. 22:6, 10; vgl. ook de baalsprofeten in het paleis van Isebel, 1 Kon. 18:19 w), profeten-jongeren (leden van het profetengilde) rond Elisa, hun ‘vader’, die onderricht worden, maar ook een Godswoord kunnen spreken (1 Kon. 20:35 w; 2 Kon. 4:1 w; 4:38).
Ook de profeet die als enkeling met name genoemd wordt, kan op uiteenlopende wijze functioneren. Gad en Natan horen bij Davids gevolg, zijn ’s konings zieners en raadgevers (1 Sam. 22:5; 2 Sam. 7:2; 24:11), maar ook zijn critici (2 Sam. 12; 24:11 w). Ahia van Silo (1 Kon. 11:29), Jehu (16:7, 12), Elia (1 Kon. 18:36), Elisa (2 Kon. 6:12), Jona (2 Kon. 14:25) noch Jesaja (2 Kon. 19:2; 20:1, 11, 14) zijn daarentegen aan een hof verbonden. Zij worden vaak opgezocht om raad te geven (1 Kon. 14:1 w; 2 Kon. 8:8 w), om de HEER te ‘bevragen’ door middel van een voorbede (2 Kon. 20:11; Jer. 42:1 w). Van de zgn. schriftprofeten zullen Hosea en Jesaja, maar vooral Jeremia, Habakuk, Ezechiël, Haggat en Zacharja als nabie’ gekend zijn. Kenmerkend voor al deze profeten is dat het Woord van de HEER aan hun geschiedt, in hen is (2 Sam. 24:11; Jes. 37:6), zij geven dat door, zodat de HEER door hen spreekt (Deut. 18:20; Jer. 37:2). Meestal wordt een profeet onverhoeds, met een niet opgevraagde boodschap naar mensen gezonden. Zij legitimeren zich dan met de zgn. bodeformule: ‘zo spreekt de HEER’ (2 Sam. 7:5,8; 12:7, 11; 24:12). Vanaf Amos richten de profeten zich doorgaans niet tot enkelingen, maar tot geheel Israël of Juda (Am. 8:2; Ez. 7 etc.) Zij klagen over afgoderij (2 Kon. 1; 3:11; Hos. 4:12), sociaal onrecht (Jes. 5:8-24), het vergeten van Gods heilsdaden (Am. 2:9; Hos. 9:10 w), schijnvroomheid en een corrupte tempeldienst (Jes. 1; Jer.7). Opmerkelijk is echter dat zij ook een onheilsboodschap voor andere volkeren hebben (want de God van Israël is HEER der wereld, Jes. 14-21; Jer. 1:5; Am. 1:3 w). Het heil wordt meestal voorzien na het gericht en vaak voor een ‘rest’ van het volk overblijfsel, en heeft ook betrekking op de gehele wereld. (Jes. 2:2 w).
Profeten moeten zich dikwijls weren tegen valse profeten (Jes. 28:7; Jer. 23:14; Mi. 3:5). In het o.t. is Mozes de grote profeet (Deut. 34:10), terwijl de chr. kerk de belofte dat een profeet als Mozes zou opstaan (Deut. 18:15) vervuld ziet in de profeet Jezus van Nazaret (Luc. 7:16; Hand. 3:22; 7:37). Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie (Openb. 19:10). Mensen die in de chr. gemeente visionnaire gaven hadden heten ook profeten (Hand. 11:27; 21:10; 1 Kor. 12:28). Zij zijn belangrijker dan degene die de tongentaal beheersten (1 Kor. 14:4 w), maar komen in rangorde na de apostelen (Ef. 4:11). -
Plengoffer
Zie: Offers
-
Profetes
Hebr. nebie’a, Gr. profètis. Mirjam (Ex. 15:20), Debora (Richt. 4:4), Hulda (2 Kon. 22:14 w), de vrouw van Jesaja (Jer. 8:3), Anna (Luc. 2:36) zijn vrouwelijke profeten. Dat zijn ook de vier dochters van Filippus (Hand. 21:9) en degenen die vermaand worden met gedekt hoofd te profeteren (1 Kor. 11:5).
-
Pniel
Hebr. Penoe-eel = gezicht van God, plaats waar Jakob worstelde met de engel (Gen. 32:30 v), bij een doorwaadbare plaats in de Jabbok.
-
Poel des vuurs
Een aanduiding van de -? Gehenna (Matt. 5:22, 29; Jak. 3:6). De toevoeging ‘die van zwavel brandt’ herinnert aan de ondergang van Sodom (Gen. 19:24 v; 2 Petr. 2:6). Het beest en de valse profeet worden er in geworpen (Openb. 19:20).