Hel (Joz. 15:8; Jer. 7:31-34; 2 Kon. 23:10).
Categorie: H woorden
-
Heil
Hebr. jesjoeah, hulp, verlossing. Mensen kunnen ‘heil’ brengen (1 Sam. 14:45; Jes. 62:1), meestal is de uitredding het werk van God (Ex. 14:13; Ps. 118:14 v; Jes. 12:2; 45:7 etc.). Het Griekse woord sootèria wijst in het n.t. vooral de goddelijke hulp en uitkomst door Jezus de Messias aan (Luc. 2:30; Hand. 28:28; 2 Kor. 6:2, etc.). De SV sprak in dit verband van ‘zaligheid’ en Zaligmaker. In de Griekse naam Jésoes, Jezus = Jozua (Joz. 1:1; Neh. 3:19) zit dit begrip jesjoeah, heil. De titel Heiland, Redder, Bevrijder vinden we verschillende keren in het n.t. (Luc. 1:47; 2:11; Joh. 4:42; Hand. 5:31).
-
Heilig
Hebr. qadoosj, Gr. hagios. Alles wat sterk op God betrokken is, klaargemaakt is voor Zijn dienst en daarom onttrokken aan het gewone, profane gebruik of leven heet heilig (Ex. 29:33; Lev. 6:19 v; Ez. 42:13). Van mensen gezegd betekent het: toegewijd aan de HEER, afgezonderd voor Zijn werk (Lev. 21:8; Num. 16:5; Ps. 106:16). Niet alleen priesters of nazireeërs zijn heilig, ook van Israël wordt gezegd: een heilig volk (afgezonderd uit de volken; Deut. 7:6; 14:2, 21; 2 Kron. 35:3). Men denke voorts aan de heilige stad (Matt. 4:5): de heilige plaats, de tempel (Hand. 6:13), de heilige schriften (Rom. 1:2), de heilige kus, de vredegroet (1 Tess. 5:26), het heilige priesterschap (1 Petr. 2:5) en de heilige dag (Neh. 8:11). Paulus spreekt van zichzelf als afgezonderd tot de verkondiging van het evangelie, en noemt de geroepenen van Jezus de Christus heiligen (Rom. 1:1, 7). Dat zijn dus de christenen in Rome, geen volmaakte, wonderen verrichtende mensen, maar geroepenen met een heilige roeping (2 Tim. 1:9; vgl. 1 Petr. 2:9). Wanneer God heilig genoemd wordt (heilig, heilig, heilig is de HEER der machten, Jes. 6:3; Openb. 4:8) dan zou hierdoor gewezen kunnen zijn op de concentratie op Zijn werk, Zijn toewijding aan Zijn volk en de mensen. Daartoe zondert Hij zich af. ‘Ik ben God, en geen mens, heilig in uw midden. Ik zal niet komen in toorngloed – ten volle wordt mijn erbarming opgewekt’ (Hos. 11:8 v). Hij is de Heilige van/voor Israël (2 Kon. 19:22; Jes. 1:4; 12:6; 41:14; 49:7).
-
Heilige der heiligen
Hebr. debier, achterzaal, het meest op de dienst van God geconcentreerde deel van tabernakel en tempel. Het allerheiligste van deze beide heiligdommen had een kubusvorm (resp. 10 en 20 el lang, breed en hoog, Ex. 26:15 v; 1 Kon. 6:20). Het was de kamer van de ark van het verbond (Ex. 40:21), waarboven de twee cherubs stonden opgesteld (Ex. 25:20; 1 Kon. 6:23 v; Hebr. 9:3 v). Alleen de hogepriester mocht, eenmaal per jaar, op Grote Verzoendag, het allerheiligste binnen gaan om bloed te sprenkelen op het verzoendeksel van de ark (Lev. 16:2 v). De toegang tot God is er alleen in de weg der verzoening. Dat wordt ook gesymboliseerd door het scheuren van het gordijn vóór de debier na het sterven van de Christus (Matt. 27:51).
-
Heiligen
Het gereedmaken voor de ontmoeting met en de dienst van God doorwassingen, onthouding, offers (Ex. 19:10; 29:1 w; Hand. 21:26). Eerstgeborenen en eerstelingen, het volk en de priesters, akkers, huizen, de benodigdheden voor de tempel worden afgezonderd van het algemene gebruik en gesteld in een bijzondere verhouding tot God (Ex. 13:2; 19:10 w; 28:3; 29:7 w; Lev. 27:14 w; Deut. 15:19; Matt. 23:17, 19; Joh. 17:17; 2 Tim. 2:21).
De bede: ‘Uw naam worde geheiligd’ spreekt van het verlangen dat God en Zijn openbaring volledig worden ingezet voor het werk van verzoening en bevrijding (Matt. 6:9). De heiliging der gelovigen buiten de tempel om, hun afzondering tot de dienst van God in de wereld, geschiedt door de Geest (2 Tess. 2:13). -
Heir des hemels
De sterren en de planeten die worden beschouwd als hemelse legerscharen of machten (Deut. 17:3; 2 Kon. 17:16; Jes. 34:4), dienaren van God (1 Kon. 22:19) die door de volken als góden werden vereerd (Deut. 17:3; 2 Kon. 21:3; 23:4; Jer. 19:13; Hand. 7:42).
-
Hel
Dodenrijk. Het Griekse woord geenna, gehenna (Matt. 5:29 v; 23:15, 33) is een weergave van het Hebr. gee hinnoom, dal van Hinnom, een sinistere streek ten z. van Jeruzalem, waar o.a. kinderen verbrand werden voor de god Moloch (2 Kon. 23:10; Jer. 7:31). Daarom is de hel de plaats van het goddelijk gericht, als een vuur (Matt. 5:22; 18:9).
-
Hasor
Ingesloten. Oude stad in het noorden van Palestina, die in de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw werd opgegraven (Joz. 11:1; 1 Kon. 9:15; 2 Kon. 15:29).
-
Hemel
Hebr. sjamajiem (= de plaats waar. water is (?), vgl. Gen. 1:6), de van de aarde en de onderwereld onderscheiden ruimte (Ex. 20:4). De hemel is een firmament, een ‘uitspansel’, dat uitgerekt (Job 9:8), opgerold (Jes. 34:4), gescheurd (Jes. 64:1) kan worden en heeft vensters (Gen. 7:11), deuren (Ps. 78:23), rust op zuilen (Job 26:11) of grondvesten (2 Sam. 22:8). Uit de hemel komen regen (Gen. 8:2), dauw (Deut. 33:28), sneeuw (Jes. 55:10), vuur (Gen. 19:24), hagel (Joz. 10:11) en het manna (Ps. 105:40).
De schatkamers van de hemel bevatten wind, sneeuw en hagel (Deut. 28:12; Job 38:29; Ps. 135:7; Jer. 10:13). We horen echter niet alleen over de hemel of de hemelen als een geschapen werkelijkheid, een kosmische realiteit, maar vooral als de ‘ruimte’ waar God woont (Ps. 2:4; 11:4; 115:3) die boven alle kosmische begrenzing uitkomt (1 Kon. 8:27; vgl. Jer. 23:24). Hij is ‘Onze Vader in de hemel’ (Matt. 5:34), de ‘hemelse’ Vader (Matt. 6:9) om God van de aarde en de mensen te kunnen zijn (Ps. 24:1; 33:13).
Vanuit de ‘hemel’, d.w.z. van God (hemel is vaak ander woord voor God, vgl. Matt. 3:2 en Mare. 1:15) komt de Stem (Matt. 3:17), het goede of de Geest (Matt. 7:11; Luc. 11:13; Joh. 1:32), het ware brood, de Christus (Joh. 6:32 v), de tweede mens (1 Kor. 15:47), het nieuwe Jeruzalem (Openb. 21:2, 10). Niet de tegenstelling hemel/hel die een belangrijke rol in ons geloof speelt, is bijbels, maar het begrippenpaar hemel/aarde (Ps. 69:35; Pred. 5:1; Jes. 1:2; Hand. 17:24).
Belangrijker dan de vraag of wij naar de hemel gaan, is te letten op wat uit de hemel, van God, naar ons toekomt, wat ons hier op aarde inspireert en wat wij hier verwachten mogen (Hand. 1:11; 2 Petr. 3:7, 13; Openb. 21:1). -
Haten
Haat is in de bijbel niet zulk een kwaadaardige emotie als wij veronderstellen. Zulk haten wordt zowel in het o.t. als in het n.t. ten sterkste afgekeurd (Lev. 19:17 v; 1 Joh. 2:9, 11). Meestal wordt met ‘haten’ aangeduid dat men iemand achterstelt bij een ander, deze op de 2e of 3e plaats laat komen (zoals liefhebben een ander woord is voor: kiezen voor, solidair zijn met), want zou men zijn ouders moeten haten of zou het betekenen dat zij in de navolging van Jezus niet meer nummer 1 zijn? (Luc. 14:26; vgl. Matt. 6:24). In het huwelijk kan een man zijn vrouw gaan ‘haten’ d.w.z. hij stelt haar achter bij een ander (Gen. 29:31; Deut. 21:15 w). Zoals God een afkeer heeft van goddeloosheid en ongerechtigheid (Ps. 11:5; 45:8; Spr. 6:16; Jes. 1:14), aan Jakob de voorkeur heeft gegeven boven Esau (Mal. 1:3), zo zullen ook mensen winstbejag (Ex. 18:21), het gezelschap van boosdoeners (Ps. 26:5), afgodendienaars (31:7), de leugen (119:163), het kwaad (Spr. 8:13) verwaarlozen en afwijzen.