Zie: Dieren
Categorie: V woorden
-
Vuurhaard
Een benaming van Jeruzalem (Jes, 29:1, 2, 7) met het oog op het brandofferaltaar in de tempel (Liie. 6:9; Ez. 43:15, 16). De naam suggereert een brandende stad (Jes. 29:6).
-
Vrede
Hebr. sjaloom, Gr. eirènè, het zich wel bevinden, floreren, dus iets anders dan de toestand tussen 2 oorlogen in. Het duidelijkst voorbeeld is wel de vraag naar de ‘vrede’, sjaloom, van de oorlog! (2 Sam. 7:7).
De oudsten van Betlehem lopen Samuel tegemoet en zeggen: is uw komst vrede, is alles wel? (1 Sam. 16:4; vgl. 2 Kon. 9:17). Verloopt de strijd voorspoedig? Dit wil natuurlijk niet zeggen dat de beëindiging van een oorlog op zich niet als geluk en bevrijding wordt ervaren (2 Kon. 20:19; Ps. 122:6 w).
Als mensen ‘vrede zij u’ toewensen als gewone groet, zeggen zij: moge het u goed gaan. Zoals wij op de vraag: hoe gaat het u, ook antwoorden: goed (Richt. 6:23; Joh. 19:20; vgl. Kol. 1:20), zoals ook het engelenkoor boodschapt bij de geboorte van de ‘Vredevorst’ (Luc. 2:14; vgl. Jes. 9:5). Deze messiaanse vrede, die onvoorstelbaar is (Fil. 4:7), is een geschenk van de God des vredes (Rom. 15:33) door de liefde van den Christus (Joh. 14:27; 16:33). Een voorstelling van de sjaloom in de wereld vinden we in Jes. 11:6-10, 19-25; Micha 4:1-5; Openb. 22:1-5. -
Vreemdeling
Hebr. nokri, de buitenlander, zaar, die afwijkend doet en is, geer, de vertrouwde vreemdeling, de zgn. bijwoner binnen de poorten, Gr. allotrios, andersoortig, paroikos, bijwoner, xenos, gast. Het vreemde heeft altijd iets bedreigends gehad, de onbekende taal, andere gewoonten, vreemde góden kunnen de harmonie van de samenleving verstoren. In Samaria was er een aparte wijk voor Aramese kooplieden, en in Damacus voor Israëlieten (1 Kon. 20:34). Maar in principe kunnen vreemdelingen opgenoinen worden in de volksgemeenschap (Ex. 12:48; 23:12; Num. 9:14; Deut. 10:18). Er is in de bijbel nergens sprake van racisme.
De ‘vreemdeling’ kan ook een Israëliet zijn, die bezien vanuit de groep van priesters een buitenstaander is. Hij zal als ‘leek’, onbevoegde’ zich niet mogen bewegen op het terrein van de priester (Ex. 39:33; Num. 1:51; 16:40). Een ‘vreemdelinge’ is ookbv. de vreemde, d.i. de vreemd-gaande vrouw die zich door haar gedrag buitenspel zet (Spr. 2:16; 22:14). Over vreemde vrouwen in ethnische zin wordt gesproken in Ezra 10.
In de chr. gemeente zijn de vreemdelingen, de heidenen, door de gemeenschap met de Christus geen vreemdelingen of ‘geer’ meer, maar medeburgers en huisgenoten van God (Ef. 2:19). Maar in overdrachtelijke zin is het volk van God zoals eens de aartsvaders in Kanaan (Gen. 23:4; Hebr. 11:13) en Israël in de verstrooiing (Hand. 7:6, 29), vreemdeling op aarde. Hun vaderland is ‘in de hemel’ (Fil. 3:20; 1 Petr. 1:1; vgl. 2 Kor. 5:6, 8). -
Vrees
Voor de HEER, vreze des HEREN, ‘godsvrucht’. Het ontzag voor, het volstrekt ernstig nemen van God en Zijn Woord, is het begin, het wezen van de wijsheid, d.i. van onze verstandige levenswandel (Ps. 111:10; Spr. 1:7; 9:10). ‘Wandelt dan in vreze de tijd uwer vreemdelingschap’ (1 Petr. 1:17; vgl. Hand. 9:31; 2Kor. 7:1). Zij, die door deze manier van leven en geloven bekoord waren, niet-Joden die de synagoge bezochten en ook andere joodse gewoonten overnamen, werden godvrezenden genoemd (of vereerders van God, Hand. 10:2; vgl. LXX 2 Kron. 5:6).