Categorie: V woorden

  • Vervangingsleer

    De oorsprong en essentie van de vervangingstheologie

    Vervangingstheologie, ook wel supersessionisme genoemd, is een theologische stroming die stelt dat de christelijke kerk het volk Israël heeft vervangen als het verbondsvolk van God. Deze gedachte heeft een lange en complexe geschiedenis, gevormd door politieke omstandigheden, filosofische invloeden en interpretaties van de Schrift. Hoewel de term pas in de moderne tijd gangbaar werd, gaat de inhoud ervan terug tot de eerste eeuwen van het christendom. Dit artikel onderzoekt zowel de oorsprong als de essentie van deze theologie en plaatst haar in haar historische en geestelijke context.

    Historische wortels: de vroege kerk en het verdwijnen van Israël uit het zicht

    De oorsprong van vervangingstheologie ligt in de periode na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 en de Bar Kochba-opstand in 135. Deze gebeurtenissen leidden tot een massale diaspora van het Joodse volk. Voor de jonge kerk, die zich snel verspreidde onder niet‑Joodse volken, leek Israël als natie verdwenen. De zichtbare realiteit van een land, een tempel en een Joodse staat was weggevallen. Hierdoor ontstond een hermeneutische spanning: hoe moesten profetieën over Israëls herstel worden begrepen wanneer Israël als volk en natie niet langer zichtbaar aanwezig was?

    Tegelijkertijd ontwikkelde de kerk zich in een Grieks-Romeinse cultuur waarin allegorische interpretatie van teksten gebruikelijk was. Theologen zoals Origenes en later Augustinus lazen het Oude Testament vaak symbolisch. Israël werd niet langer gezien als een concrete historische natie, maar als een geestelijke metafoor voor de gelovigen. De kerk werd zo het “ware Israël”, het geestelijke volk van God dat de plaats innam van het fysieke Israël.

    Deze ontwikkeling werd versterkt door de groeiende afstand tussen de kerk en het jodendom. De eerste christenen waren grotendeels Joods, maar naarmate het evangelie zich verspreidde onder heidenen, ontstond een nieuwe identiteit. De kerk begon zichzelf te zien als een nieuw volk, los van de Joodse tradities. De breuk werd verdiept door conflicten over de interpretatie van de Schrift, de rol van de wet en de erkenning van Jezus als Messias.

    De opkomst van het idee van het ‘Verus Israël’

    In de tweede eeuw ontstond het concept van het Verus Israël – het ware Israël. Dit idee werd onder andere verwoord door Justinus de Martelaar, die stelde dat de kerk de erfgenaam was van de beloften aan Abraham. Israël had volgens hem zijn rol verloren door de verwerping van Jezus, waardoor de kerk nu de plaats innam van het uitverkoren volk.

    Deze gedachte werd later systematisch uitgewerkt door kerkvaders zoals Tertullianus en Augustinus. Augustinus zag de kerk als het geestelijke Jeruzalem en het Koninkrijk van God op aarde. De profetieën over Israëls herstel werden daarom niet langer letterlijk gelezen, maar toegepast op de kerk. Het land Kanaän werd een beeld van de hemel, Jeruzalem een symbool van de kerk, en Israël een metafoor voor de gelovigen.

    Met de legalisering van het christendom onder keizer Constantijn kreeg de kerk politieke macht. Dit versterkte het idee dat de kerk Gods nieuwe volk was dat de wereld moest leiden. Israël werd gezien als een volk dat zijn rol had uitgespeeld.

    De essentie van vervangingstheologie

    De kern van vervangingstheologie bestaat uit drie hoofdstellingen:

    1. Israël heeft Jezus verworpen Daarom heeft God Israël verworpen als verbondsvolk.
    2. De kerk is het nieuwe Israël De beloften aan Israël zijn overgegaan op de kerk, die nu het geestelijke volk van God vormt.
    3. Profetieën worden geestelijk geïnterpreteerd Beloften over land, herstel en toekomst worden niet letterlijk toegepast op het Joodse volk, maar geestelijk op de kerk.

    Deze drie elementen vormen samen een hermeneutisch systeem waarin het Oude Testament wordt gelezen door de lens van het Nieuwe, en waarin Israël een voorafschaduwing is van de kerk.

    Kritiek en herwaardering in de moderne tijd

    Vanaf de twintigste eeuw kwam er steeds meer kritiek op vervangingstheologie. De heroprichting van de staat Israël in 1948 bracht het Joodse volk opnieuw zichtbaar in de geschiedenis. Theologen begonnen zich af te vragen of de eeuwenoude interpretaties wel recht deden aan de Bijbelse teksten.

    Daarnaast leidde de confrontatie met het antisemitisme in Europa, en vooral de Holocaust, tot een herbezinning. Veel kerken erkenden dat vervangingstheologie had bijgedragen aan negatieve houdingen tegenover Joden. De Rooms-Katholieke Kerk verwierp in Nostra Aetate (1965) expliciet de gedachte dat God Israël heeft verworpen.

    Tegenwoordig bestaan er verschillende alternatieven, zoals de twee-verbonden-theologie en de visie dat de kerk is ingeënt op Israël zonder het te vervangen.

    Conclusie

    Vervangingstheologie is ontstaan uit historische omstandigheden, filosofische interpretaties en kerkelijke machtsvorming. De essentie ervan is de overtuiging dat de kerk het volk Israël heeft vervangen in Gods heilsplan. Hoewel deze visie eeuwenlang dominant was, wordt zij vandaag kritisch heroverwogen in het licht van zowel de Schrift als de geschiedenis.

  • Vruchtbaar

    omschrijving volgt

  • Vuurhaard

    Een benaming van Jeruzalem (Jes, 29:1, 2, 7) met het oog op het brandofferaltaar in de tempel (Liie. 6:9; Ez. 43:15, 16). De naam suggereert een brandende stad (Jes. 29:6).

  • Voet

    De voet op iets zetten betekent het claimen van de grond die betreden wordt, de onderwerping van de overwonnenen (Deut. 11:24; 1 Kon. 5:3; Ps. 8:7; 47:4; Rom. 16:20; 1 Kor. 15:25). Wie ‘het stof van zijn voeten schudt’ (Mare. 6:11; Hand. 13:51) verbreekt elke verbinding met de plaats die of het huis dat men verliet. Enkele malen zijn de ‘voeten’ een versluierde aanduiding van het geslachtsorgaan (Ex. 4:25; Jes. 6:2). De ‘voeten bedekken’ betekent zijn behoeften doen (1 Sam. 24:4; Richt. 3:24), NBG: zich afzonderen. De voetbank was een onderdeel van de troon (2 Kon. 9:18; Ps. 99:5). De ark, Sion of de aarde worden in overdrachtelijke zin voetbank van God genoemd (1 Kron. 28:2; Jes. 66:1; KI. 2:1; Hand. 7:49). Vijanden zullen de koning (Ps. 110:1) en de Messias (Matt. 22:44; Hand. 2:35; Hebr. 1:13) tot voetbank dienen. Voetwassing diende, vanwege het stof der wegen, vóór de maaltijd te geschieden (Gen. 18:4; Luc. 7:44; 1 Tim. 5:10). De voetwassing door Jezus is een teken van gemeenschap met Hem (Joh. 13:8).

  • Vogels

    === Algemeen ===
    Vogels heten vaak ‘vogelen des hemels’, de vogels in de lucht (Ps. 8:9). De tora maakt onderscheid tussen reine en onreine vogels (Deut. 14:11 w; Lev. 11:13 w). Het bloed van vogels speelt een rol in reinigingsritueel (Lev. 14:5 w). Jezus wijst naar de vogels als voorbeeld van Gods zorg voor deze schepselen (Matt. 6:26). Zij hebben ook hun veilige nest, terwijl de Zoon des Mensen geen tehuis heeft (Luc. 9:58). De vogel wordt belaagd door het klapnet van de vogelvanger (Spr. 7:23; Pred. 9:12). De in het nauwgebrachte, gevangen of vluchtende mens wordt met een vogel vergeleken (Ps. 11:1; 124:7; Spr. 6:5; 27:8; Jes. 16:2).
    === Aalscholver ===
    Behoort tot de onreine dieren (Lev. 11:17; Deut. 14:17).
    === Aasgier ===
    Gier
    === Arend ===
    Zijn snelheid en hoge vlucht zijn spreekwoordelijk (2 Sam. 1:23; Spr. 23:5; Jes. 40:3; Jer. 4:13; KI. 4:19). Zijn zorg en liefde voor zijn jongen lijken op de hulp van God aan Israël (Ex. 19:4; Deut. 28:49; 32:11). Zijn imposante verschijning is ook het beeld van het machtige opkomen van de koning van Babel (Ez. 17:3). Als hij zich uit zijn slaperige verstarde houding verheft en gaat vliegen, is hij als een herboren, vernieuwd schepsel (Ps. 103:5). In navolging van Ez. 1 wordt in Openb. 4:7 het vierde dier bij de troon van God een arend genoemd, later symbool van de evangelist Johannes.
    === Duif ===
    De rotsduif nestelt in spelonken en ruïnes (Jer. 48:28) en is typisch door zijn kirrend, klagend geluid (Jes. 38:14; 59:11; Ez. 7:16; Nah. 2:7). De tortelduif is een trekvogel, die na de winter op gezette tijden in het land komt (Hoogl. 2:12; Jer. 8:7). Reeds in oude tijden is er sprake van huis-duiven in een til (Jes. 60:8). De tortelduif was een veel gebruikt offerdier in Israël (Matt. 21:12), met name door de armen (Lev. 12:6, 8; Luc. 2:24). De duif is een bekoorlijk (Hoogl. 1:15) en ook een zachtmoedig en weerloos dier (Matt. 10:16). Zijn tegenstelling de ‘havik’ wordt nog wel in de SV genoemd maar niet in NBG. De duif die naar de ark van Noach terugkeerde met een olijfblad, is bode van een nieuwe aarde, van de vrede (Gen. 8:8). In het evangelie is hij symbool van de H. Geest (Joh. 1:32), in de christelijke kerk ook van de ziel van de mens.
    === Fenix ===
    Het fabeldier, dat tot as vergaan weer opstaat en voortleeft (Job 29:18).
    === Gans ===
    Gemeste ganzen verschijnen op de tafel van koning Salomo (1 Kon. 4:23).
    === Gier ===
    De aasgier (Jes. 34:15; Matt. 24:28) wordt in Job 28:7; 39:30; Jer. 48:40; 49:16 en Ob.:4 ook wel buizerd of kiekendief genoemd. Men verbaast zich over zijn scherpe blik en hoge zweefvlucht (Job 39:30). Zijn Hebr. naam ajjah is een klank-imitatie.
    === Hop ===
    Lev. 11:19; Deut. 14:18.
    === Haan ===
    Over de kip wordt alleen gesproken in het woord van Jezus over de hen en haar kuikens (Matt. 23:37). De haan is de nacht- en ochtendkraaier (Mare. 13:35), de wekker die Petrus doet opschrikken na zijn verloochening (Matt. 26:34, 75). Men vindt de oudste afbeelding van een haan op een zegel uit ± 600 v. Chr.
    === Katuil ===
    Uil
    === Kraai ===
    Deut. 14:13.
    === Kraanvogel ===
    Zwaluw. Volgens sommigen genoemd in Jes. 38:14 en Jer. 8:7.
    === Kwakkel ===
    Een trekvogel, een soort patrijs, die genoemd wordt als een welkome aanvulling op het menu van Israël in de woestijn (Ex. 16:13; Num. 11:31 v; Ps. 105:40). De kwakkels worden ook nu nog in de Sinaï in massa’s met de hand gevangen.
    === Lammergier ===
    Gier, Lev. 11:13; Deut. 14:12. De Hebr. naam péré betekent: breken. De vogel breekt de botten van zijn prooi.
    === Meeuw ===
    Lev. 11:16; Deut. 14:15.
    === Mus ===
    Eigenlijk is er in Ps. 84:4 en Spr. 26:2 alleen sprake van een vogel. Maar men is geneigd hier aan een mus te denken. In het evangelie horen we over handel in mussen. Ze zijn in zulk een groten getale aanwezig dat zij zeer goedkoop zijn. De waarde van een mens gaat die van mussen ver te boven (Matt. 10:29 w).
    === Ooievaar ===
    Lev. 11:19; Deut. 14:18; Ps. 104:17. De trekvogel die op vaste tijden in het land verschijnt (Jer. 8:7).
    === Oehoe ===
    Lev. 11:17; Deut. 14:16, de uil met lange oren.
    === Pauw ===
    Het exotische pronkdier voor de volière van de koning (1 Kon. 10:22).
    === Patrijs ===
    Veldhoen.
    === Pelikaan ===
    Een zwemvogel, die te vinden is aan de oevers van rivieren, in moerassen en verlaten oorden (Ps. 102:7; Sef. 2:14; Jes. 34:11). Volgens sommigen gaat het hier echter om de kleine woestijnuil.
    === Raaf ===
    Het is verbazingwekkend hoe de (diefachtige) raven aan hun voedsel komen (Job 39:3). Het verhaal van Elia aan de beek Krit getuigt ervan (1 Kon. 17:4, 6). Men heeft wel eens gemerkt dat zij de ogen van weerloze dieren uitpikken (Spr. 30:17). Zelfs in een overstroomde wereld kunnen zij zich redden (Gen. 8:7). Men moet concluderen dat God voor hen zorgt (Ps. 147:9; Luc. 12:24).
    === Reiger ===
    Lev. 11:19; Deut. 14:18.
    === Roerdomp ===
    Een soort reiger, een schuwe vogel die zich ophoudt in moerasachtige gebieden (Jes. 14:23; 34:11; Sef. 2:14).
    === Struisvogel ===
    Een grote snelle loopvogel (Job 39:21) die in de wildernis en verlaten streken vertoeft (Job 39:17; Jes. 13:21; 34:13; Jer. 50:39). Zijn Hebr. naam ‘dochter van steenachtig land’, herinnert aan zijn woongebied. Arabieren noemen hem ‘vader van de geelrode woestijn’. Zijn geluid is een wat hese, klagende toon, die doet denken aan het loeien van een os (Micha 1:8).
    === Tortel ===
    Duif.
    === Uil ===
    Het nachtdier, een ongeluksvogel, onheilsbode (Jes. 13:21; 34:11). De steenuil, een klein uiltje, wordt genoemd in Lev. 11:17 en Ps. 102:7. De witte uil in Lev. 11:18, Oehoe.
    === Valk ===
    Job 39:29 Sperwer
    === Veldhoen ===
    Een soort patrijs, een snelle loper, die veel gejaagd wordt (1 Sam. 26:20). Men heeft wel opgemerkt dat het vrouwtje vreemde eieren in haar nest rolt en dat daardoor haar broeden geen maximaal effect heeft (Jer. 17.11).
    === Wouw ===
    Lev. 11:14; Deut. 14:13. Zijn Hebr. naam ra’ah betekent: hij die scherp ziet.
    === Zeearend ===
    Lev. 11:13; Deut. 14:12.
    === Zwaluw ===
    Leeft dicht bij de mensen, bouwt zijn nest vaak in schuren en stallen, zelfs onder het tempeldak (Ps. 84:4). Zijn snelle vlucht, zijn getjilp (Spr. 26:2; Jes. 38:14) en ook zijn regelmatige terugkeer na een winterverblijf elders, zijn opmerkelijk (Jer. 8:7).
    V

  • Volk

    Hebr. gooj of ‘am, Gr. ethnos of laos. Gooj wordt soms voor Israël gebruikt (Gen. 12:2; Ps. 33:12; Jes. 1:4), maar het meervoud goojiem is overwegend aanduiding geworden van andere volkeren, ‘heidenen’ (Jes. 14:26; Ps. 2:1). Hiermee correspondeert het Gr. ethnoi, niet-Joden (Matt. 10:5, 18; 28:19). Een opsomming van stamvaders en volkeren vinden we in Gen. 10. Die van 1 Kron. 1:4-23 bevat 70 namen, 72 als men de persoonsnamen Nimrod en Assur erbij telt. Vgl. de naam van de Gr. vertaling van Tenach: Septuaginta, d.i. 70, LXX.
    Het volk van God is steeds ‘am (Deut. 7:6; 1 Sam. 2:24 etc.), of (Grieks) laos (Luc. 1:68). Ook de in Israël ingeënte ‘vreemden’ uit de volkeren, die medeburgers en huisgenoten van God zijn geworden heten laos (Hand. 15:14; Rom. 9:25; 1 Petr. 2:9).
    Het ‘volk des lands’ is in Tenach de groep van vooraanstaande, invloedrijke Joden (2 Kon. 11:14; Jer. 43:19), die later in de godsdienstige waardering laag genoteerd wordt. In de rabbijnse literatuur wordt de uitdrukking een verachtelijke term voor de massa die zich niet aan de regels houdt (vgl. Joh. 7:49).