Het is opmerkelijk dat in de bijbel, die het leven vol van moeite en smart ziet, zo vaak over de vreugde voor Gods -> aangezicht wordt gesproken (Lev. 23:40; Deut. 12:12; 16:11; 27:7; Jes.9:2; vgl.Spr. 8:30).
Daar waar God wordt ontmoet en Zijn overwinning wordt gevierd, is het een feest (1 Kor. 5:8). Als uit de tora is voorgelezen, wordt het volk opgeroepen niet te wenen, maar lekker te gaan eten en drinken (en geschenken te sturen), want ‘de vreugde in de HEER die is uw toevlucht!’ (‘de vreugde der wet’, Neh. 8:11, 13; vgl. Jes. 56:7). De vreugde over uitredding en verlossing is groter dan de uitbundigheid van het oogstfeest (Ps. 4:8; Hab. 3:17 w). Deze zal alleen nog overtroffen worden door de opgetogenheid door de verlossing uit dood en zonde, het feest van de koninklijke bruiloft (Matt. 22:1 w), de blijdschap van de nieuwe stad, en het Koninkrijk van God (Jes. 51:11; Matt. 25:21, 23; Hebr. 12:2; Openb. 19:6 w).
Categorie: V woorden
-
Vreugde
-
Vloed
Het Hebr. mabboel wijst op de hemeloceaan die zich door sluizen of vensters boven ons op de aarde kan storten (Gen. 7:11 b). Het wordt meestal met zondvloed (= grote vloed) vertaald (Gen. 6:17; 7:6; 9:11; 11:10; Ps. 29:10). Het Hebr. woord tehoom betekent watervloed in de oceaan rondom en onder de aarde. Het accent valt vaak op zijn diepte, waarin mensen verdrinken (Ex. 15:5; Jona 2:4; Job 41:23; Ps. 68:23; Jes. 5 1:10). ‘De wateren kwamen mij tot aan de keel, de diepte omsloot mij’ (Jona 2:6; vgl. Ps. 42:8; 71:20). Water is echter niet alleen een vijand, maar ook een vriend. De diepte, het grondwater, is een bron van zegen (Gen. 49:25; Ps. 78:15; Ex. 31:4). De door- duisternis bedekte tehoom in het begin van de schepping (Gen. 1:2) is niet de anti-goddelijke macht, een mythologische gestalte zoals Rahab (Jes. 30:7; 51:9; Ps. 89:11) of Leviatan (Jes. 27:1; Ps. 74:14; 104:26), maar is deel van de schepping waarover God heerst, die Zijn naam looft (Ps. 77:17; 148:7).
-
Vloek
Zoals een Zegen Heil bewerkt, is ook de vloek een machtig woord; niet alleen een onheilspellende, maar ook onheilbrengende uitspraak. De uitwerking van de vloek openbaart zich in allerlei rampen zoals ziekte, dood, misoogst, gevangenschap (Deut. 28:15-68). Door de vloek wordt een mens geïsoleerd in de gemeenschap, prijsgegeven aan dreiging en ondergang (Gen. 4:11). Een land dat vervloekt is, verkwijnt en verwelkt (Jes. 24:4 v). De vloek bepaalt het lot van steden en volken (Gen. 9:25; Num. 22-24). God verijdelt een vervloeking van Israël en verandert deze in een Zegen (Num. 23:11 v). Ook een ongegronde vloek treft geen doel (Spr. 26:2).
In de chr. gemeente wordt de vervloeking afgezworen (Luc. 6:28; Rom. 12:14; Jak. 3:8-1 1). Paulus heeft gezinspeeld op desastreuze gevolgen van het leven onder de ‘wet’ omdat ieder die zich niet aan alles houdt wat geschreven is, vervloekt is.
Maar de Christus werd zelf een ‘vloek’, een gedoemde, en heeft daardoor de kracht der vervloeking weggenomen (Gal. 3:10 w). -
Vrouw
De wederhelft van de man (Gen. 1:27; 2:18 w), ondergeschikt aan en afhankelijk van haar echtgenoot (Ef. 5:23; Matt. 18:25; vgl. Deut. 22:13 w). Toch zijn er veel vrouwen die een belangrijke rol spelen in het land (Debora, Hulda, Ester, Ataija, Mirjam, Izebel). In het gezin heeft de vrouw een centrale positie, de moeder, die mét de vader haar kinderen opvoedt (Spr. 6:20; 1:8; Luc. 2:48), de boerin, die het personeel en het bedrijf leidt (Spr. 31:10-31, maar de man zit in de politiek, 31:23). Een man kan zijn vrouw verstoten en wegzenden. Daar zijn regels voor. Van het omgekeerde horen wij echter niets (Deut. 24:1; Matt. 19:7 v).
In de oudste christelijke gemeente komen veel vrouwen op de voorgrond (Luc. 10:38-42; Joh. 2:3, 5; Luc. 24:1-12; Joh. 4:7 w; 20:11 w; Hand. 16:14 v; Rom. 16:1 w, 12). Zij zijn mede-erfgenamen van de genade (1 Petr. 3:7), in Christus is man noch vrouw (Gal. 3:28). Maar Jezus riep alleen mannen tot het apostelschap en in de gemeente mag volgens Paulus geen vrouw als leraar optreden (1 Kor. 14:34 v; 1 Tim. 2:12). -
Vervulling
Tot volle inhoud brengen, vol-maken. Als gezegd wordt dat liefde vervulling van de tora is, dan wordt daarmee bedoeld dat deze door de liefde tot zijn eigenlijke en volledige ontplooiing komt (Rom. 13:10; Gal. 5:14). Zo kunnen dagen (Lev. 12:6; Luc. 2:6), beloften en wensen (1 Kon. 5:9; Hand. 13:22), (schrift)woorden (1 Kon. 2:27; Jer. 28:6; Mare. 15:28) vervuld worden. Veel (niet alles!) van wat in het o.t. besproken werd en gebeurde, is in de Evangeliën tot volledige werkelijkheid geworden. Het le en 2e Testament zijn niet eikaars antipoden. Jezus kwam niet om ‘wet en profeten’ te ontbinden, maar te vervullen, d.i. voluit, zonder mankeren, tot gelding te brengen (Matt. 5:17).
-
Verzoeking
Is anders dan Verleiding, die beoogt de gelovige van zijn weg af te brengen, een beproeven, testen van iemands trouw (Gen. 22:1; Ex. 15:25; Hebr. 11:17; Jak. 1:13), waardoor hij sterker uit de strijd tevoorschijn kan komen. Het is het gebed van een nederige gemeente, die zichzelf niet onkwetsbaar acht, dat vraagt: leid ons niet in verzoeking (Matt. 6:13; Luc. 22:40). Als verteld wordt over de verzoeking van Jezus of de discipelen (Matt. 4:1; 1 Kor. 7:5; 1 Tess. 3:5), dan is de duivel in het spel. We zouden dan beter van Verleiding kunnen spreken. Omgekeerd kunnen ook mensen God of Jezus ‘verzoeken’. Zij proberen hoever zij kunnen gaan, zij trachten Hem tot een misstap, onwaarheid of ontrouw te bewegen (Num. 14:22; Ps. 78:41; 106:14; Matt. 19:3; 22:35). ‘Gij zult de HEER uw God niet verzoeken!’ (Deut. 6:16; Matt. 4:7).
-
Verzoenen
Is letterlijk het bedekken en dus ontkrachten, onschadelijk maken van ongerechtigheid. God is altijd degene die (door de priester Lev. 4:20; 16:20, door een verzoeningsritueel, Lev. 16, de grote verzoendag, door het woord, 2 Kor. 5:19; Joh. 15:3) verzoent, d.w.z. zondaars, ook het heiligdom en heilige voorwerpen (die ‘verontreinigd’ zijn) geschikt maakt voor de omgang met Hem en de dienst aan Hem (Ps. 65:4 v; Jes. 6:7 v). Vreemden en vijanden worden vrienden en broeders. Het Evangelie vertelt dat Jezus door Zijn bloedstorting en offerande een verzoening is geworden voor al onze zonden (Rom. 5:10 v; 1 Joh. 2:2). Door Hem zijn wij geen vreemdelingen of bijwoners meer, maar ‘medeburgers’ der heiligen en ‘huisgenoten’ van God. Door Hem hebben jood en heiden beiden in één Geest toegang tot de Vader (Ef. 2:18 v). God was door de Christus de wereld met zichzelf verzoenende (2 Kor. 5:19). Hiervan te getuigen is de bediening der verzoening (2 Kor. 5:18).
-
Vier
Is het getal dat de verre uitbreiding suggereert. Is de drie de overtreffende trap, de vier is de over-overtreffende trap: ‘deze drie zijn onver-zadelijk, vier zeggen nooit: ‘het is genoeg” (Spr. 30:15; vgl. 30:18, 21, 24, 29). De opmerking dat Lazarus reeds 4 dagen in het graf is, laat zien dat de gestorvene reeds erg lang en ver weg in het dodenrijk is (Joh. 11:17). Het getal 4 speelt in de architectuur (het vierkant) en ook in de geografie een belangrijke rol. Er zijn 4 windstreken en 4 einden of hoeken der aarde (Jes. 11:12; Jer. 49:36; Zach. 2:6; Openb. 7:1). Ezechiël schouwt 4 wezens, ieder met 4 vleugels en handen, die allen recht voor zich uit bewegen, hij weet dan van de goddelijke macht, die zich richt naar alle zijden en de gehele wereld. Zijn majesteit is universeel (1:2-21). Het getal 4 is een aanduiding van de uitgebreidheid, van de gehele aarde (Dan. 7:2 w; Openb. 4:6; 9:15). De 4x 1000 door Jezus gespijzigden wijzen op het heilzame levensbrood voor alle volkeren, de gehele wereld (Matt. 15:38).
-
Viervorst
Een ‘viervorst’ zoals Herodes Antipas, is een koning die regeert over een vierde deel van het rijk van Herodes de Grote (Matt. 14:1; Hand. 13:1; vgl. Luc. 3:1).