Zie: Dieren
Categorie: XYZ woorden
-
Zeemonster
Zie: Dieren
-
Zwaard
Met het ‘flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde’ (Gen. 3:24) zal de bliksem bedoeld zijn. De cherubs worden in Israël wel eens met donderwolken in verband gebracht (Ps. 18:10 w). De ‘hof van Eden’ is als een berg Gods ontoegankelijk door donkere wolken, donderslagen en bliksemstralen (Ex. 19:16). Zie: Wapenrusting
-
Zweren
Zie: Eed en Melaatsheid
-
Zwijgen
Het gebod te zwijgen richt zich tot hen die te luidruchtig en hinderlijk anderen overstemmen. Men moet zijn plaats weten (Matt. 22:34; Mare. 4:39; 10:48; Luc. 1:20; Hand. 12:17; 19:35). Zwijgen kan een uiting van verlegenheid zijn, men weet of durft niets te zeggen (Lev. 10:3; 2 Kon. 18:36; Mare. 9:34). Het kan ook van wijsheid getuigen, omdat een gesprek onmogelijk is of omdat men dan beter kan luisteren (Spr. 17:28; Deut. 27:9; Job 33:33; Am. 5:13; Matt. 26:63). De sprakeloosheid verraadt ook ontsteltenis of verwondering, er zijn geen woorden (Ps. 39:3; Luc. 9:36; Hand. 15:12). ‘De HEER is in Zijn heilige tempel, zwijg voor Hem gij ganse aarde!’ (Hab. 2:20). Men mag niet altijd zwijgen, want er is een tijd van spreken (Pred. 3:7) als zwijgen laf en schuldig is: ‘om Sions wil zal ik niet zwijgen’ (Jes. 62:1; Luc. 19:40; Hand. 18:9)h. Maar er is ook een tijd van zwijgen (Pred. 3:7), als het wijs is om te luisteren en als er niets meer te zeggen valt, als men uitgesproken is (Hand. 15:13), bv. aan het einde van een boek! Een auteur doet er dan het zwijgen toe.
-
Zoon
Zie: Eerstgeborene
-
Zoon des mensen
Een titel van Jezus die eig. niets anders betekent dan: mensenkind, mens (Ps. 8:5; Ez. 2:1). Maar door Dan. 7:13 heeft dit woord ‘mens’ een bijzondere, messiaanse betekenis gekregen. Jezus heeft zich in deze richtende machthebber herkend als de rechter van de eindtijd en als vernieuwer van de wereld (Matt. 9:6; 13:41; 16:27; 19:28; Luc. 17:22).
-
Zoon Gods
Een aanduiding van een engel, Israël of de koning (Messias). De zonen Gods (Gen. 6:2; Ps. 29:1; Job 1:6) zijn de hemelse wezens, afvallige engelen of de dienaren voor Gods troon. Als God spreekt van ‘mijn zoon’ of ‘de zoon’ denkt Hij aan Israël (Ex. 4:22v; Hos. 11:1; Ps. 80:16) of het gaat over David, of een gezalfde Koning (2 Sam. 7:14; Ps. 2:7; Jes. 9:5). Als Jezus Zoon van God genoemd wordt (meer dan 100 x in het n.t.) dan worden Zijn speciale verbondenheid met God en Zijn bijzondere opdracht (Matt. 3:17; 11:27; Luc. 9:35), maar ook zijn gehoorzaamheid onderstreept (Matt. 4:3 w; Joh. 5:19; Hebr. 5:5, 8). Paulus noemt het karakteristieke van de Zoon dat Hij het beeld van God is, in wien God woont (Koll. 1:15, 19). Hij regeert, namens de Vader, en zal alles onderwerpen, waarna Hij Zichzelf aan de HEER onderwerpt (1 Kor. 15:28).