Categorie: T namen

  • Togárma

    Eigennaam ♂ & naam van een volk

    Betekenis: Benig – knagende pijn in de botten

    1. Een zoon van Gomer en kleinzoon van Jafeth
    2. Een volk dat handelde in paarden en muilezels op de jaarmarkten van Tyrus. Waarschijnlijk een Armeens of een Scythisch ras en afstammelingen van de zoon van Gomer

    Bijbelverzen:

    (Genesis 10:3) En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togárma.

    (Ezechiël 27:14) Uit het huis van Togárma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels [op] uw markten.

    (Ezechiël 38:6) Gomer en al zijn benden, en het huis van Togárma, [aan] de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.

  • Bijbelse namen beginletter T


    ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ



    Taanach → zwervende door.

    Tabbaoth → ringen, zegelringen.

    Tabbath → beroemd, berucht. Ri.7:22

    Tabeal → goedheid Gods. Tabeel. Jes.7:6

    Tabeel → goedheid Gods. Tabeal. Ezr.4:7

    Tabernakel → tent, hut.

    Tabernen → herbergen. Han.28:15

    Tabítha → hinde, of ook helderziende.

    Tabrimmon → goedheid van Rimmon. 1Kon.15:18

    Tachath → nederdrukking, laagte.

    Tachkemoni → wijsheid. 2Sa.23:8

    Tachpanhes → het begin der eeuw, de aanvang der wereld.

    Tachpenes → hoofd der eeuw; of gegeven door de slang. (Egyptische afgod).

    Tafath → drup van mirre; gom, die uit de mirre druipt. 1Kon.4:11

    Tahan → smeking (van ouders).

    Tahanieten → smekingen. Num.26:35

    Tahas → das. Gen.22:24

    Tahath → nederdrukking, laagte.

    Talitha → dochtertje. Mark.5:41

    Talmai → vore, zo lang als een vore.

    Talmon → beledigende verdrukking.

    Tamor → vogelverschrikker. 1Kon.9:18

    Tanhumeth → vertroosting.

    Tappuah → appel, vruchtbaar in appelen.

    Tarpelieten → als met een stierenhuid of stierenhaar bedekt. Ezr.4:9

    Tarsen → onderwerping, overwonnen land

    Tarsis → onderwerping, overwonnen land

    Tartak → de maan, de moeder der goden; held der duisternissen. 2Kon.17:31

    Tartan → grote aanwas.

    Tebah → vertrouwen. Gen.22:24

    Tebalja → ingedompeld, gereinigd door Jehova. 1Kr.26:11

    Tebeth → overstroming. Est.2:16

    Tehinna → dankzegging, gebed. 1Kr.4:12

    Tekel → hij heeft gewogen.

    Tel-Abib → heuvel van korenaren. Eze.3:15

    Telah → breuk. 1Kr.7:25

    Telaim → lammeren, of lammeren werpen. 1Sa.15:4

    Telasser → heuvel van Assur, (waar hij aangebeden heeft).

    Telem → verdrukking.

    Tel-Harsa → heuvel der ploeging.

    Tel-Melah → zoutheuvel.

    Teman → zuiderwijk, of zuideroord.

    Temeni → zuiden. (landschap in Edom.) ook rechts houden of gaan. 1Kr.4:6

    Terafim → beelden, afbeeldingen.

    Terah → uitstel [langzaam geboren], of welriekend.

    Tertius → de derde. Rom.16:22

    Tertullus → bedrieger.

    Teth → baarmoeder.

    Thaanach → zwervende door.

    Thaanath-Silo → ingang tot Silo. Joz.16:6

    Thaarea → tegenhoudende weeën [een zoon die langzaam geboren wordt]. 1Kr.8:35

    Thab-Éra → verterende, brandende

    Thabor → steengroeve, of afgescheiden

    Thaddeus → mijn borst.

    Thadmor → vol palmbomen [palmenstad]. 2Kr.8:4

    Thaerea → tegenhoudende weeën [een zoon die langzaam geboren wordt]. 1Kr.9:41

    Thalmai → vore, zo lang als een vore.

    Thamah → gelach [oudervreugde].

    Thamar → palm.

    Thammuz → verborgen; of gever van de wijn; ook en afgod [Adonis] de zon. Eze.8:14

    Thara → uitstel [lanzaam geboren], of welriekend. Luk.3:34

    Tharah → uitstel.

    Thar-ala → waggelend. Joz.18:27

    Tharsis → onderwerping, overwonnen land

    Tharsisa → onderwerping, overwonnen land 1Kr.1:7

    Thathnai → gift, geschenk

    Thau → teken of kruis. laatste letter Hebr.alfabet.

    Thebez → helderheid, glans.

    Thekoa → het inslaan of vastslaan (van tenten); of trompetgeschal.

    Thekoiet → inwoner van Thekóa.

    Thekoieten → inwoners van Thekóa

    Thel-harsa → fout St.v. zie Tel-Harsa.

    Thel-melah → fout St.v. zie Tel-Melah.

    Thema → woestijn, onbewoond oord.

    Theman → zuiderwijk, of zuideroord.

    Theófilus → liefhebber of vriend van God.

    Theres → streng, hoogernstig.

    Thessalonica → overwinning der Thessaliërs.

    Theudas → belijder of gave Gods. Han.5:36.

    Thifsah → doortocht (over de Eufraat). 1Kon.4:24.

    Thimnath → aangewezen en afgezonderd deel

    Thimnath-Serah → overvloedig of overtollig deel. Joz.19:50.

    Thimniet → inwoner van Thimnath. Ri. 15:6.

    Thiras → fout St.v. Gen.10:2 zie Tiras

    Thirea → vrees. 1Kr.4:16

    Thirza → aangenaam, liefelijk

    Thirza → aangenaamheid, liefelijk

    Thisbiet → inwoner van Thisba.

    Thofeth → 2Kon.23:10 Tofeth. plaats ter verbranding; of trommen.

    Thogarma → 1Kr.1:6 Togarma. henen brekende.

    Thoi → dwaling.

    Thola → wormpje.

    Tholad → geslacht, nakomelingschap. 1Kr.4:29

    Thomas → tweelingbroer.

    Thou → dwaling.

    Thummim → zie Urim en Thummim.

    Thyatira → betekenis onbekend. Han.16:14

    Thyatire → betekenis onbekend.

    Tibchath → hij slacht. 1Kr.18:8

    Tiberias → genoemd naar keizer Tiberius.

    Tiberius → Keizer van Rome Luk.3:1.

    Tibni → gebouw van Jehova; of stro.

    Tideal → vrees, eerbied.

    Tifsah → doortocht 2Kon.15:16.

    Tiglath-Pilneser → heer van de Hiddekel (=Tigris); of een groot koning.

    Tikva → hopen, wachten op. 2Kon.22:14

    Tilon → etymologisch onbekend. 1Kr.4:20

    Timeus → eerwaardig. Mark.10:46

    Timna → beteugeling, bedwang.

    Timnatha → aangewezen en afgezonderd deel. Joz.19:43

    Timnath-Heres → gedeeltelijk schurfterig. of deel der zon. Ri.2:9

    Timnath-Serah → gedeeltelijke hang naar luxe. Joz.24:30

    Timon → eerwaardig Han.6:5

    Timotheus → God vrezende.

    Tiras → begeerte (van ouders).

    Tirathieten → inwonders van een onbekende stad. 1Kr.2:55

    Tirhaka → verhevene.

    Tirhana → wonende in een residentie, of zeer veilige woonplaats. 1Kr.2:48

    Titus → geëerd, of eerwaardig.

    Tiziet → inwoner van een onbekende stad. 1Kr.11:45

    Toah → nedervallen (van zijn moeder). 1Kr.6:34

    Tob → goed [goede plaats, vruchtbaar land

    Tob-Adonia → goedheid van God-Jehova; of onderscheiden door mijn God-Jehova. 2Kr.17:8

    Tobia → goedheid van Jehova; of onderscheiden door Jehova.

    Tochen → uitgesneden deel. 1Kr.4:32

    Tochu → nedervallen (van zijn moeder). 1Sa.1:1

    Tofel → laf, smakeloos. Deu.1:1

    Tofeth → plaats ter verbranding; of trommen (naar de trommen waarop geslagen werd om het gekerm niet te horen van de kinderen

    Tola → wormpje.

    Trachonitis → bergachtig land. Luk.3:1

    Troas → betekenis onbekend.

    Trofimus → pleeg- en voedsterzoon, of welopgevoede.

    Tryfena → voortreffelijk. Rom.16:12

    Tryfosa → Rom.16:12

    Tsade → vishaak.

    Tsalmuna → de schaduw wordt tegengehouden

    Tsemariet → afsnijding, belemmering.

    Tseredath → verkoeling. Ri.7:22

    Tubal → voortspruitende [toeneming en verspreiding van het geslacht van Kaïn].

    Tubal-Kain → voortspruitende uit Kaïn, [vermeerdering van het geslacht van Kaïn].

    Tychikus → bevoorrecht.

    Tyrannus → bevelhebber, heerser. Han.19:9

    Tyrier → inwoner van Tyrus. Ps.87:1

    Tyrus → rots.