Categorie: S namen

  • Syrië-Máächa

    Plaatsnaam – Naam van streek

    Betekenis: ≈ Het verdrukte Syrië

    Bijbelverzen:

    (1 Kronieken 19:6) Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich stinkende gemaakt hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilvers, om zich wagenen en ruiters te huren uit Mesopotámië, en uit Syrië-Máächa, en uit Zoba;

  • Syrië

    Naam van een land

    Betekenis: Hoog – verheven

    Aram (Num. 23:7), het land ten noorden van Israël (hoofdstad Damascus) waarmee de koningen van Israël vaak in strijd gewikkeld waren (2 Sam. 8:5 v; 10:9 vv; 1 Kon. 20; 2 Kon. 6 en 7; 13:22, 25; 16:5). Het o.t. spreekt alleen van Aram, dat echter door de LXX met Syrië wordt aangeduid. In Luc. 2:2 wordt Quirinius de Romeinse machthebber in Syrië genoemd. De steden Damascus en vooral Antiochië hebben een belangrijke rol gespeeld door hun chr. gemeenten en de verbreiding van het Evangelie in de Griekse en Romeinse wereld (Hand. 9:1-22; 11:19-30; 13:1-5; 15:22-34).

    Bijbelverzen:

    Numeri 23:7, Richteren 3:10, Richteren 10:6, 2 Samuël 8:6, 2 Samuël 8:12, 2 Samuël 15:8, 1 Koningen 10:29, 1 Koningen 11:25, 1 Koningen 15:18, 1 Koningen 19:15, 1 Koningen 20:1, 1 Koningen 20:20, 1 Koningen 20:22, 1 Koningen 20:23, 1 Koningen 22:1, 1 Koningen 22:3, 1 Koningen 22:31, 2 Koningen 5:1, 2 Koningen 5:2, 2 Koningen 5:5, 2 Koningen 6:8, 2 Koningen 6:11, 2 Koningen 6:24, 2 Koningen 8:7, 2 Koningen 8:9, 2 Koningen 8:13, 2 Koningen 8:28, 2 Koningen 8:29, 2 Koningen 9:14, 2 Koningen 9:15, 2 Koningen 12:17, 2 Koningen 12:18, 2 Koningen 13:3, 2 Koningen 13:4, 2 Koningen 13:7, 2 Koningen 13:22, 2 Koningen 13:24, 2 Koningen 15:37, 2 Koningen 16:5, 2 Koningen 16:6, 2 Koningen 16:7, 1 Kronieken 18:6, 1 Kronieken 19:6, 2 Kronieken 1:17, 2 Kronieken 16:2, 2 Kronieken 16:7, 2 Kronieken 18:30, 2 Kronieken 20:2, 2 Kronieken 22:5, 2 Kronieken 22:6, 2 Kronieken 24:23, 2 Kronieken 24:24, 2 Kronieken 28:5, 2 Kronieken 28:23, Jesaja 7:1, Jesaja 7:8, Ezechiël 16:57, Ezechiël 27:16, Hoséa 12:12, Amos 1:5, Matthéüs 4:24, Lukas 2:2, Handelingen 15:23, Handelingen 15:41, Handelingen 18:18, Handelingen 20:3, Handelingen 21:3, Galaten 1:21,

  • Bijbelse namen beginletter S


    ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ



    Syrië → hoog, verheven

    Saaf → balsem.

    Saalabbin → plaats van vossen. Joz.19:42.

    Saalbim → inwoners van Saäl-abbin.

    Saalboniet → inwoner van Saäl-abbin.

    Saaraim → twee poorten.

    Saasgaz → knecht van de schone. Est.2:14.

    Sabachtani → verlaat gij mij? Mar.15:34.

    Sabachthani → verlaat gij mij? Mat.27:45.

    Sabbai → fout St.v. zie Zabbai

    Sabbat → Rust.

    Sabbethai → rust van Jehova.

    Sabeers → inwoners van Seba.

    Sabta → doorbreker [schrik voor vijanden].

    Sabtecha → sterk doorbrekende [grote schrik voor vijanden.

    Sachar → loon, beloning.

    Sadduceen → navolgers van Sadok.

    Sadok → Rechtvaardig.

    Sadrach → Vreugde in de weg.

    Saf → lang, breed. 2Sa.21:18.

    Safam → dor [zonder geboomte]. 1Kr.5:12.

    Safan → klipdas. (St.v.: konijn).

    Safat → rechter, rechters (God).

    Safer → schoonheid.

    Saffira → Schoonheid. Han.5:11.

    Safir → schoon. Micha 1:11.

    Sage → omzwerving, ballingschap. 1Kr.11:34.

    Sahalim → plaats van vossen 1Sa.9:4.

    Saharaim → twee dageraden. 1Kr.8:8.

    Sahazima → verheven, hoge plaatsen. Joz.19:22

    Sala → vrije loop laten. Komt van Selah. Luk.3:35.

    Salamis → Stad op het eiland Cyprus. Han.13:5.

    Salathiel → ik vraag van God.

    Salcha → stevig samenbindend.

    Salem → Vrede.

    Salemja → Jehova is vrede. 1Kr.26:14.

    Salim → Landstreek of oord van vossen. Joh.3:23.

    Salisa → driehoekig. 1Sa.9:4.

    Sallai → verheven door Jehova.

    Sallu → verheven door Jehova.

    Sallum → Vergelding.

    Salma → kleed, gewaad.

    Salmai → vredeoffer van Jehova. Neh.7:48.

    Salman → gelijkheid van Anu of Noach. Hos.10:14.

    Salmaneser → Gelijkheid van Anu of Noach.

    Salmon → kleed, gewaad.

    Salmone → vrede. Han.27:7.

    Salome → Vreedzame (vrl).

    Salomo → Vreedzaam (mnl).

    Salomon → vreedzaam.

    Salu → verheven, hogelijk geacht. Num.25:14.

    Sama → horende, het horen. 1Kr.11:44.

    Samaria → Een wachtberg.

    Samaritanen → inwoner van Samaria.

    Samech → slang.

    Samgar → Zwaard of vreemdeling geheten.

    Samgar-Nebu → het zwaard van Nebo. Jer.39:3.

    Samhuth → woestijnen. 1Kr.27:8.

    Samir → scherpe punt, een wacht.

    Samla → kleed, gewaad.

    Samlai → vredeoffer van Jehova. Ezr.2:46.

    Samma → verbazing, verwoesting.

    Sammai → verbazing van Jehova.

    Sammoth → woestijnen. 1Kr.11:27.

    Sammua → horende, het horen (van den Heere).

    Samserai → zorgvuldige hoede van Jehova. 1Kr.8:26.

    Samson → schitterende zon [grote vreugde en geluk]. Heb.11:32.

    Samuël → Gehoord door God [van God afgebeden].

    Sanballat → Haat in vermomming.

    Sanherib → San (een afgod) heeft vele broederen; of bos van verwoesting.

    Sanzanna → palmtak. Joz.15:31.

    Sara → Vorstin.

    Saraf → slang, vurige. 1Kr.4:22.

    Sarai → mijn vorstin.

    Saraja → Jehova is Vorst.

    Sarar → hand, steun (van een gezin). 2Sa.23:33.

    Sarepta → werkplaats tot zuivering en smelting van metalen. Zarfath. Luk.4:26.

    Sarezer → prins van het vuur, of glans van helderheid [heldere glans].

    Sargon → Vorst van de zon. Jes.20:1.

    Sarid → overlever, ontkomen.

    Saron → Grote vlakte, ruimgezicht.

    Sarona → grote vlakte, ruimgezicht. Han.9:35

    Saroniet → of mijn ordebewaarder. 1Kr.27:29.

    Sarsechim → Sakarisch of Skytisch vorst. Jer.39:3.

    Sarthan → engte van woonplaats. Joz.3:16.

    Saruch → aangenaam. Luk.3:35.

    Saruhen → aangename woonplaats. Joz.3:16.

    Sasai → woning van Jehova. Ezr.10:40.

    Sasak → hevige begeerte.

    Satan → Tegenstander, vijand

    Saul → Gevraagd.

    Saulieten → nakomelingen van Saul. Num.26:13.

    Saulus → gevraagd, afgebeden.

    Sausa → woning (van de Heere). 1Kr.18:16.

    Sceva → Woning (van de Heere). Han.19:14.

    Schallecheth → het nederwerpen. 1Kr.26:16.

    Schammua → horende, het horen (van de Heere). 2Sa.5:14.

    Schave → vlakte of dal. Gen.14:17.

    Schave-Diriathaim → vlakte van de dubbele stad. Gen.14:5.

    Schear-Jaschub → een overblijfsel zal wederkeren. (uit de balling- schap). (Jes.7:3 verg. met 10:21).

    Scheba → mens.

    Schebam → liefelijke geur. Num.32:3.

    Schebarim → breuken, verschrikkingen. Joz.7:5.

    Schebat → roede, staf

    Schelah → gezonden, voortlopende (van water). Neh.3:15.

    Scheminith → lage stemmen, of achtsnarig muziekinstrument.

    Schibbóleth → De loop der rivier, of korenaar. Ri.12:6.

    Schiggajon → gezang, lofzang. Ps.7:1.

    Schin → tand.

    Schobab → afvallende, afvallige. 2Sa.5:14.

    Schoham → edelgesteente, waarschijnlijk beryl. Job 28:16.

    Schonehavens → Han.21:8.

    Schoschannim → over de leliën, maagden.

    Schuni → stilte, rust. Gen.46:16.

    Schusan → over de lelie der getuigenis [iets liefelijks in de wet]. Ps.60:1.

    Scyth → Betekenis onbekend Kol.3:11.

    Seal → verzoek. Ezr.10:29.

    Sealthiel → ik vraag van God.

    Searja → geacht door Jehova.

    Seba → Zeven (voortreffelijk) of een eed.

    Sebanja → door Jehova opgegroeid.

    Sebaoth → legers van de Heer.

    Seber → breuk. 1Kr.2:48.

    Sebna → Opgegroeid, jeugd.

    Sebuel → gevangene van God.

    Sechacha → insluiting.

    Sechanja → inwoner of woning van Jehova [een van Gods volk, bij hetwelk Hij wil wonen].

    Sechem → rug, schouder [een hoge strook land].

    Sechu → wachttoren. 1Sa.19:22.

    Secundus → de tweede. Han.20:4.

    Sedekia → Mijn gerechtigheid is de HEER.

    Sedeur → voortwerpen van vuur [bliksem]

    Seera → bloedverwantschap [een vrouwelijke bloedverwante]. 1Kr.- 7:24.

    Sefam → dor, zonder geboomte.

    Sefanja → Jer.37:3 fout St.v. zie Zefanja

    Sefar → telling. Gen.10:30.

    Sefarad → Afgezonderde landstreek. Oba.1:20.

    Sefarvaim → berg Sefar bij Parvaím.

    Sefatja → rechter van Jehova.

    Sefi → hoog; verheven plaats. 1Kr.1:40.

    Sefo → hoog; verheven plaats. Gen.36:23.

    Sefufam → slang. Num.26:39.

    Sefufan → slang. 1Kr.8:5.

    Segub → verheven.

    Seharja → gezocht door Jehova. 1Kr.8:26.

    Sehirath → harige geit. Ri.3:26.

    Seïr → Ruw, harig.

    Seja → woning (van de Heere). 2Sa.20:25.

    Sela → Verheffing, gebed; ook rots.

    Selah → vrije loop laten.

    Sela-Machlekoth → rots der verdeling of der ontkoming. 1Sa.23:28.

    Selanieten → afstammelingen van Sela. Num.26:20.

    Seled → verrukking, grote blijdschap.

    Selef → uitgetogen [verkoren].

    Selemja → vergoed door Jehova.

    Seles → drietal, trits

    Seleucië → Plaats in Syrië, ten westen Antiochië Han.13:4.

    Selomi → mijn vrede. Num.34:27.

    Selomith → vergelding, vredelievendheid

    Selomoth → vergeldingen.

    Selumiel → vriend van God.

    Sem → Naam (beroemd, vermaard).

    Sema → gehoor, faam.

    Semaa → gehoor, faam. 1Kr.12:3.

    Semachja → ondersteund door Jehova. 1Kr.12:3.

    Semaja → gehoord door Jehova.

    Semarja → ondersteund of bewaakt door Jehova.

    Semeber → naam van vleugel [gevleugelde, beroemde naam]. Gen.14:12.

    Semei → beroemd, befaamd door Jehova. Luk.3:26.

    Semer → verzekerde bewaring [voorwerp van zorg].

    Semida → faam van kennis.

    Semiramoth → beroemdste, verhevenste naam.

    Semuel → gehoord door God, van God afgebeden. Num.34:20.

    Sen → tand [scherpe rots]. 1Sa.7:12.

    Senaa → verheven, beroemd.

    Senazar → licht van glans [glansrijk licht]. 1Kr.3:18.

    Sene → hoog. 1Sa.14:4.

    Senir → pantser.

    Senua → licht. Neh.11:9

    Seorim → gerst. 1Kr.24:8.

    Sera → Overvloed.

    Serafijnen → [edelen, rijksgroten

    Serafs → ijverigen, brandenden

    Serah → overvloed. Num.26:46.

    Serahja → 1Kr.6:51 fout St.v. zie Zeráhja

    Seraja → vorst of krijgsheld van Jehova

    Serebja → verlossing door Jehova (uit de ballingschap).

    Sered → vrees.

    Seredieten → vreesachtigen, zij die vrezen. Num.26:26.

    Seres → wortel (van een geslacht). 1Kr.7:16.

    Sergius → betekenis onbekend. Han.13:7.

    Serug → tak.

    Sesach → Verwarring.

    Sesai → witachtig.

    Sesan → lelie.

    Sesbazar → Aanbidder van het vuur, of verlossing van de glans (de zon).

    Seth → Toegekend, in de plaats gesteld.

    Sethar → ster, of verborgenheid. Est.1:14.

    Sethur → verborgen. Num.13:13.

    Seva → woning (van de Heere). 1Kr.2:49.

    Sia → raad. Neh.7:47.

    Siaha → raad. Ezr.2:44.

    Sibbechai → kreupelbos van Jehova.

    Sibbólet → Last. Ri.12:6.

    Sibchai → kreupelbos van Jehova. 1Kr.20:4.

    Sibma → liefelijke geur.

    Sibraim → tweevoudige hoop. Ezr.47:16.

    Sichar → Dronken, dwaas. Joh.4:5.

    Sichem → Rug, schouder.

    Sichor → zeer zwart, troebel.

    Sichor-Libnath → rivier van glans (Joz.19:36). Men wil dat de Feniciërs van het zand dezer rivier het eerste glas hebben gemaakt. Joz.19:26.

    Sichron → dronkenschap. Joz.15:11.

    Siddim → vlakten.

    Sidon → Het vissen, of overvloed van vis.

    Sidoniers → inwoners van Sidon.

    Sidonis → Hebr. Sidon. het vissen, of overvloed van vis. Luk.4:26.

    Sifei → uitnemend, of naaktheid. 1Kr.4:37.

    Sifmiet → inwoner van Safam. 1Kr.27:27.

    Sifmoth → dode lippen. 1Sa.30:28.

    Sifra → schoonheid. Ex.1:15.

    Siftan → rechtvaardigste rechter. Num.34:24.

    Sihon → Omkering, vernieling

    Sihor → zeer zwart, troebel. Jer.2:18.

    Silas → Zwijger, stiltemaker; of drie

    Silchi → gewapend door of werpschicht van Jehova. 1Kon.22:42.

    Silhim → gewapende mannen, [vesting

    Silla → Hoop aarde, hoge wegen. 2Kon.12:20.

    Sillem → vergelding.

    Silo → Vrede, zaligheid

    Siloach → Uitgezonden. Jes.8:6.

    Siloam → uitgezonden.

    Siloni → vrede, zaligheid Neh.11:5.

    Siloniet → vredemaker. 1Kr.9:5.

    Silsa → der derde (zoon). 1Kr.7:37.

    Silvanus → Man van het woud, bosman.

    Simea → horende, gehoor

    Simeam → verwondering. 1Kr.9:38.

    Simeath → horende, gehoor

    Simeathiet → antwoorder, nakomelingen van Simea. 1Kr.2:55.

    Simeï → Beroemd, befaamd door Jehova.

    Simeon → Horende met aanneming, gehoord heeft Jehova.

    Simeonieten → horenden met aanneming.

    Simon → horende met aanneming [gehoorzamende]. Grote woestijn. 1Kr.4:28.

    Simrath → wacht [een in handen van de Goddelijke wachters over de mensen]. 1Kr.8:21.

    Simri → wacht van Jehova.

    Simrith → bewaakt of bewaard (door Jehova). 2Kr.24:26.

    Simron → waakzame.

    Simron-Meron → waakzame wachter. Joz.12:20.

    Simsai → zon van Jehova.

    Simson → Schitterende zon [grote vreugde en geluk].

    Sin → Kleiaarde of slijk; struik, weede.

    Sinab → tand van de vader. Gen.14:2.

    Sinaï → Doornbos van Jehova.

    Sinear → Uitwerping, of naaktheid.

    Sinim → bewoner van een moerassig land. Jes.49:12.

    Sion → Zeer droog land.

    Sippai → uitnemend door Jehova. 1Kr.20:4.

    Sira → schoonheid. 2Sa.3:26.

    Sirjon → schild, borstbescherming.

    Sisa → honingman. 1Kon.4:3.

    Sisak → Gelijk een rivier.

    Sisera → Een slagveld.

    Sismai → de zon.

    Sithri → bescherming van Jehova. Ex.6:21.

    Sitna → aanklacht, haat. 1Kr.27:29.

    Sitrai → schrijver van Jehova. 1Kr.27:29.

    Sittim → Accacia’s.

    Sivan → sluier, hoofddeksel

    Siza → opspruitende (vermeerdering van een gezin). 1Kr.11:22.

    Sjigjonoth → over de verkeerdheid. Hab.3:1.

    Skevas → Woning (van de Heere).

    Smyrna → Mirre.

    So → verheven, opgeheven

    Soa → Rijkdom. Eze.23:23.

    Sobab → afvallende, afvallige.

    Sobach → uitgetogen.

    Sobai → beloning van Jehova.

    Sobal → afvallende, afvallige.

    Sobek → verlaten. Neh.10:24.

    Sobi → beloning van Jehova. 2Sa.17:27.

    Sochja → gevangene van Jehova. 1Kr.8:10.

    Socho → heg, bolwerk [sterke vesting].

    Socipater → verlossende, reddende vader. Rom.16:21.

    Sodi → ontheffing, kwijtschelding van Jehova. Num.13:10.

    Sodom → Vlammend, brandend

    Sodoma → geheimzinnigheid.

    Sofach → uitgetogen.

    Sofereth → schrijfster, letterkundige.

    Soham → onyx of sardonix. (donkerrood). 1Kr.24:27.

    Somer → bewaard of bewaakt (door de Heere).

    Sopater → verlossende, reddende vader. Han.20:4.

    Sorek → uitgelezen wijn, voortreffelijke wijn. Ri.16:4.

    Sosthénes → Betekenis onbekend Hand. 18:17.

    Sotai → teruggehaald door Jehova.

    Stefanas → kroon (197)

    Stefanus → Kroon, gekroonde (sdb-97)

    Sua → rijkdom.

    Suah → veegsel.

    Sual → vos.

    Subael → hersteld door God.

    Suchieten → tentbewoners. 2Kr.12:3.

    Suf → einde, achterhoede. ook riet

    Sufamieten → nakomelingen van Sefufan. Num.26:39.

    Suha → nederbuiging. 1Kr.4:11.

    Suham → kuilgraver. Num.26:42.

    Suhamieten → kuilengravers.

    Suhiet → nakomeling van Suha.

    Sukkoth Benoth → tenten der dochteren. 2Kon.17:30

    Sukkoth → Tenten, hutten.

    Sulammith → Vreedzaam, volmaakt.

    Sumathieten → geslachtsnaam van Suma, knoflook. 1Kr.2:53.

    Sunamitische → Inwoner van Sunem.

    Sunem → twee rustplaatsen.

    Suni → stilte, rust. Num.26:15.

    Suppim → slangen.

    Sur → een fort [versterkte stad].

    Susan → Lelie.

    Susanchieten → inwoners van Susan. Ezr.4:9.

    Susanna → lelie of roos. Luk.8:3.

    Susi → paardrijder. Num.13:11.

    Sutelah → = Suthelah. gekraak van scheuren.

    Suthelah → = Sutelah. gekraak van scheuren.

    Syene → opening, sleutel (van Egypte).

    Synagoge → Vergadering.

    Syntyche → die redeneert. Fil.4:2.

    Syrakuse → getrokken door het horen. Han.28:12.

    Syrie-Maacha → Maacha drukking, verdrukking. 1Kr.19:6

    Syro-Fenicië → Betekenis onbekend. Mar.7:26

    Syrtis → aantrekkende, of zandbank. Han.27:17