Betekenissen van de naam Chónia
De Bijbelse naam Chónia (Conia, Jechonja, Jechonia) betekent “de HEERE bevestigt” of “de HEERE grondvest”. De naam is theologisch geladen en verwijst naar Gods soevereine handelen met het koningshuis van Juda. In de context van Jeremia 22 draagt Chónia de gedachte van een door God aangestelde, maar om zijn ontrouw weer verworpen koning, wat de spanning tussen roeping, oordeel en toekomstig herstel onderstreept.
Classificatie
Eigennaam (man)
Datering
Chónia behoort tot de laatste fase van het koninkrijk Juda, rond het einde van de 7e en het begin van de 6e eeuw v.Chr., direct voorafgaand aan en tijdens de Babylonische ballingschap. Hij staat in de lijn van de koningen uit het huis van David en vormt een scharnierfiguur tussen de monarchie in Juda en de periode van ballingschap.
Naam in het Hebreeuws
Hebreeuws: כָּנְיָהוּ (Konyahu / Kaniahu), verwant aan יְכָנְיָה (Jechonja, Jeconiah).
Naam in het Grieks
Grieks (Septuaginta): Ιεχονιας (Iechonias), de Griekse vorm van Jeconiah, gebruikt in de oudtestamentische en nieuwtestamentische traditie.
Strongnummers
Hebreeuws: H3659 (Coniah / Chónia), nauw verbonden met H3204 (Jeconiah).
Grieks: G2423 (Iechonias).
Etymologische gegevens
De naam Chónia is een verkorte vorm van Jechonja/Jeconiah en is opgebouwd uit het Hebreeuwse werkwoord kun, “bevestigen, grondvesten”, en het theofore element Yahu (afkorting van de Godsnaam JHWH). Etymologisch betekent de naam “JHWH bevestigt” of “JHWH zal grondvesten”. Deze opbouw plaatst Chónia duidelijk in de traditie van theofore koningsnamen binnen het huis van David.
Schrijfwijze
In de Statenvertaling: Chonia
In de Herziene Statenvertaling: Chonia
In de King James vertaling: Coniah
Symbolische betekenis
In Jeremia 22 wordt Chónia voorgesteld als een zegelring aan Gods rechterhand, die toch wordt weggerukt. Symbolisch staat Chónia voor een koning die wel door God is aangesteld, maar door ongehoorzaamheid onder het oordeel komt. Zijn “afrukken” verbeeldt het verbreken van koninklijke zekerheid en kondigt de ballingschap aan. Tegelijk blijft zijn naam, “de HEERE bevestigt”, een stille verwijzing naar Gods blijvende trouw aan de belofte aan David, die later via nakomelingen als Zerubbabel en uiteindelijk de Messias wordt voortgezet.
Bijbelse stam
Stam: Juda, huis van David.
Familie
| Relatie | Naam |
|---|---|
| Vader | Jojakim (Jehoiakim), koning van Juda |
| Moeder | Nehushta, dochter van Elnathan uit Jeruzalem (verbonden met Jehojachin/Jeconiah) |
| Broers | Zedekia (Zedekiah), genoemd als andere zoon in de koningslijn |
| Zussen | Niet met naam vermeld in de Bijbel |
| Vrouw | Naam niet expliciet genoemd |
| Man | Niet van toepassing |
| Zonen | Onder andere Sealtiël (Shealtiel), genoemd in geslachtsregisters |
| Dochters | Niet met naam vermeld |
Een korte omschrijving
Chónia, in het Hebreeuws Coniah/Jeconiah, is een koning uit het huis van David in de laatste dagen van Juda. Hij is de zoon van Jojakim en wordt in Jeremia 22 getekend als een zegelring aan Gods rechterhand, een beeld van koninklijke waardigheid en nabijheid. Toch wordt hij, vanwege ontrouw en zonde, door God “weggerukt” en overgeleverd aan de macht van Babel. Zijn leven markeert de overgang van het onafhankelijke koninkrijk Juda naar de Babylonische ballingschap. Theologisch staat Chónia voor het ernstige oordeel over een ontrouw koningshuis, maar zijn naam en geslachtslijn blijven een schakel in de voortzetting van Gods belofte aan David, die uiteindelijk uitmondt in de komst van de Messias.