1 Koningen (HSV)

Home » Bijbelstudie » Herziene Statenvertaling » 1 Koningen (HSV)


1 Koningen 1

1 Koningen 1:1 Koning David nu was oud en op dagen gekomen. Men dekte hem met dekens toe, maar hij werd niet warm.
1 Koningen 1:2 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Laat men voor mijn heer de koning een meisje zoeken, een maagd, om de koning bij te staan en een verzorgster voor hem te zijn. Laat haar in uw schoot liggen, zodat mijn heer de koning weer warm wordt.
1 Koningen 1:3 Zo zochten zij in heel het gebied van Israël naar een mooi meisje, en zij vonden Abisag uit Sunem en bracht­en haar bij de koning.
1 Koningen 1:4 Het meisje was buitengewoon mooi. Zij werd de verzorgster van de koning en diende hem, maar de koning had geen gemeenschap met haar.
1 Koningen 1:5 Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich en zei: Ík zal koning worden. Hij voorzag zich van wagens en ruiters, met vijftig man die voor hem uit snelden.
1 Koningen 1:6 Zijn vader had hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt door te zeggen: Waarom heb je dat gedaan? Ook was hij heel knap van ge­stalte. Haggith had hem gebaard, na Absalom.
1 Koningen 1:7 Hij voerde overleg met Joab, de zoon van Zeruja, en met de priester Abjathar. Die hielpen mee en volgden Adonia.
1 Koningen 1:8 Maar de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Nathan, Simeï, Reï en de helden die bij David hoorden, waren niet met Adonia.
1 Koningen 1:9 Adonia slachtte schapen, runderen en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de bron Rogel ligt. Al zijn broers, de zonen van de koning, en alle man­nen van Juda, de dienaren van de koning, nodigde hij uit.
1 Koningen 1:10 Maar de profeet Nathan, Bena­ja, de helden en Salomo, zijn broer, nodigde hij niet uit.
1 Koningen 1:11 Toen zei Nathan tegen Bathseba, de moeder van Salomo: Hebt u niet gehoord dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet het niet.
1 Koningen 1:12 Nu dan, kom, laat mij u toch raad geven, zodat u uw leven en het leven van uw zoon Salomo kunt redden.
1 Koningen 1:13 Ga, ga naar binnen bij koning David en zeg tegen hem: Hebt u, mijn heer de koning, uw dienares niet gezworen: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en híj zal op mijn troon zitten? Waarom is Adonia dan koning?
1 Koningen 1:14 Zie, terwijl u daar nog met de koning in gesprek bent, zal ík na u binnenkomen en uw woorden aanvullen.
1 Koningen 1:15 Bathseba kwam bij de koning in de kamer. Nu was de koning zeer oud, en Abisag uit Sunem bediende de koning.
1 Koningen 1:16 Bathseba knielde en boog zich voor de koning neer, en de koning zei: Wat is er met u?
1 Koningen 1:17 Zij zei tegen hem: Mijn heer, u hebt zelf uw dienares bij de HEERE, uw God, gezworen: Voorzeker, Salomo, uw zoon, zal na mij kon­ing zijn, en híj zal op mijn troon zitten.
1 Koningen 1:18 En nu, zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer de koning, u weet het niet.
1 Koningen 1:19 Hij heeft runderen, gemest vee en schapen in menigte geslacht, en al de zonen van de koning uitgenodigd, en de priester Abjathar, en Joab, de bevelhebber van het leger, maar uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
1 Koningen 1:20 Maar u, mijn heer de koning, de ogen van heel Israël zijn op u gericht, dat u hun bekendmaakt wie er na hem op de troon van mijn heer de koning zal zitten.
1 Koningen 1:21 Anders zal het gebeuren, wanneer mijn heer de koning bij zijn vaderen te ruste gegaan is, dat ik en mijn zoon Salomo als schuldigen be­schouwd zullen worden.
1 Koningen 1:22 En zie, terwijl zij nog met de koning in gesprek was, kwam de profeet Nathan binnen.
1 Koningen 1:23 Men bracht de koning de boodschap: Zie, de profeet Nathan is er. En hij kwam bij de koning binnen, en boog zich met zijn gezicht ter aarde voor de koning neer.
1 Koningen 1:24 En Nathan zei: Mijn heer de koning, hebt gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en híj zal op mijn troon zitten?
1 Koningen 1:25 Want vandaag is hij afgedaald, het dal in, en heeft hij run­deren, gemest vee en schapen in menigte geslacht, en heeft hij al de zonen van de koning, de bevelhebbers van het leger, en de priester Abjathar uitgenodigd. En zie, zij eten en drinken in zijn aanwezigheid, en zeggen: Leve koning Adonia!
1 Koningen 1:26 Maar míj, uw dienaar, de priester Za­dok, Benaja, de zoon van Jojada, en uw dienaar Salomo heeft hij niet uitgenodigd.
1 Koningen 1:27 Als deze zaak van mijn heer de koning uitgegaan is, hebt u dan uw dienaar niet bekendgemaakt wie er na hem op de troon van mijn heer de koning zal zitten?
1 Koningen 1:28 Koning David antwoordde en zei: Roep Bathseba voor mij. Zij kwam bij de koning en ging voor de koning staan.
1 Koningen 1:29 Toen zwoer de koning en zei: Zo waar de HEERE leeft, Die mijn ziel uit alle nood verlost heeft,
1 Koningen 1:30 voorzeker, zoals ik u bij de HEERE, de God van Israël, gezworen heb: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en híj zal in mijn plaats op mijn troon zitten, voor­zeker, zo zal ik deze dag nog doen.
1 Koningen 1:31 Toen knielde Bathseba, met het gezicht ter aarde, en boog zich voor de koning neer en zei: Mijn heer de koning David leve voor eeuwig!
1 Koningen 1:32 Toen zei koning David: Roep de priester Zadok voor mij, en de profeet Nathan en Benaja, de zoon van Jojada. En zij kwamen bij de koning.
1 Koningen 1:33 En de koning zei tegen hen: Neem de dienaren van uw heer met u mee, en laat mijn zoon Salomo op het muildier rijden dat van mij is, en laat hem naar Gihon afdalen.
1 Koningen 1:34 Daar moet de priester Zadok met de profeet Nathan hem tot koning over Israël zalven. Vervolgens moet u op de bazuin blazen en zeggen: Leve koning Salomo!
1 Koningen 1:35 Daarna moet u achter hem aan de stad binnentrekken, en moet hij komen en op mijn troon gaan zitten. Dan zal híj in mijn plaats koning zijn, want hém heb ik ertoe bestemd vorst te zijn over Israël en over Juda.
1 Koningen 1:36 Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, de koning en zei: Amen! Moge de HEERE, de God van mijn heer de koning, het zzeggen!
1 Koningen 1:37 Zoals de HEERE met mijn heer de koning is geweest, moge Hij zo met Salomo zijn, en moge Hij zijn troon groter maken dan de troon van mijn heer de koning David!
1 Koningen 1:38 De priester Za­dok daalde af, met de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, de Krethi en de Plethi, en zij lieten Salomo op het muildier van koning David rijden en begeleidden hem naar Gihon.
1 Koningen 1:39 De priester Zadok nam de oliehoorn uit de tent en zalfde Salomo. Ze bliezen op de ba­zuin, en heel het volk zei: Leve koning Salomo!
1 Koningen 1:40 En achter hem trok heel het volk de stad binnen. Het volk blies op fluiten en verblijdde zich ten zeerste, zodat de aarde opengespleten werd door hun geluid.
1 Koningen 1:41 Adonia hoorde het, en al de genodigden die bij hem waren, toen zij klaar waren met eten. Ook Joab hoorde het geluid van de bazuin en zei: Waarom is de stad in rep en roer?
1 Koningen 1:42 Terwijl hij nog sprak, zie, daar kwam Jonathan, de zoon van de priester Abjathar, en Adonia zei: Kom binnen, want u bent een strijdbare man, en zult iets goeds te boodschappen hebben.
1 Koningen 1:43 Maar Jonathan antwoordde en zei tegen Adonia: Integendeel, onze heer, koning David, heeft Salomo koning gemaakt.
1 Koningen 1:44 En de koning heeft de priester Zadok met hem meegestuurd, en ook de profeet Nathan, Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi. Zij hebben hem op het muildier van de koning laten rijden.
1 Koningen 1:45 En de priester Zadok en de profeet Nathan hebben hem in Gihon tot koning gezalfd, en vandaar zijn zij blij de stad weer binnengetrokken, zodat de stad in rep en roer is. Dat is het geluid dat u gehoord hebt.
1 Koningen 1:46 Ook is Salomo op de troon van het koninkrijk gaan zitten.
1 Koningen 1:47 En boven­dien zijn de dienaren van de koning onze heer, koning David, komen gelukwensen, door te zeggen: Uw God moge de naam van Salomo beter maken dan uw naam, en zijn troon groter maken dan uw troon; vervolgens heeft de koning zich neergebogen op zijn slaapplaats.
1 Koningen 1:48 Ook heeft de koning als volgt gezegd: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël, Die heden ie­mand geeft die op mijn troon zit, terwijl mijn ogen het zien!
1 Koningen 1:49 Toen beefden alle genodig­den die bij Adonia waren en stonden op. Eenieder ging zijns weegs.
1 Koningen 1:50 Maar Adonia was bevreesd voor Salomo. Hij stond op en ging weg, en greep de horens van het altaar vast.
1 Koningen 1:51 Aan Salomo werd bekendgemaakt: Zie, Adonia is bevreesd voor koning Salomo, want zie, hij heeft de horens van het altaar vastgegrepen en gezegd: Laat koning Salomo mij heden zweren dat hij zijn dienaar niet met het zwaard zal doden.
1 Koningen 1:52 Salomo zei: Als hij zich een betrouw­baar man betoont, zal hem geen haar gekrenkt worden, maar als er kwaad in hem aangetrof­fen wordt, zal hij sterven.
1 Koningen 1:53 Vervolgens stuurde koning Salomo er een bode heen, en zij lieten hem van bij het altaar naar beneden komen. Hij kwam en boog zich voor koning Salo­mo neer. En Salomo zei tegen hem: Ga naar je huis.

1 Koningen 2

1 Koningen 2:1 Toen de dagen van David naderbij kwamen, dat hij zou sterven, gebood hij zijn zoon Salo­mo:
1 Koningen 2:2 Ik ga de weg van heel de aarde. Wees dan sterk en wees een man.
1 Koningen 2:3 Vervul je taak ten behoeve van de HEERE, je God, door in Zijn wegen te gaan, en door Zijn verordeningen, Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn getuigenissen in acht te nemen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, opdat je verstandig zult handelen bij alles wat je doet, bij alles waar je je op richt.
1 Koningen 2:4 Opdat de HEERE Zijn woord dat Hij over mij gesproken heeft, gestand zal doen: Als jouw zonen op hun weg letten, door trouw met heel hun hart en met heel hun ziel voor Mijn aangezicht te wandelen, zal het je niet ontbreken aan een man op de troon van Israël.
1 Koningen 2:5 En ook jíj weet wat Joab, de zoon van Zeruja, mij aangedaan heeft, en wat hij met de twee legerbevelhebbers van Israël gedaan heeft, met Abner, de zoon van Ner, en met Amasa, de zo­on van Jether: hij heeft hen gedood en oorlogsbloed vergoten in vredestijd. Daarbij bracht hij oorlogsbloed op de gordel die om zijn middel zat, en op de schoenen die aan zijn voeten zat­en.
1 Koningen 2:6 Handel daarom naar je wijsheid, maar laat zijn grijze haar niet in vrede in het graf neerdalen.
1 Koningen 2:7 Maar aan de zonen van Barzillaï uit Gilead moet je goedertierenheid bewijzen, zodat zij zullen zijn onder hen die aan jouw tafel eten, want zo traden zij mij tegemoet, toen ik vluchtte voor je broer Absalom.
1 Koningen 2:8 En zie, bij jou is ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjami­niet uit Bahurim. Hij vervloekte mij met een verschrikkelijke vloek, op de dag dat ik naar Ma­hanaïm ging. Hij kwam echter ook naar de Jordaan, mij tegemoet. Toen zwoer ik hem bij de HEERE: Ik zal u niet met het zwaard doden!
1 Koningen 2:9 Maar nu, houd hem niet voor onschuldig, want je bent een wijs man. Jij zult wel weten wat je met hem doen moet om zijn grijze haar met bloed in het graf te doen neerdalen.
1 Koningen 2:10 David ging bij zijn vaderen te ruste en werd be­graven in de stad van David.
1 Koningen 2:11 De tijd nu die David over Israël geregeerd heeft, is veertig jaar. Zeven jaar heeft hij in Hebron geregeerd, en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig jaar ger­egeerd.
1 Koningen 2:12 Salomo zat op de troon van zijn vader David. Zijn koningschap werd zeer beves­tigd.
1 Koningen 2:13 Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, bij Bathseba, de moeder van Salomo, en zij zei: Is je komst met vrede? Hij zei: Met vrede.
1 Koningen 2:14 Daarna zei hij: Ik heb een vraag aan u. Zij zei: Spreek.
1 Koningen 2:15 Toen zei hij: Ú weet dat het koningschap mij toekwam. Heel Israël had zich erop ingesteld dat ik koning zou worden. Maar het koningschap nam een wending: het is aan mijn broer gekomen, want door de HEERE is het aan hem gekomen.
1 Koningen 2:16 Nu zou ik u één verzoek willen doen. Wijs mij niet af. Zij zei tegen hem: Spreek.
1 Koningen 2:17 Hij zei: Zeg toch tegen koning Salomo – want hij zal u niet afwijzen – dat hij mij Abisag uit Sunem tot vrouw geeft.
1 Koningen 2:18 Bathseba zei: Goed, ik zal met de koning over je spreken.
1 Koningen 2:19 Zo kwam Bathseba bij koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning stond op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar neer. Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet een stoel voor de ko­ningin-moeder neerzetten en zij ging aan zijn rechterhand zitten.
1 Koningen 2:20 Toen zei zij: Ik wil je één klein verzoek doen. Wijs mij niet af. De koning zei tegen haar: Vraag maar, mijn moeder, want ik zal u niet afwijzen.
1 Koningen 2:21 Zij zei: Laat Abisag uit Sunem aan je broer Adonia tot vrouw gegeven worden.
1 Koningen 2:22 Toen antwoordde koning Salomo en zei tegen zijn moeder: Waarom vraagt u Abisag uit Sunem voor Adonia? Vraag dan ook maar het koningschap voor hem, want hij is mijn broer die ouder is dan ik. Ja, vraag het maar, voor hem, voor de priester Abja­thar en voor Joab, de zoon van Zeruja.
1 Koningen 2:23 En koning Salomo zwoer bij de HEERE: God mag zen nog veel erger met mij doen! Voorzeker, ten koste van zijn leven heeft Adonia dit woord gesproken!
1 Koningen 2:24 Nu, zo waar de HEERE leeft, Die mij aangesteld heeft en mij op de troon van mijn vader David heeft doen zitten, en Die voor mij een koningshuis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had, voorzeker, Adonia moet vandaag nog ter dood gebracht worden!
1 Koningen 2:25 En kon­ing Salomo stuurde door de dienst van Benaja, de zoon van Jojada, een bevel, en deze stak hem neer, zodat hij stierf.
1 Koningen 2:26 En tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Ana­thoth, naar uw akkers, want u bent een man des doods. Op deze dag zal ik u echter niet ter dood brengen, omdat u de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David uit gedragen hebt, en omdat u in alles waarin mijn vader onderdrukt werd, ook onderdrukt werd.
1 Koningen 2:27 Zo verdreef Salomo Abjathar, zodat hij geen priester van de HEERE meer zou zijn, en zo liet hij het woord van de HEERE in vervulling gaan dat Hij over het huis van Eli in Silo gesproken had.
1 Koningen 2:28 Toen dit gerucht Joab bereikte – Joab had zich immers achter Adonia geschaard, maar achter Absalom had hij zich niet geschaard – vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de horens van het altaar vast.
1 Koningen 2:29 En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, erheen en zei: Ga, steek hem dood.
1 Koningen 2:30 Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Dit zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zei: Nee, want hier zal ik sterven. En Benaja bracht verslag uit aan de koning en zei: Dit heeft Joab gesproken, ja, dit heeft hij mij geantwoord.
1 Koningen 2:31 De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem zo het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.
1 Koningen 2:32 Zo zal de HEERE zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, neergestoken en hen met het zwaard gedood heeft, terwijl mijn vader David er niet van wist: Abner, de zoon van Ner, de bevelhebber van het leger van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de bevelhebber van het leger van Juda.
1 Koningen 2:33 Zo zal hun bloed op het hoofd van Joab terugkeren, en op het hoofd van zijn nageslacht, voor eeuwig; maar David, zijn na­geslacht, zijn huis en zijn troon zullen van de HEERE voor eeuwig vrede hebben.
1 Koningen 2:34 Benaja, de zoon van Jojada, ging op weg, stak hem neer en doodde hem. Hij werd begraven in zijn huis in de woestijn.
1 Koningen 2:35 En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.
1 Koningen 2:36 Daar­na stuurde de koning een bode en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Bouw een huis voor uzelf in Jeruzalem en ga daar wonen. Ga daar echter niet vandaan, waar dan ook heen.
1 Koningen 2:37 Want het zal gebeuren, op de dag dat u de stad uitgaat en de beek Kidron oversteekt, dat u zeker weten kunt dat u beslist zult sterven. Uw bloed zal op uw hoofd rusten.
1 Koningen 2:38 Simeï zei tegen de koning: Dit woord is goed. Zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw di­enaar doen. En Simeï woonde vele dagen in Jeruzalem.
1 Koningen 2:39 Maar na verloop van drie jaar ge­beurde het dat twee slaven van Simeï wegliepen, naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath. En men vertelde Simeï: Zie, uw slaven zijn in Gath.
1 Koningen 2:40 Toen stond Simeï op, za­delde zijn ezel en ging naar Gath, naar Achis, om zijn slaven te zoeken. Simeï ging op weg en bracht zijn slaven uit Gath terug.
1 Koningen 2:41 Aan Salomo werd bekendgemaakt dat Simeï uit Jeruza­lem naar Gath gegaan en weer teruggekomen was.
1 Koningen 2:42 Toen stuurde de koning een bode en liet Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik u niet bij de HEERE laten zweren, u gewaar­schuwd en gezegd: Op de dag dat u de stad uitgaat, waar dan ook heen, kunt u zeker weten dat u beslist zult sterven? En u zei tegen mij: Het woord dat ik gehoord heb, is goed.
1 Koningen 2:43 Waarom hebt u uw eed bij de HEERE, en het gebod dat ik u heb opgelegd, dan niet in acht ge­nomen?
1 Koningen 2:44 Verder zei de koning tegen Simeï: Ú weet al het kwaad – waar uw hart weet van heeft – dat u mijn vader David aangedaan hebt. Daarom heeft de HEERE uw kwaad op uw hoofd doen terugkeren.
1 Koningen 2:45 Maar koning Salomo is gezegend, en de troon van David zal voor het aangezicht van de HEERE voor eeuwig zeker zijn.
1 Koningen 2:46 En de koning gaf Benaja, de zoon van Jojada, bevel en hij ging naar buiten en stak hem neer, zodat hij stierf. Zo werd het ko­ningschap in de hand van Salomo bevestigd.

1 Koningen 3

1 Koningen 3:1 Salomo ging huwelijksbanden aan met de farao, de koning van Egypte: hij nam de dochter van de farao tot vrouw en bracht haar in de stad van David, totdat hij de bouw van zijn huis, het huis van de HEERE en de muur rondom Jeruzalem had voltooid.
1 Koningen 3:2 Alleen offerde het volk nog op de hoogten, want tot in die dagen was er nog geen huis voor de Naam van de HEERE gebouwd.
1 Koningen 3:3 Salomo had de HEERE lief, door te wandelen overeenkomstig de veror­deningen van zijn vader David. Alleen bracht hij slachtoffers en reukoffers op de offerhoogt­en.
1 Koningen 3:4 De koning ging naar Gibeon om daar te offeren, omdat de hoogte daar de belan­grijkste was. Duizend brandoffers bracht Salomo op dat altaar.
1 Koningen 3:5 In Gibeon verscheen de HEERE ’s nachts aan Salomo in een droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal.
1 Koningen 3:6 Salomo zei: Ú hebt aan Uw dienaar David, mijn vader, grote goedertierenheid bewezen, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in trouw, in rechtvaardigheid en in oprechtheid van hart bij U. En U hebt dit grote blijk van goedertierenheid aan hem bewezen dat U hem een zoon gaf die op zijn troon zit, zoals op deze dag.
1 Koningen 3:7 Nu dan, HEERE, mijn God! Ú hebt Uw dienaar koning gemaakt in de plaats van mijn vader David. Ík ben echter een jonge man: ik weet niet uit of in te gaan.
1 Koningen 3:8 En Uw dienaar is te midden van Uw volk geplaatst, dat U verkozen hebt, een groot volk, dat vanwege de menigte niet geteld of geschat kan worden.
1 Koningen 3:9 Geef dan Uw dienaar een opmerkzaam hart, om recht te kunnen spreken over Uw volk, om met inzicht on­derscheid te kunnen maken tussen goed en kwaad, want wie zou over dit machtige volk van U kunnen rechtspreken?
1 Koningen 3:10 Het was goed in de ogen van de Heere, dat Salomo dit gevraagd had.
1 Koningen 3:11 God zei tegen hem: Omdat u hierom gevraagd hebt, en niet gevraagd hebt om een lang leven voor uzelf; omdat u niet om rijkdom voor uzelf hebt gevraagd en niet om de dood van uw vijanden hebt gevraagd, maar om inzicht hebt gevraagd voor uzelf om naar rechtszak­en te kunnen luisteren,
1 Koningen 3:12 zie, daarom doe Ik overeenkomstig uw woorden: zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke er vr u niet geweest is, en uws gelijke na u niet zal opstaan.
1 Koningen 3:13 En zelfs dat waar u niet om gevraagd hebt, geef Ik u: zowel rijkdom als eer, zodat niemand onder de koningen uws gelijke zal zijn, al uw dagen.
1 Koningen 3:14 En als u in Mijn wegen gaat door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals uw vader Da­vid gewandeld heeft, dan zal Ik uw dagen verlengen.
1 Koningen 3:15 Toen werd Salomo wakker, en zie, het was een droom. En hij kwam in Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond van de Heere, bracht brandoffers, bereidde dankoffers en richtte een maaltijd aan voor al zijn diena­ren.
1 Koningen 3:16 Toen kwamen er twee vrouwen, hoeren, bij de koning, en zij gingen voor hem staan.
1 Koningen 3:17 De ene vrouw zei: Och, mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis, en ik heb bij haar in huis een kind gebaard.
1 Koningen 3:18 Het gebeurde op de derde dag nadat ik gebaard had, dat deze vrouw ook een kind baarde. Nu waren wij samen, geen vreemde was er bij ons in huis; alleen wij tweeën waren in huis.
1 Koningen 3:19 Toen is de zoon van deze vrouw ’s nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.
1 Koningen 3:20 En zij is midden in de nacht opgestaan, heeft mijn zoon bij mij weggenomen, terwijl uw dienares sliep, en heeft hem in haar schoot gelegd; en haar dode zo­on legde zij in mijn schoot.
1 Koningen 3:21 Toen ik ’s morgens opstond om mijn zoon te voeden, zie, hij was dood. Diezelfde morgen echter bekeek ik hem goed, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had.
1 Koningen 3:22 Toen zei de andere vrouw: Niet waar, de levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon. De eerste zei daarentegen: Niet waar, de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij ten overstaan van de koning.
1 Koningen 3:23 Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, de levende, en uw zoon is de dode, en die zegt: Niet waar, uw zoon is de dode en mijn zoon is de levende.
1 Koningen 3:24 Vervolgens zei de koning: Breng mij een zwaard; en zij brachten een zwaard bij de koning.
1 Koningen 3:25 En de koning zei: Snijd dat levende kind in tweeën, en geef de helft aan de één en de helft aan de ander.
1 Koningen 3:26 Maar de vrouw van wie de levende zoon was – want haar medelijden werd opgewekt vanwege haar zoon – zei tegen de koning: Och, mijn heer! Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval. Maar de ander zei: Het zal niet voor mij en ook niet voor u zijn, snijd het doormidden.
1 Koningen 3:27 Toen antwoordde de koning en zei: Geef haar het levende kind, en dood het in geen geval: zij is zijn moeder.
1 Koningen 3:28 En heel Is­raël hoorde het oordeel dat de koning geveld had, en men had ontzag voor de koning, want zij zagen dat de wijsheid van God in hem was om recht te doen.

1 Koningen 4

1 Koningen 4:1 Zo was koning Salomo koning over heel Israël.
1 Koningen 4:2 Dit waren de vorsten die hij had: Aza­ria, de zoon van Zadok, was de priester,
1 Koningen 4:3 Elihoref en Ahia, de zonen van Sisa, waren schrijvers. Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
1 Koningen 4:4 Benaja, de zoon van Jojada, ging over het leger, en Zadok en Abjathar waren priesters.
1 Koningen 4:5 En Azaria, de zoon van Nathan, ging over de opzichters, en Zabud, de zoon van Nathan, was priester en vriend van de koning.
1 Koningen 4:6 En Ahisar was hofmeester, en Adoniram, de zoon van Abda, ging over de herendienst.
1 Koningen 4:7 Ook had Salomo twaalf opzichters over heel Israël, die zorg droegen voor het levensonder­houd van de koning en zijn huis. Ieder moest er een maand per jaar zorg voor dragen.
1 Koningen 4:8 En dit zijn hun namen: de zoon van Hur, in het bergland van Efraïm;
1 Koningen 4:9 de zoon van Deker, in Makaz, in Saälbim, Beth-Semes en Elon-Beth-Hanan;
1 Koningen 4:10 de zoon van Hesed in Arubboth, die bovendien Socho en heel het land Hefer had;
1 Koningen 4:11 de zoon van Abinadab in heel het heu­velland van Dor; hij had Tafath, de dochter van Salomo, tot vrouw;
1 Koningen 4:12 Baäna, de zoon van Ahilud in Taänach, Megiddo en heel Beth-Sean, dat bij Zartana ligt, onder Jizreël, van Beth-Sean tot Abel-Mehola, tot aan de andere zijde van Jokmeam;
1 Koningen 4:13 de zoon van Geber, in Ra­moth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead liggen; ook had hij het gebied Argob, dat in Basan ligt: zestig grote steden met muren en bronzen gren­dels;
1 Koningen 4:14 Abinadab, de zoon van Iddo, in Mahanaïm;
1 Koningen 4:15 Ahimaäz in Naftali; ook hij had een dochter van Salomo tot vrouw genomen: Basmath;
1 Koningen 4:16 Baäna, de zoon van Husai, in Aser en in Aloth;
1 Koningen 4:17 Josafat, de zoon van Paruah, in Issaschar;
1 Koningen 4:18 Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin;
1 Koningen 4:19 Geber, de zoon van Uri, in het land Gilead, het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan. Hij was de enige opzichter die er in dat land was.
1 Koningen 4:20 Juda en Israël waren met velen, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn. Zij aten en dronken en waren blij.
1 Koningen 4:21 Salomo heerste over alle koninkrijken van de riv­ier de Eufraat tot het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egypte. Zij brachten ge­schenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven.
1 Koningen 4:22 Het voedsel van Salomo voor één dag was: dertig kor meelbloem en zestig kor meel,
1 Koningen 4:23 tien vetgemeste runderen, twintig weiderunderen en honderd schapen, naast de herten, gazellen, reebokken en gemeste vogels.
1 Koningen 4:24 Want hij heerste over al het land aan deze zijde van de rivier, vanaf Tifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de rivier, en hij had vrede aan al zijn zijden, van ron­dom.
1 Koningen 4:25 En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vij­genboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.
1 Koningen 4:26 Salomo had ook veertigduizend paardenstallen voor zijn wagens, en twaalfduizend ruiters.
1 Koningen 4:27 Die opzichters verzorgden, ieder in zijn maand, het levensonderhoud van koning Salomo en van iedereen die tot de tafel van koning Salomo naderde. Aan niets lieten zij het ontbreken.
1 Koningen 4:28 De gerst nu en het stro voor de paarden en voor de snelle paarden brachten zij naar de plaats waar hij was, ieder vol­gens zijn opdracht.
1 Koningen 4:29 God gaf Salomo wijsheid, zeer veel inzicht en groot verstand , over­vloedig als het zand dat aan de oever van de zee is.
1 Koningen 4:30 De wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van alle mensen van het Oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren,
1 Koningen 4:31 ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan Ethan, de Ezrahiet, Heman, Chalcol en Darda, de zonen van Mahol, en zijn naam was bekend bij alle heidenvolken rondom.
1 Koningen 4:32 Ook sprak hij drieduizend spreuken uit en waren er van hem duizend en vijf liederen.
1 Koningen 4:33 Hij sprak ook over de bomen, van de ceder, die op de Libanon groeit, tot de hysop, die uit de muur komt. Hij sprak ook over het vee, over de vogels, over de kruipende dieren en over de vissen.
1 Koningen 4:34 En uit alle volken kwamen er om naar de wijsheid van Salomo te luisteren, van alle koningen van de aarde die van zijn wijsheid gehoord hadden.

1 Koningen 5

1 Koningen 5:1 Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo, want hij had gehoord dat men Salomo tot koning had gezalfd in de plaats van zijn vader. Hiram was namelijk alle dag­en een vriend geweest van David.
1 Koningen 5:2 Daarop stuurde Salomo Hiram een bode om te zeggen:
1 Koningen 5:3 Ú weet dat mijn vader David geen huis kon bouwen voor de Naam van de HEERE, zijn God, vanwege de oorlog die zij rondom tegen hem voerden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen bracht.
1 Koningen 5:4 Maar de HEERE, mijn God, heeft mij nu rust gegeven van rondom. Er is geen tegenstander en geen dreiging van kwaad.
1 Koningen 5:5 Zie, ik ben van plan voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen, zoals de HEERE tot mijn vader David gesproken heeft: Uw zoon die Ik in uw plaats op uw troon zal zetten, die zal dat huis voor Mijn Naam bouwen.
1 Koningen 5:6 Geef daarom nu de opdracht dat men voor mij ceders van de Libanon kapt. Mijn dienaren zullen met uw dienaren zijn en ik zal u het loon van uw dienaren geven, helemaal zoals u het zegt. Want weet dat er niemand onder ons is die in staat is hout te kappen als de Sidoniërs.
1 Koningen 5:7 Het gebeurde, toen Hiram de woorden van Salomo hoorde, dat hij zich zeer verheugde en zei: Geloofd zij heden de HEERE, Die David een wijze zoon gegeven heeft om over dit grote volk te regeren!
1 Koningen 5:8 En Hiram stuurde Salomo een bode om te zeggen: Ik heb de boodschap gehoord die u mij gestuurd hebt. Ík zal aan al uw wensen om cederhout en ci­pressenhout voldoen.
1 Koningen 5:9 Mijn knechten zullen het van de Libanon naar de zee afvoeren, en ík zal er vlotten van maken voor vervoer over zee naar de plaats die u mij opgeeft. Ik zal ze daar losmaken, zodat u ze mee kunt nemen. Maar dan moet u mijn wens uitvoeren door voed­sel voor mijn huis te geven.
1 Koningen 5:10 Zo gaf Hirom Salomo cederhout en cipressenhout, geheel naar zijn wens.
1 Koningen 5:11 En Salomo gaf Hiram twintigduizend kor tarwe als voedsel voor zijn huis, en twintig kor gestoten olie. Salomo gaf dat aan Hiram jaar op jaar.
1 Koningen 5:12 De HEERE had Salo­mo wijsheid gegeven, zoals Hij tot hem gesproken had. Er was vrede tussen Hiram en Salo­mo, en zij sloten een verbond met elkaar.
1 Koningen 5:13 Koning Salomo liet uit heel Israël mensen op­komen om herendienst te verrichten. Het aantal mensen om herendienst te verrichten bed­roeg dertigduizend man.
1 Koningen 5:14 Hij stuurde hen bij toerbeurt naar de Libanon, tienduizend per maand. Een maand waren zij in de Libanon en twee maanden thuis. Adoniram ging over de herendienst.
1 Koningen 5:15 Verder had Salomo zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steen­houwers in het bergland,
1 Koningen 5:16 nog afgezien van de opzichters die door Salomo aangesteld waren en die over het werk gingen: drieëndertighonderd man die leiding gaven aan het volk dat het werk verrichtte.
1 Koningen 5:17 Als de koning daartoe de opdracht gaf, voerden zij grote stenen aan, kostbare stenen, gehouwen stenen, om de fundering van het huis te leggen.
1 Koningen 5:18 De bouwers van Salomo, de bouwers van Hirom, en de vaklieden uit Gebal bewerkten ze. Verder maakten zij het hout en de stenen gereed om het huis te bouwen.

1 Koningen 6

1 Koningen 6:1 Het gebeurde nu in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van het koningschap van Salomo over Israël, in de maand Ziv (dat is de tweede maand), dat hij het huis van de HEERE bouwde.
1 Koningen 6:2 En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig el in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte.
1 Koningen 6:3 En de voorhal, vr aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, en tien el in zijn breedte, vr aan het huis.
1 Koningen 6:4 Hij maakte voor het huis vensters voorzien van kozijnen met traliewerk.
1 Koningen 6:5 En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, zowel van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom.
1 Koningen 6:6 De onderste verdieping van deze uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis.
1 Koningen 6:7 Het huis nu werd, toen het gebouwd werd, met afgewerkte stenen gebouwd, zoals die waren aangevoerd, zodat geen hamers of bijlen of enig ander ijzeren gereedschap in het huis gehoord werden toen het gebouwd werd.
1 Koningen 6:8 De ingang van de middelste zijkamer bev­ond zich aan de rechterzijde van het huis. En met wenteltrappen ging men naar boven naar de middelste verdieping en van de middelste naar de derde.
1 Koningen 6:9 Zo bouwde hij het huis en voltooide het. Hij bedekte het huis met dwarsbalken en rijen van ceders.
1 Koningen 6:10 Hij bouwde ook de uitbouw tegen heel het huis, vijf el in zijn hoogte, en hij bevestigde die aan het huis met ce­derhout.
1 Koningen 6:11 Toen kwam het woord van de HEERE tot Salomo:
1 Koningen 6:12 Wat dit huis betreft, dat u aan het bouwen bent, als u overeenkomstig Mijn verordeningen wandelt, Mijn bepalingen houdt, al Mijn geboden in acht neemt door overeenkomstig daarmee te wandelen, dan zal ik Mijn woord, dat Ik tot uw vader David gesproken heb, aan u gestand doen.
1 Koningen 6:13 Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten.
1 Koningen 6:14 Zo bouwde Sal­omo het huis en voltooide het.
1 Koningen 6:15 Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met cederhouten planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden ter hoogte van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van ci­pressen.
1 Koningen 6:16 Verder bouwde hij de laatste twintig el vanaf de achterzijde van het huis met ce­derhouten planken tot een vertrek, vanaf de vloer tot aan de wanden ter hoogte van het dak. Hij bouwde het voor Hem binnenin tot een binnenste heiligdom, tot het heilige der heiligen.
1 Koningen 6:17 Het huis nu was veertig el, dat wil zeggen de grote zaal aan de voorzijde.
1 Koningen 6:18 Het cederh­out van het huis aan de binnenkant was voorzien van houtsnijwerk met kolokwinten en on­tluikende bloemen. Het was één en al cederhout, er was geen steen te zien.
1 Koningen 6:19 Het bin­nenste heiligdom midden in het huis maakte hij binnenin gereed, om daar de ark van het ver­bond van de HEERE te plaatsen.
1 Koningen 6:20 Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in zijn lengte, twintig el in zijn breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van cederhout daarmee.
1 Koningen 6:21 Salomo overtrok het huis vanbinnen met bladgoud, en hij hing gouden kettingen voor het binnenste heiligdom, dat hij met goud overtrokken had.
1 Koningen 6:22 Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud.
1 Koningen 6:23 In het binnenste heiligdom maakte hij twee cherubs van olijfwilgenhout, elk tien el in zijn hoogte.
1 Koningen 6:24 Nu was de ene vleugel van de cherub vijf el en de andere vleugel van de cher­ub was ook vijf el. De afstand van het einde van zijn ene vleugel tot aan het einde van zijn an­dere vleugel was tien el.
1 Koningen 6:25 Ook de andere cherub was tien el. Beide cherubs hadden één maat en één vorm.
1 Koningen 6:26 De hoogte van de ene cherub was tien el, evenals die van de andere cherub.
1 Koningen 6:27 Hij zette de cherubs midden in het binnenste huis. De cherubs spreidden hun vleugels zo uit, dat de vleugel van de ene de ene wand raakte, en de vleugel van de andere cherub de andere wand raakte. En hun andere vleugels raakten elkaar in het midden van het huis, vleugel aan vleugel.
1 Koningen 6:28 Hij overtrok de cherubs met goud.
1 Koningen 6:29 En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en on­tluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten.
1 Koningen 6:30 En de vloer van het huis overtrok hij van­binnen en vanbuiten met goud.
1 Koningen 6:31 Voor de ingang van het binnenste heiligdom maakte hij deuren van olijfwilgenhout. Het raamwerk van de deurposten vormde een vijfhoek.
1 Koningen 6:32 De twee deuren waren ook van olijfwilgenhout. Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, da­delpalmen en ontluikende bloemen, die hij met goud overtrok. Ook op de cherubs en op de dadelpalmen bracht hij goud aan.
1 Koningen 6:33 Zo maakte hij ook voor de ingang van de grote zaal deurposten van olijfwilgenhout, vierhoekig in vorm,
1 Koningen 6:34 met twee deuren van cipressenhout. Twee zijden van de ene deur waren draaibaar en twee zijden van de andere deur waren draai­baar.
1 Koningen 6:35 Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde.
1 Koningen 6:36 Daarna bouwde hij de binnenste voorhof van drie lagen gehouwen stenen en een laag balken van cederhout.
1 Koningen 6:37 In het vierde jaar werd de fundering van het huis van de HEERE gelegd, in de maand Ziv.
1 Koningen 6:38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, dat is de achtste maand, had hij de bouw van het huis voltooid, helemaal volgens de afspraken erover en helemaal volgens de bepaling daarom­trent. Dus bouwde hij het in zeven jaar.

1 Koningen 7

1 Koningen 7:1 Aan zijn eigen huis heeft Salomo echter dertien jaar gebouwd, en hij voltooide zijn hele huis.
1 Koningen 7:2 En hij bouwde het huis van het Woud van de Libanon, honderd el in zijn lengte, vijf­tig el in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte, met vier rijen van cederhouten pilaren, en ce­derhouten balken op de pilaren.
1 Koningen 7:3 Verder was het bedekt met cederhout vanboven op de steunberen, die op vijfenveertig pilaren rustten, vijftien per rij.
1 Koningen 7:4 Er waren drie rijen raam­kozijnen, en venster lag tegenover venster, driemaal.
1 Koningen 7:5 Ook waren alle deuropeningen en posten vierhoekig van kozijn, en venster lag tegenover venster, driemaal.
1 Koningen 7:6 Ook maakte hij een voorhal van pilaren, vijftig el in zijn lengte, en dertig el in zijn breedte, met een kleinere voorhal ervoor, en pilaren met een afdak daar weer voor.
1 Koningen 7:7 Verder maakte hij de voorhal voor de troon, waar hij rechtsprak, de rechtszaal, die van vloer tot vloer met cederhout bedekt was.
1 Koningen 7:8 Bij zijn huis, waar hij woonde, was een andere voorhof, meer binnen in het huis dan de voorhal. Van dezelfde constructie was het. Ook maakte hij voor de dochter van de farao, die Salomo tot vrouw genomen had, eenzelfde huis als deze voorhal.
1 Koningen 7:9 Dit alles was van kostbare stenen gemaakt, gehouwen steen, met een zaag vanbinnen en vanbuiten op maat ge­zaagd, vanaf het fundament tot de daklijst en van buiten tot aan de grote voorhof.
1 Koningen 7:10 Verder was het gefundeerd met kostbare stenen, grote stenen, stenen van tien el en stenen van acht el,
1 Koningen 7:11 en daarbovenop kostbare stenen: op maat gemaakte gehouwen steen, en cederhout.
1 Koningen 7:12 En rondom was de grote voorhof ommuurd met drie lagen gehouwen steen en een laag van cederhouten balken. Zo was het ook met de binnenste voorhof van het huis van de HEERE, en met de voorhal van dat huis.
1 Koningen 7:13 Koning Salomo stuurde een bode en liet Hiram uit Tyrus halen.
1 Koningen 7:14 Hij was de zoon van een vrouw die weduwe was uit de stam van Naftali, en zijn vader was een man uit Tyrus, een koperwerker. Hij was vol van wijsheid en inzicht, en van de kennis om allerlei werk in koper te maken. Hij kwam bij koning Salomo in dienst en deed al diens koperwerk.
1 Koningen 7:15 Zo vervaardigde hij twee koperen pilaren. De hoogte van de ene pilaar was achttien el, en een draad van twaalf el omspande de andere pilaar.
1 Koningen 7:16 Hij maakte ook twee kapitelen van gegoten koper, om boven op de pilaren te plaatsen. De hoogte van het ene kapiteel was vijf el en de hoogte van het andere kapiteel was vijf el.
1 Koningen 7:17 Hij maakte vlechtwerk, constructies van vlechtwerk, en kwasten, constructies van kettingen, voor de ka­pitelen die boven op de pilaren lagen. Zeven waren er voor het ene kapiteel en zeven voor het andere kapiteel.
1 Koningen 7:18 Zo maakte hij de pilaren, met twee rijen granaatappels rondom over het ene vlechtwerk, om de kapitelen, die boven op de granaatappels lagen, te bedekken. Zo deed hij ook met het andere kapiteel.
1 Koningen 7:19 De kapitelen die boven op de pilaren in de voorhal lagen, hadden de vorm van een lelie, vier el hoog.
1 Koningen 7:20 De kapitelen lagen op de twee pilaren, en wel vlak boven de uitstulping die zich aan de andere zijde van het vlechtwerk bevond, met twee­honderd granaatappels in rijen eromheen, ook over het andere kapiteel.
1 Koningen 7:21 Vervolgens richtte hij de pilaren op in de voorhal van de tempel. Hij richtte de rechterpilaar op en gaf die de naam Jachin. Daarna richtte hij de linkerpilaar op en gaf die de naam Boaz.
1 Koningen 7:22 Boven op de pilaren lagen dus kapitelen in de vorm van een lelie. Zo werd het werk aan de pilaren vol­tooid.
1 Koningen 7:23 Verder maakte hij de gegoten zee; tien el van zijn ene rand tot zijn andere rand, helemaal rond en vijf el in zijn hoogte: een meetlint van dertig el kon hem rondom omspan­nen.
1 Koningen 7:24 Onder zijn rand zaten kolokwinten, die hem rondom omringden, tien per el, om heel de zee heen. Twee rijen kolokwinten waren bij het gieten ervan meegegoten.
1 Koningen 7:25 Hij stond op twaalf runderen, drie naar het noorden gekeerd, drie naar het westen gekeerd, drie naar het zuiden gekeerd en drie naar het oosten gekeerd, en de zee stond daarbovenop. Al hun achterlijven waren naar binnen gekeerd.
1 Koningen 7:26 En zijn dikte was een handbreed en zijn rand had de vorm van de rand van een beker, als een leliebloesem. Hij kon tweeduizend bath bevatten.
1 Koningen 7:27 Hij maakte ook tien koperen onderstellen. De lengte van een onderstel was vier el, zijn breedte was vier el en zijn hoogte was drie el.
1 Koningen 7:28 En dit was de constructie van een onderstel: Zij bestonden uit panelen, namelijk panelen tussen dwarsstangen.
1 Koningen 7:29 Op de panelen die tussen de dwarsstangen zaten, stonden leeuwen, runderen en cherubs, en op de dwarsstangen evenzo. Boven en onder de leeuwen en de runderen waren naar beneden hang­ende kransen.
1 Koningen 7:30 Een onderstel had vier koperen wielen en koperen assen, en de vier hoek­en ervan hadden steunen. Onder het spoelbekken waren de steunen gegoten en tegenover elke steun zaten kransen.
1 Koningen 7:31 De opening ervan zat binnen in het opzetstuk en stak er een el bovenuit. De opening ervan was rond, van dezelfde vorm als het spoelbekken, anderhalve el. En ook op de opening ervan zaten graveringen. Hun panelen waren vierkant, niet rond.
1 Koningen 7:32 De vier wielen zaten onder aan de panelen en de assen van de wielen zaten aan het onderstel. De hoogte van één wiel was anderhalve el.
1 Koningen 7:33 De constructie van de wielen was als de con­structie van een wagenwiel. Hun assen, hun velgen, hun spaken en hun naven waren allemaal gegoten.
1 Koningen 7:34 En er zaten vier steunen op de vier hoeken van een onderstel. Zijn steunen vormden één geheel met het onderstel.
1 Koningen 7:35 Verder zat er boven aan het onderstel een ronde opstaande rand van een halve el in de rondte. Aan de bovenkant van het onderstel zaten de draagstukken ervan en de panelen ervan, die er één geheel mee vormden.
1 Koningen 7:36 Op de vlakken van de draagstukken ervan en op de panelen ervan graveerde hij cherubs, leeuwen en dadel­palmen, op ieder leeg vlak, met kransen eromheen.
1 Koningen 7:37 Op dezelfde manier maakte hij de tien onderstellen: eenzelfde gietsel, eenzelfde maat, eenzelfde vorm voor hen alle.
1 Koningen 7:38 Hij maakte ook tien koperen spoelbekkens. Eén spoelbekken kon veertig bath bevatten. Eén spoelbekken was vier el in doorsnee. Op één onderstel van die tien onderstellen zat één was­vat.
1 Koningen 7:39 Hij plaatste vijf onderstellen aan de rechterzijde van het huis en vijf aan de linker­zijde van het huis. De zee plaatste hij aan de rechterzijde van het huis, in zuidoostelijke richt­ing.
1 Koningen 7:40 Verder maakte Hirom de spoelbekkens, de scheppen en de sprengbekkens; en Hir­am voltooide al het werk dat hij voor koning Salomo maakte ten behoeve van het huis van de HEERE,
1 Koningen 7:41 te weten de twee pilaren met de bollen van de kapitelen die boven op de twee pi­laren lagen, en de twee vlechtwerken om de twee bollen van de kapitelen die boven op de pila­ren lagen, te bedekken,
1 Koningen 7:42 de vierhonderd granaatappels voor de twee vlechtwerken, twee rijen granaatappels per vlechtwerk, om de twee bollen van de kapitelen die op de pilaren la­gen, te bedekken,
1 Koningen 7:43 en de tien onderstellen en de tien spoelbekkens op de onderstellen.
1 Koningen 7:44 Verder maakte hij de ene zee en de twaalf runderen onder de zee,
1 Koningen 7:45 ook de potten, de scheppen en de sprengbekkens: al deze voorwerpen, die Hiram voor koning Salomo ten be­hoeve van het huis van de HEERE maakte, alles van gepolijst koper.
1 Koningen 7:46 In de vlakte van de Jordaan liet de koning ze gieten, tussen Sukkoth en Zartan, in vormen van zware klei.
1 Koningen 7:47 Salomo liet al deze voorwerpen ongewogen vanwege de zeer grote hoeveelheid. Het gewicht van het koper werd niet nagegaan.
1 Koningen 7:48 Ook maakte Salomo alle voorwerpen die voor het huis van de HEERE bestemd waren: het gouden altaar, de gouden tafel waarop de toonbro­den lagen,
1 Koningen 7:49 de kandelaars, vijf aan de rechterzijde en vijf aan de linkerzijde, vr het bin­nenste heiligdom, van bladgoud, de bloesems, de lampen en de snuiters van goud,
1 Koningen 7:50 de schalen, de messen, de sprengbekkens, de kommen, de vuurschalen van bladgoud en de scharnieren van de deuren van het binnenste huis, voor het heilige der heiligen, en voor de deuren van het binnenste deel van de tempel, alles van goud.
1 Koningen 7:51 Zo werd al het werk dat koning Salomo voor het huis van de HEERE verrichtte, voltooid. Daarna bracht Salomo de geheiligde gaven van zijn vader David over. Het zilver, het goud en de voorwerpen legde hij in de schatkamers van het huis van de HEERE.

1 Koningen 8

1 Koningen 8:1 Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen en alle hoofden van de stammen, de leiders van de families onder de Israëlieten, bij koning Salomo in Jeruzalem, om de ark van het ver­bond van de HEERE over te brengen uit de stad van David, dat is Sion.
1 Koningen 8:2 Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen voor het feest in de maand Ethanim, dat is de ze­vende maand.
1 Koningen 8:3 Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters namen de ark op
1 Koningen 8:4 en zij brachten de ark van de HEERE en de tent van ontmoeting over met alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze over.
1 Koningen 8:5 Koning Salomo nu en de hele gemeenschap van Israël, die zich bij hem had verzameld, stonden gezamenlijk vr de ark. Zij offerden schapen en runderen, die vanwege hun grote hoeveelheid niet geschat of ge­teld konden worden.
1 Koningen 8:6 Zo brachten de priesters de ark van het verbond van de HEERE op zijn plaats, tot in het binnenste heiligdom van het huis, tot in het heilige der heiligen, tot on­der de vleugels van de cherubs.
1 Koningen 8:7 Want de cherubs spreidden beide vleugels uit over de plaats van de ark: de cherubs bedekten de ark en zijn draagbomen vanboven.
1 Koningen 8:8 Daarna schoven zij de draagbomen verder uit, zodat de uiteinden van de draagbomen wel zichtbaar waren vanuit het heiligdom vr het binnenste heiligdom, maar buiten niet zichtbaar waren. Zij zijn daar tot op deze dag.
1 Koningen 8:9 Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb daarin gelegd had, toen de HEERE een verbond gesloten had met de Isra­ëlieten, toen zij uit het land Egypte waren vertrokken.
1 Koningen 8:10 En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.
1 Koningen 8:11 Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.
1 Koningen 8:12 Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd in een donkere wolk te zullen wonen.
1 Koningen 8:13 Ik heb immers een huis gebouwd als woning voor U, een vaste woonplaats voor U, in alle eeuwigheid.
1 Koningen 8:14 Daarna keerde de koning zich om en ze­gende heel de gemeente van Israël, terwijl heel de gemeente van Israël stond.
1 Koningen 8:15 Hij zei: Ge­loofd zij de HEERE, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en dat met Zijn hand heeft vervuld, toen Hij zei:
1 Koningen 8:16 Vanaf de dag dat Ik Mijn volk Is­raël uit Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad verkozen om er een huis te bouwen, zodat Mijn Naam daar zou zijn, maar Ik heb David verkozen om koning te zijn over Mijn volk Israël.
1 Koningen 8:17 Het was in het hart van mijn vader David om een huis te bou­wen voor de Naam van de HEERE, de God van Israël.
1 Koningen 8:18 Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Dat het in uw hart was om voor Mijn Naam een huis te bouwen, daar hebt u goed aan gedaan, dat dit in uw hart was.
1 Koningen 8:19 U echter zult dat huis niet bouwen, maar uw zo­on, die uit uw lichaam zal voortkomen, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen.
1 Koningen 8:20 Zo heeft de HEERE Zijn woord dat Hij gesproken had, gestand gedaan, want ik ben in de plaats van mijn vader David opgestaan, en ik heb op de troon van Israël plaatsgenomen, zoals de HEERE gesproken heeft, en ik heb voor de Naam van de HEERE, de God van Israël, dit huis gebouwd.
1 Koningen 8:21 Ik heb daar een plaats toegewezen voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt dat Hij met onze vaderen sloot, toen Hij hen uit het land Egypte leidde.
1 Koningen 8:22 Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover heel de gemeente van Isra­ël, en hij spreidde zijn handen uit naar de hemel
1 Koningen 8:23 en zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde, Die het verbond en de goeder­tierenheid houdt tegenover Uw dienaren, die met heel hun hart wandelen voor Uw aange­zicht,
1 Koningen 8:24 Die Zich tegenover Uw dienaar, mijn vader David, gehouden hebt aan wat U tot hem had gesproken. Want met Uw mond sprak U, en dat hebt U met Uw hand vervuld, zoals het op deze dag is.
1 Koningen 8:25 En nu HEERE, God van Israël, houd U tegenover mijn vader David, Uw dienaar, aan wat U tot hem gesproken hebt: Het zal u voor Mijn aangezicht niet aan een man ontbreken die op de troon van Israël zal zitten, tenminste, wanneer uw zonen op hun weg letten door voor Mijn aangezicht te wandelen, zoals u voor Mijn aangezicht gewandeld hebt.
1 Koningen 8:26 Nu dan, God van Israël, laat toch Uw woorden, die U tot Uw dienaar, mijn vader David, sprak, bewaarheid worden.
1 Koningen 8:27 Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb!
1 Koningen 8:28 Schenk dan aandacht aan het gebed van Uw dienaar en aan zijn smeekbede, HEERE, mijn God, door te luisteren naar het roepen en naar het gebed dat Uw dienaar heden voor Uw aangezicht bidt.
1 Koningen 8:29 Laten Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U hebt gezegd: Mijn Naam zal daar zijn, om te luisteren naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.
1 Koningen 8:30 Luister dan naar de smeekbede van Uw dienaar en Uw volk Israël, die zij op deze plaats zullen bidden. En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef.
1 Koningen 8:31 Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en deze hem een eed oplegt, zodat hij een vervloeking over zichzelf afroept, en deze eed voor Uw altaar in dit huis komt,
1 Koningen 8:32 luistert Ú dan in de hemel, grijp in, en spreek recht over Uw dienaren, door de schuldige schuldig te verklaren en zijn weg op zijn eigen hoofd te doen neerkomen, door de rechtvaardige rechtvaardig te verklaren, en hem overeenkomstig zijn gerechtigheid te ver­gelden.
1 Koningen 8:33 Wanneer Uw volk Israël door de vijand wordt verslagen, omdat zij tegen U heb­ben gezondigd, en zij zich tot U bekeren, Uw Naam belijden en tot U in dit huis zullen biddenen smeken,
1 Koningen 8:34 luistert Ú dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen terug naar het land dat U aan hun vaderen gegeven hebt.
1 Koningen 8:35 Als de hemel gesloten is en er geen regen komt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij op deze plaats bidden, Uw Naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat U hen vernederde,
1 Koningen 8:36 luistert Ú dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan, en geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk als erfelijk bezit hebt gegeven.
1 Koningen 8:37 Als er honger in het land is, als er pest is, als er korenbrand, meel­dauw, veldsprinkhanen en zwermsprinkhanen komen, als zijn vijand hem benauwt in het land met zijn steden, als er enige plaag of enige ziekte komt,
1 Koningen 8:38 elk gebed, elke smeekbede die er zal zijn van ieder mens uit heel Uw volk Israël, als eenieder de plaag van zijn hart er­kent en naar dit huis zijn handen uitstrekt,
1 Koningen 8:39 luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woon­plaats, vergeef, en grijp in, en geef eenieder naar al zijn wegen, U, Die zijn hart kent. U alleen kent immers het hart van alle mensenkinderen,
1 Koningen 8:40 opdat zij U vrezen alle dagen die zij lev­en op de grond die U onze vaderen gegeven hebt.
1 Koningen 8:41 Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam
1 Koningen 8:42 – want zij zullen horen van Uw grote Naam, van Uw sterke hand en van Uw uitgestrekte arm – wanneer hij komt en naar dit huis zijn gebed richt,
1 Koningen 8:43 luistert Ú dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en doe overeenkomstig alles wat de vreemdeling tot U roepen zal, opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël, en erkennen dat Uw Naam is uitgeroepen over dit huis dat ik gebouwd heb.
1 Koningen 8:44 Wanneer Uw volk uittrekt ten strijde tegen zijn vijand, op de weg waarheen U hen zendt, en zij bidden tot de HEERE, in de richting van deze stad, die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam heb ge­bouwd,
1 Koningen 8:45 luistert U dan in de hemel naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht.
1 Koningen 8:46 Wanneer zij tegen U hebben gezondigd – er is immers geen mens die niet zondigt – en U toornig op hen bent, en hen overlevert aan de vijand, zodat zij die hen gevangengeno­men hebben, hen als gevangenen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij,
1 Koningen 8:47 en zij het in het land waarheen zij als gevangenen werden weggevoerd, ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken in het land van hen die hen gevangengenomen hebben, door te zeggen: Wij hebben gezondigd en ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld,
1 Koningen 8:48 en als zij zich in het land van hun vijanden die hen als gevangenen weggevoerd hebben, tot U be­keren met heel hun hart en met heel hun ziel, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaderen gegeven hebt, en van de stad die U verkozen hebt, en van het huis dat ik voor Uw Naam gebouwd heb,
1 Koningen 8:49 luistert U dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.
1 Koningen 8:50 Vergeef Uw volk datgene waarmee zij tegen U zondigden, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U overtraden, en geef hun ontferming bij hen die hen als gevangenen wegvoerden, zodat die zich over hen ontfermen.
1 Koningen 8:51 Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.
1 Koningen 8:52 Laten Uw ogen dan open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en voor de smeekbede van Uw volk Israël, door naar hen te luisteren bij al hun roepen tot U,
1 Koningen 8:53 want Ú hebt hen voor Uzelf als Uw eigendom afgezonderd uit alle volken van de aarde, zoals U gesproken hebt door de dienst van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaderen uit Egypte leidde, Heere HEERE!
1 Koningen 8:54 Het gebeurde nu, toen Salomo geëindigd had heel dit gebed en deze smeekbede tot de HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar van de HEERE uit zijn geknielde houding opstond en zijn handen uitspreidde naar de hemel.
1 Koningen 8:55 Zo stond hij daar en zegende heel de gemeente van Israël en zei met luide stem:
1 Koningen 8:56 Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust gegeven heeft, overeenkomstig alles wat Hij gesproken heeft! Niet één woord is onvervuld gebleven van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn dienaar.
1 Koningen 8:57 Moge de HEERE, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaderen is geweest. Moge Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten,
1 Koningen 8:58 door ons hart voor Zich te winnen, zodat wij in al Zijn wegen gaan en Zijn geboden, Zijn verorde­ningen en Zijn bepalingen, die Hij onze vaderen geboden heeft, in acht nemen.
1 Koningen 8:59 Laten deze woorden van mij, waarmee ik voor het aangezicht van de HEERE gesmeekt heb, dag en nacht dicht bij de HEERE, onze God, zijn, zodat Hij recht verschaft aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël, zoals elke dag vereist,
1 Koningen 8:60 opdat alle volken van de aarde weten: de HEERE, Hij is God en niemand anders.
1 Koningen 8:61 Laat uw hart volkomen met de HEERE, onze God, zijn, door te wandelen overeenkomstig Zijn verordeningen en Zijn geboden in acht te nemen, zoals op deze dag.
1 Koningen 8:62 De koning nu, en heel Israël met hem, bracht offers voor het aangezicht van de HEERE.
1 Koningen 8:63 Salomo bracht een dankoffer dat hij aan de HEERE offerde: tweeëntwintig-duizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en alle Israëliet­en het huis van de HEERE in.
1 Koningen 8:64 Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof, die vr het huis van de HEERE ligt, omdat hij daar het brandoffer en het graanoffer had be­reid met het vet van de dankoffers, want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE stond, was te klein om de brandoffers, de graanoffers en het vet van de dankoffers te bevatten.
1 Koningen 8:65 In die tijd hield Salomo ook het feest, en heel Israël met hem, een grote me­nigte, vanaf Lebo-Hamath tot de Beek van Egypte, voor het aangezicht van de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen: veertien dagen.
1 Koningen 8:66 Op de achtste dag liet hij het volk gaan en zij zegenden de koning. Daarna gingen zij naar hun tenten, blij en wel­gemoed over al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David, en aan Zijn volk Israël, had gedaan.

1 Koningen 9

1 Koningen 9:1 Het gebeurde nu, toen Salomo de bouw van het huis van de HEERE en het huis van de koning voltooid had, en toen Salomo al zijn wensen, die hij uit wilde voeren, ten uitvoer had gebracht,
1 Koningen 9:2 dat de HEERE voor de tweede maal aan Salomo verscheen, zoals Hij aan hem in Gibeon verschenen was.
1 Koningen 9:3 De HEERE zei tegen hem: Ik heb uw gebed en uw smeekbede gehoord, die u voor Mijn aangezicht gesmeekt hebt. Ik heb dit huis dat u gebouwd hebt, ge­heiligd om Mijn Naam daar tot in eeuwigheid te vestigen. Alle dagen zullen Mijn ogen en Mijn hart daar zijn.
1 Koningen 9:4 En u, wanneer u voor Mijn aangezicht wandelt, zoals uw vader David met een volkomen hart en in oprechtheid gewandeld heeft, door te handelen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb, en u Mijn verordeningen en bepalingen in acht neemt,
1 Koningen 9:5 dan zal Ik de troon van uw koningschap over Israël voor eeuwig bevestigen, zoals Ik met betrekking tot uw vader David gesproken heb: Het zal u niet ontbreken aan een man op de troon van Is­raël.
1 Koningen 9:6 Maar als u en uw kinderen zich ooit van achter Mij afkeren en Mijn geboden en Mijn verordeningen, die Ik u voorgehouden heb, niet in acht nemen, maar andere goden gaan di­enen en zich voor hen neerbuigen,
1 Koningen 9:7 dan zal Ik Israël uitroeien uit het land dat Ik hun geg­even heb, en zal Ik het huis, dat Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, van voor Mijn aangezicht wegwerpen, en zal Israël onder alle volken tot een spreekwoord en een voorwerp van spot worden.
1 Koningen 9:8 En dit huis zal een ruïne worden. Ieder die er voorbijgaat, zal zich ontzetten, sis­sen van afschuw en zeggen: Waarom heeft de HEERE zo gedaan met dit land en met dit huis?
1 Koningen 9:9 Dan zal men zeggen: Omdat zij de HEERE, hun God, hebben verlaten, Die hun vaderen uit het land Egypte had geleid. Zij klampten zich vast aan andere goden en gingen zich voor hen neerbuigen en hen dienen. Daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.
1 Koningen 9:10 En het gebeurde na verloop van twintig jaar, waarin Salomo de twee huizen gebouwd had, het huis van de HEERE en het huis van de koning,
1 Koningen 9:11 dat koning Salomo aan Hiram twintig ste­den in het land van Galilea gaf. Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo gesteund met ce­derhout, met cipressenhout en met goud, overeenkomstig al zijn wensen.
1 Koningen 9:12 En Hiram ver­trok uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem had gegeven, maar ze waren niet goed in zijn ogen.
1 Koningen 9:13 Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder? En hij noemde ze het land Kabul, zoals het tot op deze dag heet.
1 Koningen 9:14 En Hiram stuurde de koning honderdtwintig talent goud.
1 Koningen 9:15 Dit nu is de kwestie van de lichting voor de herendienst, die koning Salomo liet opkomen om het huis van de HEERE, zijn eigen huis, de Millo, de muur van Jeruzalem, Hazor, Meggido en Gezer te bouwen.
1 Koningen 9:16 Farao, de koning van Egypte, was namelijk opgetrokken en had Gezer ingenomen en het met vuur verbrand, de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood, en het aan zijn dochter, de vrouw van Salomo, als geschenk gegeven.
1 Koningen 9:17 Salomo heeft toen Gezer herbouwd, en ook Laag-Beth-Horon,
1 Koningen 9:18 Baälath en Tamor in de woestijn, in dat land,
1 Koningen 9:19 al de voorraadsteden die Salomo had, de wagensteden, de ruitersteden, al wat hij maar verlangde te bouwen, in Jeruzalem, op de Li­banon en in heel het land van zijn heerschappij.
1 Koningen 9:20 Al het volk dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet bij de Israëlieten behoor­den,
1 Koningen 9:21 hun nakomelingen, die na hen in het land waren overgebleven en die de Israëlieten niet met de ban hadden kunnen slaan, hen liet Salomo opkomen om in herendienst te werk­en, tot op deze dag.
1 Koningen 9:22 Uit de Israëlieten echter stelde Salomo geen slaaf aan. Zij waren im­mers strijdbare mannen, zijn dienaren, zijn bevelhebbers en zijn officieren: de bevelhebbers over zijn wagens en zijn ruiters.
1 Koningen 9:23 Dit waren de opzichters over hen die aangesteld waren en die over het werk van Salomo gingen, vijfhonderdvijftig man, die de leiding hadden over het volk dat het werk verrichtte.
1 Koningen 9:24 Zodra de dochter van de farao vertrokken was uit de stad van David naar haar huis, dat Salomo voor haar had gebouwd, toen heeft hij de Millo ge­bouwd.
1 Koningen 9:25 Salomo bracht driemaal per jaar brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor de HEERE had gebouwd en ook bracht hij er reukoffers, namelijk op het altaar dat voor het aangezicht van de HEERE stond, toen hij het huis voltooid had.
1 Koningen 9:26 Koning Salomo bouwde ook een vloot in Ezeon-Geber, dat bij Eloth ligt, aan de oever van de Schelfzee, in het land Edom.
1 Koningen 9:27 En Hiram stuurde zijn dienaren mee met de vloot: scheepslieden, kenners van de zee, samen met de dienaren van Salomo.
1 Koningen 9:28 En zij kwamen in Ofir en haalden daar goud vandaan, vierhonderdtwintig talent, en brachten het naar koning Salomo.

1 Koningen 10

1 Koningen 10:1 Toen de koningin van Sjeba het gerucht over Salomo in verband met de Naam van de HEERE hoorde, kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen.
1 Koningen 10:2 Zij kwam naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg, met kamelen, beladen met specerijen, met zeer veel goud, en met edelstenen. Zij kwam bij Salomo en sprak tot hem over alles wat zij op haar hart had.
1 Koningen 10:3 En Salomo verklaarde haar al haar vragen. Geen ding was voor de koning verbor­gen dat hij haar niet kon verklaren.
1 Koningen 10:4 Toen de koningin van Sjeba alle wijsheid van Salomo zag, en het huis dat hij had gebouwd,
1 Koningen 10:5 het voedsel op zijn tafel, hoe zijn dienaren aanzat­en, hoe zijn bedienden klaarstonden, hun kleding, zijn schenkers, zijn brandoffers, die hij bracht in het huis van de HEERE, was zij buiten zichzelf.
1 Koningen 10:6 Zij zei tegen de koning: Het was de waarheid, wat ik in mijn land over uw woorden en over uw wijsheid gehoord heb.
1 Koningen 10:7 Maar ik geloofde die woorden niet, totdat ik kwam en mijn eigen ogen het zagen. Zie, nog niet de helft was mij verteld. U hebt wat uw wijsheid en welstand betreft het gerucht dat ik ge­hoord had, overtroffen.
1 Koningen 10:8 Gelukkig zijn uw mannen, gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan en uw wijsheid horen!
1 Koningen 10:9 Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u op de troon van Israël te zetten! Omdat de HEERE Isra­ël voor eeuwig liefheeft, daarom heeft Hij u tot koning aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
1 Koningen 10:10 Zij gaf de koning honderdtwintig talent goud en zeer veel specerijen en edelste­nen. Zo’n grote hoeveelheid specerijen als die de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer gekomen.
1 Koningen 10:11 Ook bracht de vloot van Hiram, die goud uit Ofir vervoerde, zeer veel sandelhout en edelstenen uit Ofir.
1 Koningen 10:12 De koning maakte van dit sandelhout steun­balken voor het huis van de HEERE en voor het huis van de koning, en luiten en harpen voor de zangers. Zulk sandelhout is er niet meer gekomen of gezien tot op deze dag.
1 Koningen 10:13 Koning Salomo gaf de koningin van Sjeba overeenkomstig al haar wensen, alles waar zij om vroeg, meer dan wat Salomo haar al gegeven had, overeenkomstig het vermogen van de koning. Daarna keerde zij terug en ging naar haar land, zij en haar dienaren.
1 Koningen 10:14 Het gewicht van het goud dat in één jaar voor Salomo binnenkwam, was zeshonderdzesenzestig talent goud,
1 Koningen 10:15 afgezien van de inkomsten van de rondtrekkende kooplui en de winst van de hande­laars, van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land.
1 Koningen 10:16 Ook maakte koning Salomo tweehonderd grote schilden van gedreven goud. Zeshonderd sikkel goud ging op aan één schild.
1 Koningen 10:17 Verder driehonderd kleine schilden van gedreven goud; drie pond goud liet hij opgaan aan één schild. De koning legde ze in het huis van het Woud van de Liba­non.
1 Koningen 10:18 Ook maakte de koning een grote ivoren troon en overtrok die met zuiver goud.
1 Koningen 10:19 Deze troon had zes treden en de bovenzijde van de troon was vanachteren rond, aan beide zijden van de zitplaats zaten leuningen, en bij die leuningen stonden twee leeuwen.
1 Koningen 10:20 Er stonden daar dus twaalf leeuwen op de zes treden, aan beide zijden. Zoiets werd er voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt.
1 Koningen 10:21 Verder was al het drinkgerei van koning Salo­mo van goud, en alle voorwerpen in het huis van het Woud van de Libanon waren van bladg­oud. Er was niets van zilver. Dat werd in de dagen van Salomo als niets geacht.
1 Koningen 10:22 De kon­ing had namelijk een Tarsisvloot op zee, samen met de vloot van Hiram. Eens in de drie jaar liep de Tarsisvloot binnen, beladen met goud, zilver, ivoor, apen en pauwen.
1 Koningen 10:23 Zo werd koning Salomo, wat rijkdom en wijsheid betrof, aanzienlijker dan alle koningen van de aarde.
1 Koningen 10:24 En de hele wereld zocht Salomo op, om zijn wijsheid te horen, die God hem in zijn hart had gegeven.
1 Koningen 10:25 Ieder van hen bracht zijn geschenk mee: zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen, kleding, wapens, specerijen, paarden en muildieren, jaar op jaar het toegezegde geschenk.
1 Koningen 10:26 Verder verzamelde Salomo strijdwagens en ruiters. Hij had veertienhonderd strijdwagens en twaalfduizend ruiters. Hij bracht ze onder in de wagensteden en bij de kon­ing in Jeruzalem.
1 Koningen 10:27 De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo overvloedig als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland voorkomen.
1 Koningen 10:28 En de aanvoer van de paarden die Salomo had, kwam uit Egypte en uit Kewe. Kooplie­den van de koning namen ze tegen een bepaalde prijs uit Kewe mee.
1 Koningen 10:29 Een wagen werd uit Egypte uitgevoerd voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderdvijftig. Ook voerden ze die door hun tussenkomst uit naar alle koningen van de Hethieten en naar de ko­ningen van Syrië.

1 Koningen 11

1 Koningen 11:1 Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische vrouwen,
1 Koningen 11:2 uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.
1 Koningen 11:3 Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.
1 Koningen 11:4 Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom dat zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader Da­vid,
1 Koningen 11:5 want Salomo ging achter Astoreth aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke afgod van de Ammonieten.
1 Koningen 11:6 Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.
1 Koningen 11:7 Toen bouwde Salomo een offerhoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke afgod van de Ammoniet­en.
1 Koningen 11:8 Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slach­toffers brachten.
1 Koningen 11:9 Daarom werd de HEERE toornig op Salomo, omdat zijn hart van de HEERE, de God van Israël, Die hem tweemaal was verschenen, was afgeweken.
1 Koningen 11:10 Hij had hem aangaande deze zaak geboden dat hij niet achter andere goden aan zou gaan, maar hij hield zich niet aan wat de HEERE geboden had.
1 Koningen 11:11 Daarom zei de HEERE tegen Salomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen, zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar ge­ven.
1 Koningen 11:12 In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren.
1 Koningen 11:13 Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk van u losscheu­ren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeru­zalem, dat Ik verkozen heb.
1 Koningen 11:14 Zo liet de HEERE een tegenstander van Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was uit het nageslacht van de koning van Edom.
1 Koningen 11:15 Het gebeurde namelijk eens, toen David in Edom was, toen Joab, de legeroverste, eropuit trok om de ges­neuvelden te begraven, dat hij al wie mannelijk was in Edom doodde,
1 Koningen 11:16 want Joab bleef daar zes maanden, met heel Israël, totdat hij al wie mannelijk was in Edom had uitgeroeid.
1 Koningen 11:17 Maar Hadad vluchtte, hij en enige Edomitische mannen uit de dienaren van zijn vader met hem, om in Egypte te komen. Hadad was toen nog een kleine jongen.
1 Koningen 11:18 Zij vertrokken uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen zij mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij de farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, zegde hem voedsel toe en gaf hem land.
1 Koningen 11:19 Verder vond Hadad zoveel genade in de ogen van de farao, dat deze hem de zuster van zijn vrouw, de zuster van koningin Tachpenes, tot vrouw gaf.
1 Koningen 11:20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon, Genubath, en Tachpenes bracht hem groot in het huis van de farao. Genubath was in het huis van de farao te midden van de zonen van de farao.
1 Koningen 11:21 Maar toen Hadad in Egypte hoorde dat David bij zijn vaderen te ruste gegaan was en dat Joab, de legerbevelhebber, dood was, zei Hadad tegen de farao: Laat mij gaan, dan trek ik naar mijn land.
1 Koningen 11:22 De farao zei echter tegen hem: Waaraan ontbreekt het u bij mij dat, zie, u naar uw land wilt trekken? En hij zei: Aan niets, maar laat mij evenwel gaan.
1 Koningen 11:23 God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadad-ezer, de koning van Zoba,
1 Koningen 11:24 tegen wie hij, toen David hen doodde, man­nen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus.
1 Koningen 11:25 En al de dagen van Salomo was hij tegenstand­er van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad deed, want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.
1 Koningen 11:26 Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet uit Zereda, een di­enaar van Salomo – de naam van zijn moeder was Zerua, een weduwe – kwam in opstand te­gen de koning.
1 Koningen 11:27 Dit is de reden waarom hij tegen de koning in opstand kwam: Salomo bouwde de Millo en dichtte de bres in de muur van de stad van zijn vader David.
1 Koningen 11:28 Nu was de man Jerobeam een harde werker. Toen Salomo zag hoe deze jongeman het werk ver­richtte, stelde hij hem aan over de hele lichting werklieden van het huis van Jozef.
1 Koningen 11:29 Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld.
1 Koningen 11:30 Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken.
1 Koningen 11:31 Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven.
1 Koningen 11:32 Maar één stam zal voor hem zijn, omwille van Mijn dien­aar David en omwille van Jeruzalem, de stad die Ik uit alle stammen van Israël heb verkozen,
1 Koningen 11:33 omdat zij Mij hebben verlaten en zich neergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, voor Kamos, de god van de Moabieten, en voor Milkom, de god van de Ammo­nieten, en niet in Mijn wegen gegaan zijn door te doen wat juist is in Mijn ogen en Mijn veror­deningen en bepalingen te houden, zoals zijn vader David.
1 Koningen 11:34 Uit zijn hand zal Ik dit hele koninkrijk echter niet nemen, maar Ik zal hem voor al de dagen van zijn leven tot vorst maken, omwille van Mijn dienaar David, die Ik heb verkozen en die Mijn geboden en verorde­ningen in acht heeft genomen.
1 Koningen 11:35 Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koningschap nemen en Ik zal u daarvan tien stammen geven.
1 Koningen 11:36 En aan zijn zoon zal Ik één stam geven, zodat Mijn dienaar David alle dagen een lamp voor Mijn aangezicht zal hebben in Jeruzalem, de stad die Ik voor Mij heb verkozen om Mijn Naam daar te vestigen.
1 Koningen 11:37 Maar u zal Ik nemen om te regeren over al wat uw ziel verlangen zal, en u zult koning zijn over Israël.
1 Koningen 11:38 En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen, zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend koningshuis zal bouwen, zoals Ik dat voor David gebouwd heb, en Ik zal u Israël geven.
1 Koningen 11:39 Ik zal hiertoe het nageslacht van David vernederen, maar niet voor alle dagen.
1 Koningen 11:40 Salomo wilde Jero­beam doden, maar Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte, en hij bleef in Egypte totdat Salomo stierf.
1 Koningen 11:41 Het overige nu van de geschiedenis van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet beschreven in het boek met de geschiedenis van Salomo?
1 Koningen 11:42 De tijd nu die Salomo in Jeruzalem over heel Israël regeerde, was veertig jaar.
1 Koningen 11:43 Daarna ging Salomo te ruste bij zijn vaderen, en werd be­graven in de stad van zijn vader David, en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

1 Koningen 12

1 Koningen 12:1 Rehabeam ging naar Sichem, want heel Israël was naar Sichem gekomen om hem koning te maken.
1 Koningen 12:2 Het gebeurde nu, toen Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, terwijl hij nog in Egypte was – want hij was gevlucht voor koning Salomo en Jerobeam woonde in Egypte –
1 Koningen 12:3 dat zij een bode stuurden en hem lieten roepen. Toen kwam Jerobeam, met heel de gemeente van Israël, en zij spraken tot Rehabeam:
1 Koningen 12:4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; maakt u het harde dienstwerk voor uw vader en zijn zware juk, dat hij ons heeft op­gelegd nu lichter, dan zullen wij u dienen.
1 Koningen 12:5 Hij zei tegen hen: Ga en kom over drie dagen bij mij terug. En het volk ging weg.
1 Koningen 12:6 Koning Rehabeam pleegde overleg met de oudsten die bij zijn vader Salomo in dienst waren geweest, toen die nog leefde, en zei: Wat raadt u aan om dit volk te antwoorden?
1 Koningen 12:7 Zij spraken tot hem: Als u heden een dienaar voor dit volk wilt zijn, en als u hen dient, hun antwoord geeft en goede woorden tot hen spreekt, dan zullen zij alle dagen uw dienaren zijn.
1 Koningen 12:8 Maar hij verwierp de raad van de oudsten die zij hem hadden gegeven, en pleegde overleg met de jonge mannen die met hem waren opgegroeid en bij hem in dienst waren.
1 Koningen 12:9 Hij zei tegen hen: Wat raadt u aan dat wij dit volk zullen ant­woorden, dat tot mij sprak: Maak het juk dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?
1 Koningen 12:10 De jonge mannen, die met hem waren opgegroeid, spraken tot hem: Dit moet u zeggen tegen dat volk dat tot u heeft gesproken: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het voor ons lichter. Dit moet u tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan het middel van mijn vader.
1 Koningen 12:11 Welnu, mijn vader heeft een zwaar juk op u geladen, maar ik zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.
1 Koningen 12:12 Toen kwam Jerobeam met heel het volk bij Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning had gesproken: Kom op de derde dag bij mij ter­ug.
1 Koningen 12:13 En de koning gaf het volk een hard antwoord, want hij verwierp de raad van de oudsten die hem raad gegeven hadden.
1 Koningen 12:14 Hij sprak tot hen overeenkomstig de raad van de jonge mannen: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ík zal aan uw juk nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen.
1 Koningen 12:15 Dus luisterde de koning niet naar het volk. Deze ommekeer kwam namelijk van de HEERE, opdat Hij Zijn woord gestand zou doen dat de HEERE door de dienst van Ahia uit Silo tot Jerobeam, de zoon van Nebat, had gesproken.
1 Koningen 12:16 Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord: Wat voor deel hebben wij aan David? Wij hebben geen erfelijk bezit met de zo­on van Isaï. Naar uw tenten, Israël! Zorg nu voor uw eigen huis, David! En Israël ging naar zijn tenten.
1 Koningen 12:17 Maar wat betreft de Israëlieten die in de steden van Juda woonden, over hen bleef Rehabeam koning.
1 Koningen 12:18 Toen stuurde koning Rehabeam Adoram, die over de here­ndienst ging. Maar heel Israël stenigde hem met stenen, zodat hij stierf. Koning Rehabeam had echter de moed om op de wagen te klimmen om naar Jeruzalem te vluchten.
1 Koningen 12:19 Zo werden de Israëlieten afvallig van het huis van David, tot op deze dag.
1 Koningen 12:20 En het gebeurde, toen heel Israël hoorde dat Jerobeam was teruggekeerd, dat zij hem naar de volksvergadering lieten roepen, en hem over heel Israël koning maakten. Niemand volgde het huis van David dan alleen de stam van Juda.
1 Koningen 12:21 Toen Rehabeam in Jeruzalem aangekomen was, riep hij heel het huis van Juda en de stam van Benjamin bijeen, honderdtachtigduizend van de beste manschappen, geoefend in de strijd, om tegen het huis van Israël oorlog te voeren en het ko­ningschap aan Rehabeam, de zoon van Salomo, terug te brengen.
1 Koningen 12:22 Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man Gods:
1 Koningen 12:23 Zeg tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tegen heel het huis van Juda en Benjamin en de rest van het volk:
1 Koningen 12:24 Zo zegt de HEERE: U mag niet optrekken of strijden tegen uw broeders, de Israëlieten. Keer terug, ieder naar zijn huis, want deze zaak is bij Mij vandaan gekomen. Zij luisterden naar het woord van de HEERE en keerden terug om weg te gaan, overeenkomstig het woord van de HEERE.
1 Koningen 12:25 Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wo­nen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.
1 Koningen 12:26 En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.
1 Koningen 12:27 Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.
1 Koningen 12:28 Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruza­lem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.
1 Koningen 12:29 En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.
1 Koningen 12:30 Dit werd aanleiding tot zonde, want het volk liep vr het ene uit, tot aan Dan toe.
1 Koningen 12:31 Hij maakte ook een godshuis op de offerhoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nako­melingen van Levi behoorden.
1 Koningen 12:32 Verder stelde Jerobeam een feest in voor in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda gevierd werd, en hij besteeg dan het altaar. Zo deed hij ook in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de offerhoogten die hij gemaakt had.
1 Koningen 12:33 Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijf­tiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn eigen hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.

1 Koningen 13

1 Koningen 13:1 En zie, er kwam een man Gods door het woord van de HEERE uit Juda naar Bethel, ter­wijl Jerobeam bij het altaar stond om een reukoffer te brengen.
1 Koningen 13:2 Hij riep tot het altaar, door het woord van de HEERE, en zei: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, in het huis van David zal een zoon geboren worden, van wie de naam Josia zal zijn. Die zal op u de priesters van de hoogten offeren, die op u reukoffers brengen. Ja, men zal mensenbeenderen op u ver­branden.
1 Koningen 13:3 Op die dag gaf hij een teken: Dit is het teken, waarvan de HEERE heeft gespro­ken: Zie het altaar zal scheuren en de as die erop ligt, zal eraf storten.
1 Koningen 13:4 En het gebeurde, toen de koning het woord van de man Gods hoorde, dat deze tot het altaar in Bethel uitger­oepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte en zei: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem had uitgestrekt, verstijfde, zodat hij hem niet meer naar zich toe kon trekken.
1 Koningen 13:5 En het altaar scheurde, en de as stortte van het altaar af, overeenkomstig het teken dat de man Gods door het woord van de HEERE had gegeven.
1 Koningen 13:6 Toen antwoordde de koning en zei tegen de man Gods: Tracht toch het aangezicht van de HEERE uw God gun­stig te stemmen, en bid voor mij dat mijn hand weer teruggetrokken kan worden! Toen trachtte de man Gods het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, en de hand van de koning kon weer teruggetrokken worden en werd als daarvoor.
1 Koningen 13:7 En de koning sprak tot de man Gods: Kom met mij mee naar huis, en kom op krachten. Dan zal ik u een geschenk ge­ven.
1 Koningen 13:8 Maar de man Gods zei tegen de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, ik zou niet met u meegaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten of water drinken.
1 Koningen 13:9 Want zo heeft de HEERE mij door Zijn woord geboden: U mag geen brood eten of water drinken, en u mag niet terugkeren via de weg waarlangs u gegaan bent.
1 Koningen 13:10 Zo ging hij langs een andere weg, en keerde niet terug via de weg waarlangs hij naar Bethel gekomen was.
1 Koningen 13:11 Nu woonde er in Bethel een oude profeet. Zijn zoon kwam en vertelde hem alles wat de man Gods die dag in Bethel had gedaan, met de woorden die hij tot de koning had gesproken. Zij vertelden die aan hun vader.
1 Koningen 13:12 Hun vader sprak tot hen: Welke weg is hij gegaan? Zijn zoons hadden de weg gezien waarlangs de man Gods die uit Juda kwam, gegaan was.
1 Koningen 13:13 Toen zei hij tegen zijn zonen: Zadel de ezel voor mij. En zij zadelden de ezel voor hem, en hij reed erop weg.
1 Koningen 13:14 Hij ging de man Gods achterna, en trof hem aan, zittend onder een eik. Hij zei tegen hem: Bent u de man Gods die uit Juda gekomen is? En hij zei: Dat ben ik.
1 Koningen 13:15 Toen zei hij tegen hem: Kom met mij mee naar huis en eet brood.
1 Koningen 13:16 Maar hij zei: Ik kan niet met u ter­ugkeren of met u meekomen. Ik zal ook geen brood eten of water met u drinken in deze plaats.
1 Koningen 13:17 Want door het woord van de HEERE is een woord tot mij gekomen: U mag daar geen brood eten of water drinken. U mag niet terugkeren door via de weg te gaan waarlangs u al gegaan bent.
1 Koningen 13:18 Hij zei tegen hem: Ik ben ook een profeet, zoals u, en een engel heeft door het woord van de HEERE tot mij gesproken: Laat hem met u terugkeren naar uw huis, en laat hij brood eten en water drinken. Hij loog echter tegen hem.
1 Koningen 13:19 Toen keerde hij met hem terug, at brood in zijn huis en dronk water.
1 Koningen 13:20 En het gebeurde, toen zij aan tafel zat­en, dat het woord van de HEERE tot de profeet kwam die hem had laten terugkeren.
1 Koningen 13:21 Hij riep tegen de man Gods die uit Juda gekomen was: Zo zegt de HEERE: Omdat u onge­hoorzaam bent geweest aan het bevel van de HEERE, en het gebod dat de HEERE uw God u geboden had, niet in acht genomen hebt,
1 Koningen 13:22 maar teruggekeerd bent en brood gegeten en water gedronken hebt in de plaats waarvan Hij tot u gesproken had: U mag daar geen brood eten of water drinken, daarom zal uw dode lichaam niet in het graf van uw vaderen komen.
1 Koningen 13:23 En het gebeurde, nadat hij brood had gegeten en nadat hij gedronken had, dat hij de ezel voor hem zadelde, voor de profeet die hij had doen terugkeren.
1 Koningen 13:24 Deze ging op weg. Maar onderweg trof een leeuw hem aan, en doodde hem. Zijn dode lichaam lag op de weg ge­worpen. De ezel stond ernaast en de leeuw stond eveneens naast het dode lichaam.
1 Koningen 13:25 En zie, er kwamen enige mannen voorbij. Zij zagen het dode lichaam, dat op de weg geworpen was, en de leeuw, die naast het dode lichaam stond, en gingen het vertellen in de stad waar de oude profeet woonde.
1 Koningen 13:26 Toen de profeet die hem van zijn weg had doen terugkeren, dit hoorde, zei hij: Dat is de man Gods die het bevel van de HEERE ongehoorzaam is geweest. Daarom gaf de HEERE hem over aan de leeuw, en die heeft hem vermorzeld en gedood, over­eenkomstig het woord van de HEERE dat Hij tot hem gesproken had.
1 Koningen 13:27 Hij sprak tot zijn zonen: Zadel voor mij de ezel. En zij zadelden die.
1 Koningen 13:28 Toen ging hij op weg en trof diens dode lichaam aan, op de weg geworpen, en de ezel en de leeuw die naast het dode lichaam stonden. De leeuw had het dode lichaam niet opgegeten en de ezel niet vermorzeld.
1 Koningen 13:29 Toen nam de profeet het dode lichaam van de man Gods op, legde het op de ezel en bracht het terug. Zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.
1 Koningen 13:30 Hij legde zijn dode lichaam in zijn eigen graf. Ze bedreven rouw over hem, met de woorden: Ach, mijn broeder!
1 Koningen 13:31 Het gebeurde, nadat hij hem begraven had, dat hij tegen zijn zoons zei: Als ik gestorven ben, dan moeten jullie mij begraven in het graf waarin de man Gods begraven is. Leg mijn beenderen naast zijn beenderen.
1 Koningen 13:32 Want de woorden die hij door het woord van de HEERE geroepen heeft tegen het altaar dat te Bethel is, en tegen alle huizen op de offerhoogten die in de steden van Samaria zijn, zullen zeker uitkomen.
1 Koningen 13:33 Jerobeam keerde na deze gebeurtenis niet terug van zijn kwade weg, maar stelde opnieuw uit alle geledingen van het volk priesters aan voor de offerhoogten. Wie maar wilde, wijdde hij en die werd dan een van de priesters van de hoogten.
1 Koningen 13:34 En het werd door deze zaak tot zonde voor het huis van Jerobeam, waardoor het uitgeroeid en van de aardbodem wegge­vaagd zou worden.

1 Koningen 14

1 Koningen 14:1 In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek.
1 Koningen 14:2 Toen zei Jerobeam tegen zijn vrouw: Sta toch op en verkleed je, zodat ze niet te weten komen dat je de vrouw van Jero­beam bent. Ga dan naar Silo. Zie, daar is de profeet Ahia, die over mij gesproken heeft dat ik koning over dit volk zou worden.
1 Koningen 14:3 Neem tien broden, koeken en een kruik honing mee, en ga naar hem toe. Híj zal je vertellen wat de jongen overkomen zal.
1 Koningen 14:4 Zo deed de vrouw van Jerobeam. Zij maakte zich gereed, ging naar Silo en kwam in het huis van Ahia. Nu kon Ahia niet meer zien, want zijn ogen waren star geworden vanwege zijn ouderdom.
1 Koningen 14:5 Maar de HEERE zei tegen Ahia: Zie, de vrouw van Jerobeam komt u een uitspraak vragen over haar zoon, want deze is ziek. Zo en zo moet u tot haar spreken. Als zij binnenkomt zal het gebeuren dat zij zich als een vreemde voordoet.
1 Koningen 14:6 En het gebeurde, toen Ahia het geluid van haar voetstappen hoorde, toen zij door de deur naar binnen kwam, dat hij zei: Kom binnen, vrouw van Jerobeam! Waarom doet u zich toch als een vreemde voor? Ik ben namelijk tot u gezon­den met een harde boodschap.
1 Koningen 14:7 Ga, zeg tegen Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Omdat Ik u verheven heb uit het midden van het volk en u tot vorst over Mijn volk Is­raël heb aangesteld,
1 Koningen 14:8 omdat Ik het koningschap van het huis van David losgescheurd en aan u gegeven heb, maar u niet als Mijn dienaar David geweest bent, die Mijn geboden in acht nam en die Mij met heel zijn hart volgde door alleen te doen wat juist is in Mijn ogen,
1 Koningen 14:9 maar omdat u kwaad deed, meer dan allen die er vr u geweest zijn, en u voor uzelf an­dere goden en gegoten beelden bent gaan maken, om Mij tot toorn te verwekken, en u Mij verworpen hebt,
1 Koningen 14:10 daarom, zie: Ik ga kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en Ik zal van Jerobeam alle mannen in Israël uitroeien, zowel de gebondene als de vrije, en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegvegen, zoals uitwerpselen worden wegge­veegd, totdat het helemaal vergaan is.
1 Koningen 14:11 Wie van Jerobeam in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten, want de HEERE heeft het gesproken.
1 Koningen 14:12 En u, sta op, ga naar uw huis. Wanneer uw voeten de stad binnenkomen, zal het kind sterven.
1 Koningen 14:13 Heel Israël zal rouw over hem bedrijven en hem be­graven, want hij zal als enige van Jerobeam in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor de HEERE, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is.
1 Koningen 14:14 De HEERE zal echter voor Zichzelf een koning over Israël doen opstaan, die nog op diezelfde dag het huis van Jerobeam zal uitroeien. En wat daarna?
1 Koningen 14:15 De HEERE zal Israël treffen, zoals het riet in het water heen en weer zwiept, en Hij zal Israël wegrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen heeft gegeven, en Hij zal hen verstrooien aan de overzijde van de rivier, omdat zij hun gewijde palen maakten om de HEERE tot toorn te verwekken.
1 Koningen 14:16 Hij zal Israël overg­even vanwege de zonden van Jerobeam, die gezondigd heeft en die Israël deed zondigen.
1 Koningen 14:17 Toen stond de vrouw van Jerobeam op, ging op weg en kwam te Tirza. Toen zij over de drempel van het huis kwam, stierf de jongen.
1 Koningen 14:18 Zij begroeven hem, en heel Israël bedreef rouw over hem, overeenkomstig het woord van de HEERE dat Hij gesproken had door de di­enst van Zijn dienaar, de profeet Ahia.
1 Koningen 14:19 Het overige nu van de geschiedenis van Jero­beam, hoe hij oorlog voerde en hoe hij regeerde, zie, dat is beschreven in het boek van de kro­nieken van de koningen van Israël.
1 Koningen 14:20 De tijd nu die Jerobeam heeft geregeerd, is tweeënt­wintig jaar. Hij ging te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Nadab werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 14:21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, was koning over Juda. Rehabeam was eenenveertig jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde zeventien jaar in Jeruzalem, de stad die de HEERE uit alle stammen van Israël had verkozen om Zijn Naam daar te vestigen. De naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische.
1 Koningen 14:22 Juda deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, en zij verwekten Hem tot na-ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met de zonden die zij begingen.
1 Koningen 14:23 Want ook zij bouwden voor zichzelf offerhoogten, ge­wijde stenen en gewijde palen, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom.
1 Koningen 14:24 Ook waren er schandknapen in het land. Zij deden overeenkomstig alle gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.
1 Koningen 14:25 Nu ge­beurde het in het vijfde jaar van koning Rehabeam dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem.
1 Koningen 14:26 Hij nam de schatten van het huis van de HEERE en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg. Hij nam ook alle gouden schilden weg die Salomo gemaakt had.
1 Koningen 14:27 In plaats daarvan maakte koning Rehabeam bronzen schilden en stelde die onder de verantwoordelijkheid van de hoofden van de lijfwachten, die de ingang van het huis van de koning bewaakten.
1 Koningen 14:28 En het gebeurde, zo dikwijls als de koning naar het huis van de HEERE ging, dat de lijfwachten ze droegen en ze daarna weer terugbrachten naar de wachtruimte voor de lijfwachten.
1 Koningen 14:29 Het overige nu van de geschiedenis van Reha­beam, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
1 Koningen 14:30 En er was oorlog tussen Rehabeam en Jerobeam, al hun dagen.
1 Koningen 14:31 En Rehabeam ging te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. En de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonitische. En zijn zoon Abiam werd koning in zijn plaats.

1 Koningen 15

1 Koningen 15:1 In het achttiende jaar nu van koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.
1 Koningen 15:2 Hij regeerde drie jaren in Jeruzalem en de naam van zijn moeder was Maä­cha, de dochter van Abisalom.
1 Koningen 15:3 Hij wandelde overeenkomstig alle zonden van zijn vader, die deze vr hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David.
1 Koningen 15:4 Maar omwille van David gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem door na hem zijn zoon te doen opstaan en door Jeruzalem in stand te hou­den,
1 Koningen 15:5 omdat David gedaan had wat juist was in de ogen van de HEERE, en niet was afge­weken van alles wat Hij hem had geboden, alle dagen van zijn leven, behalve in de zaak van Uria, de Hethiet.
1 Koningen 15:6 Er was oorlog geweest tussen Rehabeam en Jerobeam, al de dagen van zijn leven.
1 Koningen 15:7 Het overige nu van de geschiedenis van Abiam, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Er was ook oor­log tussen Abiam en Jerobeam.
1 Koningen 15:8 En Abiam ging te ruste bij zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad van David. En Asa, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 15:9 In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda.
1 Koningen 15:10 Hij regeerde ee­nenveertig jaar in Jeruzalem, en de naam van zijn grootmoeder was Maächa, de dochter van Abisalom.
1 Koningen 15:11 En Asa deed wat juist was in de ogen van de HEERE, zoals zijn vader David.
1 Koningen 15:12 Hij verdreef de schandknapen uit het land, en deed alle stinkgoden weg, die zijn vade­ren gemaakt hadden.
1 Koningen 15:13 Ja, zelfs zijn grootmoeder Maächa zette hij af, zodat zij geen ko­ningin meer was, omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. Asa hakte haar gru­welijke beeld om, en verbrandde het bij de beek Kidron.
1 Koningen 15:14 De offerhoogten werden wel niet weggenomen, maar toch was het hart van Asa volkomen toegewijd aan de HEERE, al zijn dagen.
1 Koningen 15:15 Ook bracht hij de geheiligde gaven van zijn vader in het huis van de HEERE, met zijn eigen geheiligde gaven: zilver, goud en andere voorwerpen.
1 Koningen 15:16 En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
1 Koningen 15:17 Want Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama uit, om niemand meer toe te laten het land uit te gaan en naar Asa, de koning van Juda, te gaan.
1 Koningen 15:18 Toen nam Asa al het zilver en goud dat over­gebleven was in de schatkamers van het huis van de HEERE en van de schatten van het huis van de koning, en stelde het zijn dienaren ter hand. Koning Asa stuurde hen naar Benhadad, zoon van Tabrimmon, zoon van Hezion, koning van Syrië, die in Damascus woonde, om te zeggen:
1 Koningen 15:19 Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader. Zie, ik stuur u een geschenk: zilver en goud. Ga, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zo­dat hij van mij wegtrekt.
1 Koningen 15:20 Benhadad luisterde naar koning Asa, en stuurde de bevelheb­bers van de legers die hij had, op de steden van Israël af, en hij versloeg Ijon, Dan, Abel Beth-Maächa en heel Kinneroth, met heel het land van Naftali.
1 Koningen 15:21 Het gebeurde, toen Baësa dit hoorde, dat hij ophield met het uitbouwen van Rama. Hij bleef in Tirza.
1 Koningen 15:22 Toen liet kon­ing Asa door heel Juda omroepen dat zij allemaal – niemand was vrijgesteld – de stenen van Rama en het bijbehorende hout, waarmee Baësa gebouwd had, moesten wegdragen. Koning Asa bouwde daar Geba in Benjamin mee, en Mizpa.
1 Koningen 15:23 Het overige nu van heel de geschie­denis van Asa, al zijn macht, alles wat hij gedaan heeft en de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Alleen, in de tijd van zijn ouderdom werd hij ziek aan zijn voeten.
1 Koningen 15:24 Asa ging te ruste bij zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad van zijn vader David. En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 15:25 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda. Hij regeerde twee jaar over Israël.
1 Koningen 15:26 Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE en ging in de weg van zijn vader en in diens zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
1 Koningen 15:27 Maar Baësa, de zoon van Ahia, uit het huis van Issaschar, smeedde een samenzwering tegen hem, en Baësa doodde hem te Gibbethon, dat aan de Filistijnen toebehoorde, toen Nadab en heel Israël Gibbethon belegerden.
1 Koningen 15:28 Baësa doodde hem in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 15:29 Het gebeurde nu, toen hij koning was, dat hij heel het huis van Jerobeam doodde. Hij liet niets over van het huis van Jerobeam wat adem had, totdat hij het weggevaagd had, over­eenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn dienaar Ahia uit Silo,
1 Koningen 15:30 vanwege de zonden van Jerobeam, die zondigde en die Israël deed zondi­gen, en om zijn tergen, waarmee hij de HEERE, de God van Israël, tot toorn had verwekt.
1 Koningen 15:31 Het overige nu van de geschiedenis van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 15:32 En er was oorlog tussen Asa en Baësa, de koning van Israël, al hun dagen.
1 Koningen 15:33 In het derde jaar van Asa, de koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over heel Israël, in Tirza, en regeerde vierentwintig jaar.
1 Koningen 15:34 En hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, en ging in de weg van Jerobeam en in diens zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.

1 Koningen 16

1 Koningen 16:1 Toen kwam het woord van de HEERE tot Jehu, de zoon van Hanani, met betrekking tot Baësa:
1 Koningen 16:2 Omdat Ik u uit het stof verheven heb en u tot leider over Mijn volk Israël aanges­teld heb, maar u in de weg van Jerobeam gegaan bent en Mijn volk Israël deed zondigen om Mij met hun zonden tot toorn te verwekken,
1 Koningen 16:3 zie, daarom ga Ik de nakomelingen van Baë­sa en de nakomelingen van zijn huis wegvagen. Ik zal uw huis als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, maken.
1 Koningen 16:4 Wie van Baësa in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie van hem in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten.
1 Koningen 16:5 Het overige nu van de geschiedenis van Baësa, wat hij gedaan heeft en zijn macht, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 16:6 Baësa ging te ruste bij zijn vaderen en werd begraven in Tirza. Zijn zoon Ela werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 16:7 En ook was het woord van de HEERE, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tot Baësa en tot zijn huis gekomen, en dat vanwege al het kwaad dat hij in de ogen van de HEERE gedaan had door Hem tot toorn te verwekken met het werk van zijn handen, omdat hij net als het huis van Jerobeam was, maar ook omdat hij dat gedood had.
1 Koningen 16:8 In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, in Tirza, en hij regeerde twee jaar.
1 Koningen 16:9 Zimri, zijn dienaar, bevelhebber over de helft van de strijdwagens, smeedde een samenzwering tegen hem, toen hij in Tirza was en zich in het huis van Arza, de hofmeester in Tirza, dronken aan het drinken was.
1 Koningen 16:10 Toen kwam Zimri binnen, sloeg hem neer en doodde hem, in het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, en hij werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 16:11 En het gebeurde, toen hij koning geworden was en op zijn troon was gaan zitten, dat hij heel het huis van Baësa doodde. Hij liet er geen man van overblijven, zelfs niet van zijn bloedverwanten en van zijn vrienden.
1 Koningen 16:12 Zimri vaagde dus het hele huis van Baësa weg, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu,
1 Koningen 16:13 vanwege alle zonden van Baësa, en de zonden van Ela, diens zoon, die zij begaan hadden, en die zij Israël hadden laten begaan, om de HEERE, de God van Israël, met hun nietige afgoden tot toorn te verwekken.
1 Koningen 16:14 Het overige nu van de geschiedenis van Ela, alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 16:15 In het zevenentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen, in Tirza, terwijl het volk voor Gibbethon, dat aan de Filistijnen toebehoorde, gelegerd was.
1 Koningen 16:16 Het volk, dat daar gelegerd was, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gesmeed en ook de koning gedood. Daarom maakte heel Israël op die dag in het legerkamp Omri, de bevelhebber van het leger, koning over Israël.
1 Koningen 16:17 Om­ri trok op, en heel Israël met hem, weg van Gibbethon, en zij belegerden Tirza.
1 Koningen 16:18 En het gebeurde, toen Zimri zag dat de stad ingenomen was, dat hij naar de burcht van het huis van de koning ging, en het huis van de koning boven zich met vuur verbrandde, zodat hij stierf,
1 Koningen 16:19 vanwege zijn zonden, die hij begaan had door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE, door te gaan in de weg van Jerobeam en zijn zonde, die hij begaan had door Israël te doen zondigen.
1 Koningen 16:20 Het overige nu van de geschiedenis van Zimri, en zijn samenzwering, die hij gesmeed had, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 16:21 Toen raakte het volk van Israël verdeeld in twee helften. De ene helft van het volk stond achter Tibni, de zoon van Ginath, om die koning te maken, en de andere helft stond achter Omri.
1 Koningen 16:22 Maar het volk dat achter Omri stond, was sterker dan het volk dat achter Tibni, de zoon van Ginath, stond. Toen stierf Tibni en werd Omri koning.
1 Koningen 16:23 In het eenendertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël en regeerde twaalf jaar. In Tirza regeerde hij zes jaar.
1 Koningen 16:24 Hij kocht de berg Samaria van Semer voor twee talent zilver. Hij bouwde een stad op de berg en gaf de stad die hij erop gebouwd had een naam overeenkomstig de naam van Semer, de eigenaar van de berg: Samaria.
1 Koningen 16:25 Omri deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij deed meer kwaad dan allen die er vr hem geweest waren.
1 Koningen 16:26 Hij wandelde in heel de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun nietige afgoden.
1 Koningen 16:27 Het overige nu van de geschiedenis van Omri, wat hij deed, en zijn macht, die hij uitoefende, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 16:28 Omri ging te ruste bij zijn vaderen en werd be­graven in Samaria, en zijn zoon Achab werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 16:29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda. Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, in Samaria, tweeëntwintig jaar.
1 Koningen 16:30 Achab, de zoon van Omri, deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, meer dan allen die er vr hem geweest waren.
1 Koningen 16:31 En het gebeurde (was het gering dat hij in de zonden van Jero­beam, de zoon van Nebat, ging?) dat hij ook nog Izebel tot vrouw nam, de dochter van Eth­baäl, de koning van de Sidoniërs, en dat hij de Baäl ging dienen en zich daarvoor neerboog.
1 Koningen 16:32 Hij richtte voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria ge­bouwd had.
1 Koningen 16:33 Ook maakte Achab een gewijde paal, zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die er vr hem geweest waren.
1 Koningen 16:34 In zijn dagen bouwde Hiël uit Bethel Jericho weer op. Op zijn eerstgeboren zoon Abiram legde hij de fundamenten ervan, en op zijn jongste zoon Segub richtte hij de poorten ervan op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.

1 Koningen 17

1 Koningen 17:1 En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen ko­men, behalve op mijn woord!
1 Koningen 17:2 Daarna kwam het woord van de HEERE tot hem:
1 Koningen 17:3 Ga weg vanhier, keer u naar het oosten en verberg u bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan stroomt.
1 Koningen 17:4 En het zal gebeuren dat u uit de beek zult drinken. Verder heb Ik de raven geboden om u daar te onderhouden.
1 Koningen 17:5 Hij ging dan op weg en deed overeenkomstig het woord van de HEERE. Hij ging wonen bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jor­daan stroomt.
1 Koningen 17:6 En de raven brachten hem ’s morgens brood en vlees en ’s avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.
1 Koningen 17:7 En het gebeurde na verloop van vele dagen dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in het land gevallen.
1 Koningen 17:8 Toen kwam het woord van de HEERE tot hem:
1 Koningen 17:9 Sta op, ga naar Zarfath, dat aan Sidon toebehoort, en woon daar. Zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden om u te onderhouden.
1 Koningen 17:10 Vervolgens stond hij op en ging naar Zarfath. Toen hij bij de ingang van de stad kwam, zie, daar was een weduwvrouw hout aan het sprokkelen. Hij riep tot haar en zei: Haal toch een beetje water voor mij in deze kruik, zodat ik kan drinken.
1 Koningen 17:11 Toen zij op weg ging om het te halen, riep hij haar na en zei: Breng toch ook een stuk brood voor mij mee.
1 Koningen 17:12 Maar zij zei: Zo waar de HEERE, uw God, leeft! Ik heb geen broodkoek meer, behalve een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik! En zie, ik ben een paar stukken hout aan het sprokkelen. Zodra ik thuis kom, ga ik het voor mij en voor mijn zoon klaarmaken. Daarna zullen we het opeten en sterven.
1 Koningen 17:13 Maar Elia zei tegen haar: Wees niet bevreesd! Ga, doe overeenkomstig uw woord, maar maak er eerst voor mij een kleine koek van en breng die bij mij. Maak daarna voor u en voor uw zo­on iets klaar.
1 Koningen 17:14 Want zo zegt de HEERE, de God van Israël: Het meel in de pot zal niet opraken en in de kruik zal het aan olie niet ontbreken tot op de dag dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.
1 Koningen 17:15 Zij ging en deed overeenkomstig het woord van Elia. Zo at zij, en hij, en haar gezin, vele dagen.
1 Koningen 17:16 Het meel in de pot raakte niet op en in de kruik ont­brak het niet aan olie, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij door de dienst van Elia gesproken had.
1 Koningen 17:17 Het gebeurde na deze dingen dat de zoon van deze vrouw, de vrouw des huizes, ziek werd. Zijn ziekte werd zeer ernstig, totdat er in hem geen adem overbleef.
1 Koningen 17:18 Toen zei zij tegen Elia: Hoe heb ik het nu met u, man Gods? Bent u bij mij gekomen om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen en om mijn zoon te doen sterven?
1 Koningen 17:19 Maar hij zei tegen haar: Geef mij uw zoon. Hij nam hem van haar schoot en droeg hem naar boven naar het bovenvertrek, waar hijzelf woonde, en hij legde hem neer op zijn bed.
1 Koningen 17:20 Hij riep de HEERE aan en zei: HEERE, mijn God, hebt U dan ook deze weduwe, bij wie ik als vreemd­eling verblijf, zoveel kwaad gedaan dat U haar zoon gedood hebt?
1 Koningen 17:21 En hij strekte zich driemaal over het kind uit en riep de HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren.
1 Koningen 17:22 De HEERE luisterde naar de stem van Elia en de ziel van het kind keerde in hem terug, en het werd weer levend.
1 Koningen 17:23 Elia nam het kind op, bracht het vanuit het bovenvertrek naar beneden in huis, en gaf het aan zijn moeder. Toen zei Elia: Zie, uw zoon leeft.
1 Koningen 17:24 Toen zei die vrouw tegen Elia: Nu weet ik dat u een man Gods bent en dat het woord van de HEERE in uw mond waarheid is.

1 Koningen 18

1 Koningen 18:1 En het gebeurde na vele dagen dat het woord van de HEERE tot Elia kwam, in het derde jaar: Ga, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op de aardbodem.
1 Koningen 18:2 Elia ging op weg om zich aan Achab te vertonen. Nu was de honger sterk in Samaria.
1 Koningen 18:3 Achab riep Ob­adja, de hofmeester. Nu vreesde Obadja de HEERE zeer.
1 Koningen 18:4 Het was namelijk gebeurd, toen Izebel de profeten van de HEERE uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam en ze per vijftig man in een grot verborg en hen met brood en water onderhield.
1 Koningen 18:5 Achab zei tegen Obadja: Ga het land in, naar alle waterbronnen en alle beken. Misschien zullen wij gras vin­den, zodat wij de paarden en de muildieren in leven zullen houden en wij geen van de dieren hoeven af te maken.
1 Koningen 18:6 En zij verdeelden het land onder elkaar om er doorheen te trekken. Achab ging – alleen – de ene kant op, en Obadja ging – alleen – de andere kant op.
1 Koningen 18:7 Toen Obadja onderweg was, zie, Elia kwam hem tegemoet. Hij herkende hem, wierp zich met zijn gezicht ter aarde en zei: Bent u het, mijn heer Elia?
1 Koningen 18:8 Hij zei: Ik ben het. Ga, zeg tegen uw heer: Zie, Elia is hier.
1 Koningen 18:9 Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat u uw dienaar in de hand van Achab geeft om mij te doden?
1 Koningen 18:10 Zo waar de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waarheen mijn heer geen boden heeft gestuurd om u te zoeken. En als zij zeiden: Hij is hier niet, dan liet hij dat koninkrijk of dat volk zweren dat zij u niet konden vinden.
1 Koningen 18:11 En nu zegt u: Ga, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.
1 Koningen 18:12 En mocht het gebeuren dat ík van u zou weggaan en de Geest van de HEERE u zou opnemen, ik weet niet waarheen, en ik zou komen om Achab de boodschap te brengen, en hij zou u niet vinden, dan zou hij mij doden, terwijl ik, uw dienaar, vanaf mijn jeugd de HEERE vrees.
1 Koningen 18:13 Is mijn heer niet verteld wat ik heb gedaan, toen Izebel de profeten van de HEERE doodde? Dat ik van de profeten van de HEERE honderd man heb verborgen, per vijftig man in een grot, en dat ik die met brood en water onderhouden heb?
1 Koningen 18:14 En nu zegt u: Ga, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. Hij zou mij do­den.
1 Koningen 18:15 Elia zei: Zo waar de HEERE van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, voorzeker, vandaag zal ik mij aan hem vertonen!
1 Koningen 18:16 Toen ging Obadja Achab tegemoet en vertelde het hem, en Achab ging Elia tegemoet.
1 Koningen 18:17 En het gebeurde, toen Achab Elia zag, dat Achab tegen hem zei: Bent u diegene die Israël in het ongeluk stort?
1 Koningen 18:18 Toen zei hij: Ík heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar en het huis van uw vader, doordat u de geboden van de HEERE verliet en achter de Baäls aan gegaan bent.
1 Koningen 18:19 Nu dan, stuur bod­en, breng heel Israël bijeen bij mij op de berg Karmel, met de vierhonderdvijftig profeten van de Baäl en de vierhonderd profeten van Asjera, die aan de tafel van Izebel eten.
1 Koningen 18:20 Daarop stuurde Achab boden naar alle Israëlieten, en bracht de profeten op de berg Karmel bijeen.
1 Koningen 18:21 Toen kwam Elia naar voren, bij heel het volk, en zei: Hoelang hinkt u nog op twee ge­dachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem! Maar het volk antwoordde hem niet één woord.
1 Koningen 18:22 Toen zei Elia tegen het volk: Alleen ík ben overgebl­even als profeet van de HEERE, maar de profeten van de Baäl zijn met vierhonderdvijftig man.
1 Koningen 18:23 Laat men ons dan twee jonge stieren geven. Laten zij voor zich de ene stier kie­zen, die in stukken verdelen en op het hout leggen, maar ze mogen er geen vuur bij leggen. Dan zal ík de andere stier klaarmaken en op het hout leggen, maar er geen vuur bij leggen.
1 Koningen 18:24 Roept u daarna de naam van uw god aan, dan zal ík de Naam van de HEERE aan­roepen. En de God Die door vuur antwoordt, Die is God. En het hele volk antwoordde en zei: Dat is goed.
1 Koningen 18:25 Elia zei tegen de profeten van de Baäl: Kies voor uzelf de ene jonge stier en maak die eerst klaar, want u bent met velen. Roep dan de naam van uw god aan, maar u mag er geen vuur bij leggen.
1 Koningen 18:26 Zij namen de jonge stier die hij hun had gegeven, en maakten die klaar. Ze riepen de naam van de Baäl aan, van de morgen tot de middag: O Baäl, ant­woord ons! Maar er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde. Zij sprongen tegen het altaar aan, dat men gemaakt had.
1 Koningen 18:27 En het gebeurde tijdens de middag dat Elia met hen begon te spotten en zei: Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in ge­dachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij wel en moet hij wakker worden!
1 Koningen 18:28 Zij riepen met luider stem en kerfden hun lichamen naar hun wijze van doen met zwaarden en speren, totdat het bloed over hen heen stroomde.
1 Koningen 18:29 En het gebeurde, toen de middag voorbij was, dat zij in geestvervoering raakten, tot de tijd van het brengen van het graanoffer. Er kwam geen stem en er was niemand die antwoordde; er kwam geen teken van leven.
1 Koningen 18:30 Toen zei Elia tegen heel het volk: Kom naar voren, bij mij. En heel het volk kwam naar voren, bij hem. Vervolgens herstelde hij het altaar van de HEERE, dat omvergehaald was.
1 Koningen 18:31 Elia nam twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob, tot wie het woord van de HEERE was gekomen: Israël zal uw naam zijn.
1 Koningen 18:32 Hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam van de HEERE. Vervolgens maakte hij een geul rondom het altaar, met een omvang van twee maten zaad.
1 Koningen 18:33 Hij schikte het hout, verdeelde de jonge stier in stukken en legde die op het hout.
1 Koningen 18:34 Toen zei hij: Vul vier kruiken met water en giet het uit over het brandoffer en over het hout. En hij zei: Doe dat voor de tweede maal, en zij deden het voor de tweede maal. Verder zei hij: Doe het voor de derde maal, en zij deden het voor de derde maal.
1 Koningen 18:35 Het water liep ron­dom het altaar, en ook vulde hij de geul met water.
1 Koningen 18:36 En het gebeurde, toen men het graa­noffer bracht, dat de profeet Elia naar voren kwam en zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan.
1 Koningen 18:37 Antwoord mij, HEERE, ant­woord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.
1 Koningen 18:38 Toen viel er vuur van de HEERE neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul likte het op.
1 Koningen 18:39 Toen heel het volk dat zag, wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!
1 Koningen 18:40 Elia zei tegen hen: Grijp de profeten van de Baäl! Laat niemand van hen ontko­men. Zij grepen hen, en Elia voerde hen af naar de beek Kison en slachtte hen daar af.
1 Koningen 18:41 Daarna zei Elia tegen Achab: Ga op weg, eet en drink, want er is een gedruis van een overvloe­dige regen.
1 Koningen 18:42 Zo ging Achab eten en drinken, maar Elia klom naar de top van de Karmel, boog zich voorover ter aarde. Vervolgens legde hij zijn gezicht tussen zijn knieën.
1 Koningen 18:43 Hij zei tegen zijn knecht: Klim toch naar boven en kijk uit in de richting van de zee. Toen klom hij naar boven, keek uit en zei: Er is niets. Toen zei hij: Ga terug, zevenmaal.
1 Koningen 18:44 En het ge­beurde bij de zevende maal dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, opko­mend uit de zee. En hij zei: Ga tegen Achab zeggen: Span in, daal af en laat de regen u niet ophouden.
1 Koningen 18:45 Het gebeurde ondertussen dat de hemel zwart werd van wolken en wind, en er kwam een hevige regen. Achab reed weg en ging naar Jizreël.
1 Koningen 18:46 En de hand van de HEERE was op Elia, en hij omgordde zijn middel en snelde voor Achab uit tot waar men bij Jizreël komt.

1 Koningen 19

1 Koningen 19:1 Achab vertelde Izebel alles wat Elia had gedaan, en hoe hij allen, te weten al de profeten, met het zwaard had gedood.
1 Koningen 19:2 Toen stuurde Izebel een bode naar Elia om te zeggen: De goden mogen zen nog erger met mij doen, als ik morgen om deze tijd uw leven niet zal maken als het leven van één van hen.
1 Koningen 19:3 Toen hij dat zag, stond hij op en vluchtte voor zijn leven. Hij kwam in Berseba, dat aan Juda toebehoort, en liet zijn knecht daar achter.
1 Koningen 19:4 Hij­zelf liep echter een dagreis de woestijn in, ging onder een bremstruik zitten en bad om te mo­gen sterven. Hij zei: Het is genoeg. Neem nu mijn leven, HEERE, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
1 Koningen 19:5 Hij ging onder een bremstruik liggen slapen, en zie, een engel raakte hem aan en zei tegen hem: Sta op, eet.
1 Koningen 19:6 Hij keek op, en zie, aan zijn hoofdeinde lag een koek, op kolen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en ging vervolgens weer liggen.
1 Koningen 19:7 De engel van de HEERE kwam voor de tweede maal, raakte hem aan en zei: Sta op, eet, want de weg zou te zwaar voor u zijn.
1 Koningen 19:8 Toen stond hij op, at en dronk, en liep door de kracht van dat voedsel veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, de Horeb.
1 Koningen 19:9 Hij ging daar een grot in en overnachtte er. En zie, het woord van de HEERE kwam tot hem, en Hij zei tegen hem: Wat doet u hier, Elia?
1 Koningen 19:10 Hij zei: Ik heb mij zeer voor de HEERE, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het mij te benemen.
1 Koningen 19:11 Maar Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan, voor het aangezicht van de HEERE. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, die bergen spleet en rotsen in stukken brak, voor het aangezicht van de HEERE uit. Maar de HEERE was niet in de wind. Na deze wind kwam er een aardbeving, maar de HEERE was ook niet in de aardbeving.
1 Koningen 19:12 Op de aardbeving volgde een vuur, maar de HEERE was ook niet in het vuur. En na het vuur kwam het suizen van een zachte stilte.
1 Koningen 19:13 En het gebeurde, toen Elia dat hoorde, dat hij zijn gezicht met zijn mantel omwik­kelde, naar buiten ging en in de ingang van de grot bleef staan. En zie, een stem kwam tot hem, die zei: Wat doet u hier, Elia?
1 Koningen 19:14 Hij zei: Ik heb mij zeer voor de HEERE, de God van de legermachten, ingezet. De Israëlieten hebben immers Uw verbond verlaten, Uw altaren omvergehaald en Uw profeten met het zwaard gedood. Ik alleen ben overgebleven, en zij staan mij naar het leven om het mij te benemen.
1 Koningen 19:15 De HEERE zei tegen hem: Ga heen, keer terug op uw weg, naar de woestijn van Damascus. Wanneer u daar komt, moet u Hazaël zalven tot koning over Syrië.
1 Koningen 19:16 En u moet Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël. En Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mehola, moet u tot profeet zalven in uw plaats.
1 Koningen 19:17 En het zal gebeuren dat Jehu zal doden wie aan het zwaard van Hazaël ontkomt, en Eli­sa zal doden wie aan het zwaard van Jehu ontkomt.
1 Koningen 19:18 Maar Ik zal er in Israël zevendui­zend overlaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor de Baäl, en allen van wie de mond hem niet gekust heeft.
1 Koningen 19:19 Hij ging daarvandaan en trof Elisa, de zoon van Safat, aan. Deze was aan het ploegen met twaalf span runderen voor zich uit, en hij bevond zich bij het twaalfde. Elia ging op hem af en wierp zijn mantel naar hem toe.
1 Koningen 19:20 Hij verliet de runde­ren, snelde achter Elia aan en zei: Laat mij toch mijn vader en moeder kussen, daarna zal ik u volgen. En hij zei tegen hem: Ga, keer terug, want wat heb ik u gedaan?
1 Koningen 19:21 Zo keerde hij van achter hem terug, nam een span runderen, slachtte ze en kookte hun vlees op het hout van het juk van de runderen. Hij gaf dat aan het volk en zij aten. Daarna stond hij op, volgde Elia en diende hem.

1 Koningen 20

1 Koningen 20:1 Benhadad, de koning van Syrië, bracht heel zijn leger bijeen, en er waren tweeëndertig koningen met hem, en paarden en strijdwagens. Hij trok op, belegerde Samaria en voerde er oorlog tegen.
1 Koningen 20:2 Hij stuurde boden naar de stad, naar Achab, de koning van Israël.
1 Koningen 20:3 Hij zei tegen hem: Dit zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij; en uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn van mij.
1 Koningen 20:4 Toen antwoordde de koning van Israël en zei: Over­eenkomstig uw woord, mijn heer de koning: Ik ben van u, met alles wat ik heb.
1 Koningen 20:5 Nader­hand kwamen de boden terug, en zeiden: Dit zegt Benhadad: Ik heb wel boden naar u toe ges­tuurd om te zeggen: Uw zilver, uw goud, uw vrouwen en uw kinderen moet u mij geven.
1 Koningen 20:6 Morgen om deze tijd zal ik echter mijn dienaren naar u toe sturen. Zij zullen uw huis en de huizen van uw dienaren doorzoeken. En het zal gebeuren dat zij beslag zullen leggen op alles wat in uw ogen begerenswaardig is, en dat mee zullen nemen.
1 Koningen 20:7 Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land en zei: Weet toch en zie dat deze man het slecht met ons voo­rheeft, want hij stuurde boden naar mij toe om mijn vrouwen en mijn kinderen, mijn zilver en mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.
1 Koningen 20:8 Alle oudsten en heel het volk zeiden echter tegen hem: Luister niet en willig zijn eis niet in.
1 Koningen 20:9 Daarom zei hij tegen de boden van Benhadad: Zeg tegen mijn heer de koning: Alles waarom u eerder boden naar uw dienaar gestuurd hebt, zal ik doen, maar dit kan ik niet doen. Toen gingen de boden terug en bracht­en hem verslag uit.
1 Koningen 20:10 Daarop stuurde Benhadad hem een bode en zei: De goden mogen zen nog erger met mij doen, als het stof van Samaria genoeg zal zijn voor de holten van de handen van al het volk dat mijn voetstappen volgt!
1 Koningen 20:11 Maar de koning van Israël ant­woordde en zei: Spreek tot hem: Wie zijn wapens aangordt, moet zich niet beroemen als ie­mand die ze aflegt.
1 Koningen 20:12 Zodra Benhadad deze woorden hoorde, terwijl hij en de koningen in de tenten aan het drinken waren, zei hij tegen zijn dienaren: Stel u op! En zij stelden zich op tegen de stad.
1 Koningen 20:13 En zie, een profeet trad toe op Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt de HEERE: Hebt u heel deze grote troepenmacht gezien? Zie, Ik ga ze vandaag nog in uw hand geven, zodat u weet dat Ik de HEERE ben.
1 Koningen 20:14 Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt de HEERE: Door de jonge mannen van de hoofden van de gewesten. Hij vroeg: Wie zal de strijd aanbinden? Toen zei hij: U.
1 Koningen 20:15 Toen monsterde hij de jonge mannen van de hoof­den van de gewesten: het waren er tweehonderdtweeëndertig. Na hen monsterde hij al het volk, alle Israëlieten: zevenduizend.
1 Koningen 20:16 Zij trokken uit in de middag, terwijl Benhadad in de tenten bezig was zich dronken te drinken, hij en de koningen, de tweeëndertig koningen die hem hielpen.
1 Koningen 20:17 De jonge mannen van de hoofden van de gewesten trokken het eerst uit. Benhadad stuurde verkenners uit en zij vertelden hem: Er zijn mannen uit Samaria ge­trokken.
1 Koningen 20:18 En hij zei: Als ze met vreedzame bedoelingen zijn uitgetrokken, grijp ze lev­end. Als ze ten strijde getrokken zijn, grijp ze ook levend.
1 Koningen 20:19 Zo trokken de jonge mannen van de hoofden van de gewesten en het leger dat achter hen aankwam, de stad uit.
1 Koningen 20:20 Ieder versloeg zijn man, zodat de Syriërs moesten vluchten, en Israël joeg hen na. Maar Ben­hadad, de koning van Syrië, ontkwam te paard, met enkele ruiters.
1 Koningen 20:21 De koning van Isra­ël trok uit en versloeg de paarden en de strijdwagens, zodat hij Syrië een grote slag toebracht.
1 Koningen 20:22 Toen trad diezelfde profeet op de koning van Israël toe en zei tegen hem: Ga, vat moed, weet en zie wat u moet doen, want bij het aanbreken van het nieuwe jaar, zal de koning van Syrië opnieuw tegen u optrekken.
1 Koningen 20:23 De dienaren van de koning van Syrië hadden name­lijk tegen hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij. Strijden wij echter in de vlakte tegen hen, dan zullen wij stellig sterker zijn dan zij!
1 Koningen 20:24 Doe daarom dit: Verwijder de koningen, ieder van zijn post, en stel landvoogden aan in hun plaats.
1 Koningen 20:25 En u, breng net zo’n groot leger op de been als wat u ontvallen is, en evenveel paarden als de vorige paarden en evenveel strijdwagens als de vorige strijdwagens. Laten wij vervolgens in de vlakte tegen hen strijden, dan zullen wij stellig sterker zijn dan zij! Hij luis­terde naar hun stem en deed zo.
1 Koningen 20:26 Het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar dat Benhadad de Syriërs monsterde. Hij trok op naar Afek, ten strijde tegen Israël.
1 Koningen 20:27 De Israëlieten werden ook gemonsterd en voorzien van leeftocht, en zij gingen hun tegemoet. De Israëlieten sloegen hun kamp op tegenover hen, als twee kleine kudden geiten; de Syriërs vul­den echter het land.
1 Koningen 20:28 De man Gods kwam naar voren en zei tegen de koning van Israël: Zo zegt de HEERE: Omdat de Syriërs hebben gezegd: De HEERE is een God van de bergen en Hij is niet een God van de dalen, daarom zal Ik heel deze grote troepenmacht in uw hand ge­ven, opdat u weet dat Ik de HEERE ben.
1 Koningen 20:29 Zeven dagen lagen zij tegenover elkaar. Op de zevende dag gebeurde het echter dat het tot strijd kwam. En de Israëlieten versloegen de Sy­riërs: honderdduizend man voetvolk op één dag.
1 Koningen 20:30 De overgeblevenen vluchtten naar de stad Afek, maar de muur viel op zevenentwintigduizend man die overgebleven waren. Ook Benhadad was gevlucht en de stad binnengekomen, en liep van kamer naar kamer.
1 Koningen 20:31 Toen zeiden zijn dienaren tegen hem: Zie toch, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis van Israël goedertieren koningen zijn. Laten wij toch rouwgewaden om ons middel doen, en touwen om ons hoofd, en de stad uitgaan, naar de koning van Israël. Misschien zal hij u laten leven.
1 Koningen 20:32 Toen bonden zij rouwgewaden om hun middel en touwen om hun hoofden, kwamen bij de koning van Israël en zeiden: Uw dienaar Benhadad zegt: Laat mij toch in lev­en. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.
1 Koningen 20:33 En de mannen merkten dit op en vatten het onmiddellijk op als welgemeend. Zij zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zei: Ga hem halen. Toen ging Benhadad naar hem toe, en Achab liet hem op de wagen klimmen.
1 Koningen 20:34 En Benhadad zei tegen hem: De steden die mijn vader uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven. U mag in Damascus een markt vestigen, zoals mijn vader in Samaria heeft ge­daan. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond laten gaan. Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan.
1 Koningen 20:35 Toen zei een man uit de leerling-profeten door het woord van de HEERE tegen zijn naaste: Sla mij toch! Toen de man weigerde hem te slaan,
1 Koningen 20:36 zei hij tegen hem: Omdat u niet geluisterd hebt naar de stem van de HEERE, zie, wanneer u bij mij vandaan gaat, zal een leeuw u doden. En toen hij bij hem vandaan ging, trof een leeuw hem aan en doodde hem.
1 Koningen 20:37 Daarna trof hij een andere man aan en zei: Sla mij toch! En die man sloeg hem zdat hij hem verwondde.
1 Koningen 20:38 Toen ging de profeet op de weg vr de koning staan. Hij had zichzelf vermomd met een band over zijn ogen.
1 Koningen 20:39 En het gebeurde, toen de koning voorbijging, dat hij tegen de koning riep, en zei: Uw dienaar was uitgetrokken in het midden van de strijd, en zie, één man ging terzijde en bracht een andere man bij mij, en zei: Bewaak deze man, als hij hoe dan ook vermist wordt, zal uw leven in de plaats van zijn leven komen, of u moet een talent zilver betalen.
1 Koningen 20:40 Het gebeurde nu, als uw dienaar her en der bezig was, dat die man er niet meer was. Toen zei de koning van Israël tegen hem: Dat is dan uw vonnis, u hebt het zelf geveld.
1 Koningen 20:41 Toen deed hij vlug de band van voor zijn ogen weg, en de koning van Israël herkende hem, dat hij een van de profeten was.
1 Koningen 20:42 En hij zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Omdat u de man die Ik met de ban sloeg, vrijuit liet gaan, zal uw leven in de plaats van zijn leven zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.
1 Koningen 20:43 Toen ging de koning van Israël naar huis, somber gestemd en woedend, en hij kwam in Samaria.

1 Koningen 21

1 Koningen 21:1 Hierna gebeurde het volgende: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.
1 Koningen 21:2 En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, of, als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.
1 Koningen 21:3 Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daar­van bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!
1 Koningen 21:4 Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jiz­reël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.
1 Koningen 21:5 Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber ges­temd is en dat u geen voedsel tot u neemt?
1 Koningen 21:6 Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.
1 Koningen 21:7 Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet nu het koning­schap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.
1 Koningen 21:8 Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.
1 Koningen 21:9 In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.
1 Koningen 21:10 En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel ge­zegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.
1 Koningen 21:11 En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.
1 Koningen 21:12 Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.
1 Koningen 21:13 Toen kwamen er twee man­nen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.
1 Koningen 21:14 Daarna stuurden zij Izebel een bode om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.
1 Koningen 21:15 Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet meer, maar is dood.
1 Koningen 21:16 En het gebeurde, toen Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar de wijngaard van Naboth uit Jiz­reël af te dalen om die in bezit te nemen.
1 Koningen 21:17 Maar het woord van de HEERE kwam tot Elia, de Tisbiet:
1 Koningen 21:18 Sta op, daal af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria woont. Zie, hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgedaald is om die in bezit te nemen.
1 Koningen 21:19 En u moet tegen hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Hebt u een moord gepleegd en ook ie­mands land in bezit genomen? Verder moet u tot hem spreken: Zo zegt de HEERE, op de plaats waar de honden het bloed van Naboth opgelikt hebben, zullen de honden uw bloed oplikken, ja, het uwe!
1 Koningen 21:20 En Achab zei tegen Elia: Hebt u mij gevonden, mijn vijand? Hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelf verkocht hebt om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE.
1 Koningen 21:21 Zie, Ik breng onheil over u. Ik zal uw nakomelingen wegvagen, en Ik zal van Achab alle mannen uitroeien, zowel de gebondene als de vrije in Israël.
1 Koningen 21:22 Ik zal uw huis maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Ahia, vanwege uw tergen, waarmee u Mij tot toorn hebt verwekt en Israël hebt doen zondi­gen.
1 Koningen 21:23 En verder sprak de HEERE over Izebel: De honden zullen Izebel opeten bij de ves­tingwal van Jizreël.
1 Koningen 21:24 Wie van Achab in de stad sterft, die zullen de honden opeten, en wie in het veld sterft, die zullen de vogels in de lucht opeten.
1 Koningen 21:25 Er is nooit iemand zoals Achab geweest, die zichzelf verkocht om te doen wat slecht is in de ogen van de HEERE, om­dat Izebel, zijn vrouw, hem daartoe aanspoorde.
1 Koningen 21:26 Hij handelde zeer gruwelijk door achter de stinkgoden aan te gaan, overeenkomstig alles wat de Amorieten hadden gedaan, die de HEERE van voor de ogen van de Israëlieten verdreven had.
1 Koningen 21:27 Het gebeurde nu, toen Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, een rouwgewaad om zijn lichaam deed en vastte. In dat rouwgewaad ging hij ook slapen en liep hij langzaam rond.
1 Koningen 21:28 Toen kwam het woord van de HEERE tot Elia, de Tisbiet:
1 Koningen 21:29 Hebt u gezien dat Achab zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht, zal Ik dat onheil nog niet in zijn dagen brengen. In de dagen van zijn zoon zal Ik dat onheil over zijn huis brengen.

1 Koningen 22

1 Koningen 22:1 Drie jaar zaten zij stil: er was geen oorlog tussen Syrië en Israël.
1 Koningen 22:2 Het gebeurde echter in het derde jaar dat Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël toe ging.
1 Koningen 22:3 Toen zei de koning van Israël tegen zijn dienaren: Weet u dat Ramoth in Gilead van ons is? En wij doen niets om het uit de hand van de koning van Syrië terug te nemen.
1 Koningen 22:4 Daar­na zei hij tegen Josafat: Trekt u met mij ten strijde tegen Ramoth in Gilead? En Josafat zei te­gen de koning van Israël: Ik ben als u, mijn volk is als uw volk, mijn paarden zijn als uw paar­den.
1 Koningen 22:5 Verder zei Josafat tegen de koning van Israël: Vraag toch vandaag nog naar het woord van de HEERE.
1 Koningen 22:6 Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer vier­honderd man, en zei tegen hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik er­van afzien? Zij zeiden: Trek op, want de Heere zal hen in de hand van de koning geven.
1 Koningen 22:7 Maar Josafat zei: Is er hier niet nog een profeet van de HEERE, zodat wij de HEERE door hem kunnen raadplegen?
1 Koningen 22:8 Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Er is nog één man om door hem de HEERE te raadplegen, maar ík haat hem, want hij profeteert niets goeds over mij, alleen maar onheil: Micha, de zoon van Jimla. Josafat zei: Zo moet de koning niet spreken!
1 Koningen 22:9 Toen riep de koning van Israël een hoveling en zei: Haal snel Micha, de zoon van Jimla.
1 Koningen 22:10 Nu zaten de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, ieder op zijn troon, gekleed in staatsiegewaad op de dorsvloer, bij de ingang van de poort van Samaria. En al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.
1 Koningen 22:11 Zedekia, de zoon van Kenaäna, had ijzeren horens voor zichzelf gemaakt, en zei: Zo zegt de HEERE: Hiermee zult u de Sy­riërs neerstoten, totdat u hen vernietigd hebt.
1 Koningen 22:12 En alle profeten profeteerden hetzelfde: Trek op naar Ramoth in Gilead en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.
1 Koningen 22:13 De bode nu die Micha was gaan roepen, sprak tot hem: Zie toch, de woor­den van de profeten zijn eenstemmig in het voordeel van de koning. Laat toch uw woord als het woord van een van hen zijn, en spreek het goede.
1 Koningen 22:14 Maar Micha zei: Zo waar de HEERE leeft, wat de HEERE tegen mij zegt, dat zal ik spreken.
1 Koningen 22:15 Toen hij bij de koning kwam, zei de koning tegen hem: Micha, zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij ervan afzien? En hij zei tegen hem: Trek op, en u zult slagen, want de HEERE zal hen in de hand van de koning geven.
1 Koningen 22:16 De koning zei tegen hem: Hoeveel keer moet ik u nog bezweren dat u tot mij niets zult spreken dan alleen de waarheid, in de Naam van de HEERE?
1 Koningen 22:17 Hij zei: Ik zag heel Israël overal verspreid op de bergen, als schapen die geen herder hebben. En de HEERE zei: Dezen hebben geen heer, laat ieder in vrede naar zijn huis terugkeren.
1 Koningen 22:18 Toen zei de koning van Israël tegen Josafat: Heb ik niet tegen u gezegd: Hij zal over mij niets goeds profeteren, alleen maar onheil?
1 Koningen 22:19 Verder zei Micha: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter-en aan Zijn linkerzijde.
1 Koningen 22:20 En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen in de strijd? De een nu zei dit, en de ander zei dat.
1 Koningen 22:21 Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee?
1 Koningen 22:22 Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo.
1 Koningen 22:23 Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.
1 Koningen 22:24 Toen kwam Zedekia, de zoon van Kenaäna, naar voren. Hij sloeg Micha op zijn kaak, en zei: langs welke weg is de Geest van de HEERE van mij weggegaan om tot u te spreken?
1 Koningen 22:25 En Micha zei: Zie, u zult het zien, op de dag waarop u van kamer naar kamer gaat om u te verbergen.
1 Koningen 22:26 Daarop zei de koning van Israël: Neem Micha mee en breng hem terug naar Amon, de leider van de stad, en naar Joas, de zoon van de koning.
1 Koningen 22:27 En u moet zeggen: Dit zegt de koning: Zet deze man in de gevangenis en laat hem brood van verdrukking eten en water van verdrukking drinken, totdat ik in vrede terugkom.
1 Koningen 22:28 Maar Micha zei: Als u echt in vrede terugkeert, heeft de HEERE niet door mij gesproken! Verder zei hij: Luister, volken, allemaal!
1 Koningen 22:29 Zo trok de koning van Israël met Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.
1 Koningen 22:30 De koning van Israël zei tegen Josafat: Zodra Ik mij vermomd heb, trek ik ten strijde. Trekt u echter uw eigen kleren aan. Zo vermomde de koning van Israël zich en trok ten strijde.
1 Koningen 22:31 Nu had de koning van Syrië de bevelhebbers van de strijdwagens, waarvan hij er tweeënder­tig had, geboden: U mag niet tegen kleinen of tegen groten strijden, maar alleen tegen de kon­ing van Israël.
1 Koningen 22:32 Het gebeurde dan, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Dat is zeker de koning van Israël. Zij gingen op hem af om tegen hem te strijden, maar Josafat schreeuwde om hulp.
1 Koningen 22:33 En het gebeurde, zodra de bevelhebbers van de strijdwagens zagen dat hij niet de koning van Israël was, dat zij zich van hem afkeer­den.
1 Koningen 22:34 Toen spande een man in zijn onschuld de boog en trof de koning van Israël tussen de verbindingsstukken en het harnas. Toen zei deze tegen zijn wagenmenner: Wend de teugel en breng mij weg uit het leger, want ik ben gewond.
1 Koningen 22:35 De strijd laaide die dag echter hoog op. De koning werd in de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs, maar in de avond stierf hij. Het bloed van de wond vloeide in de bak van de wagen.
1 Koningen 22:36 Toen de zon onderg­ing, ging de luide roep door het legerkamp: Ieder naar zijn stad, en ieder naar zijn land!
1 Koningen 22:37 Zo stierf de koning. Hij werd naar Samaria gebracht en zij begroeven de koning in Samaria.
1 Koningen 22:38 Men spoelde de wagen af bij de vijver van Samaria, waar de hoeren zich wasten. De honden likten zijn bloed op, overeenkomstig het woord van de HEERE, dat Hij gesproken had.
1 Koningen 22:39 Het overige nu van de geschiedenis van Achab, alles wat hij gedaan heeft, het ivo­ren huis dat hij gebouwd heeft en al de steden die hij gebouwd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?
1 Koningen 22:40 Zo ging Achab te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 22:41 Josafat, de zoon van Asa, was koning geworden over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.
1 Koningen 22:42 Josafat was vijfendertig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar in Jeruza­lem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi.
1 Koningen 22:43 Hij wandelde in heel de weg van zijn vader Asa. Hij week daarvan niet af, en deed wat juist was in de ogen van de HEERE.
1 Koningen 22:44 De offerhoogten werden evenwel niet weggenomen: het volk bracht nog steeds slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten.
1 Koningen 22:45 Ook sloot Josafat vrede met de koning van Israël.
1 Koningen 22:46 Het overige nu van de geschiedenis van Josafat, zijn macht, die hij uitgeoefend heeft, en hoe hij oorlog gevoerd heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
1 Koningen 22:47 Ook vaagde hij uit het land de rest van de schandknapen weg, die in de dagen van zijn vader Asa waren overgebleven.
1 Koningen 22:48 Er was toen geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning.
1 Koningen 22:49 Josafat had Tarsis­schepen gebouwd om naar Ofir te gaan om goud. De reis ging echter niet door, want de schepen leden al in Ezeon-Geber schipbreuk.
1 Koningen 22:50 Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, te­gen Josafat: Laat mijn dienaren met uw dienaren op de schepen meevaren, maar Josafat wilde dat niet.
1 Koningen 22:51 En Josafat ging te ruste bij zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen be­graven in de stad van zijn vader David, en zijn zoon Jehoram werd koning in zijn plaats.
1 Koningen 22:52 Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël in Samaria in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaar over Israël.
1 Koningen 22:53 Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE. Hij ging namelijk in de weg van zijn vader en in de weg van zijn moeder, in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.
1 Koningen 22:54 Hij diende de Baäl en boog zich voor hem neer, en verwekte de HEERE, de God van Israël, tot toorn, overeenkomstig alles wat zijn vader gedaan had.

Deel dit artikel op: