Afwijken

Hoewel een ieder in de Bijbel voorgehouden wordt het spoor te houden en op de rechte weg te blijven (1 Samuël 12:23; Galaten 5:25; Filippenzen 3:16) wijkt men daarvan af, omdat men het Woord van God, veronachtzaamt. (Deuteronomium 9:12, 16; 17:20; 28:14) Vaak gaat men andere goden dienen (Deuteronomium 11:16; 1 Samuël 12:21).

Van koningen van Israël wordt gezegd, dat zij niet afweken van de zonden hunner voorgangers (2 Koningen 3:3; 10:29; 13:2 etc.). De vromen wijken noch naar rechts noch naar links van de (goede) weg af (Deuteronomium 5:32; Jozua 1:7; Spreuken 4:27). Dat allen van ‘de weg’ zijn afgeweken (Psalmen 14:3) wordt door Paulus van Joden en Grieken gezegd (Romeinen 3:12).


Zoekterm

Afwijken, wijkt (af), afgeweken


Vertalingen

Engels: decline, turn aside, go aside

Duits: abweichen

Hebreeuws: סוּר

Grieks: ἐκκλίνω


Betekenis

van Dale

afwijken

onovergank. werkw.; week af; is afgeweken

  1. langzamerhand een andere richting aannemen en zich daardoor verwijderen van de weg die men volgde, of van het gezelschap waarbij men zich bevond
  2. (figuurlijk) van de goede weg afgaan, tot zondige handelingen of tot dwaling vervallen
  3. ontrouw worden aan zijn plichten, beginselen, bevelen, voorschriften, verbintenissen, deugd, recht, waarheid, gewoonten, gebruiken of gevoelens, door handelingen, denkbeelden of beweringen die ermee in strijd zijn
  4. verschillen van iets dat als regel, gewoonte of voorbeeld wordt voorgesteld
  5. ongemerkt afdwalen
  6. in strijd zijn met –
    antoniem: overeenkomen
  7. (scheepvaart) van koers veranderen, m.n. van de rechte koers afgaan, zijdelings afdrijven
  8. (van bewegende zaken) een andere richting aannemen
  9. (van stromend water) afvloeien, wegvloeien
  10. (bijbeltaal, verouderd) zich naar elders richten
  11. (figuurlijk) (van eigenschappen, aandoeningen, ervaringen enz. als iets goeds of kwaads voor een persoon voorgesteld) van hem afgaan
  12. (verouderd) de strijd staken, zich terugtrekken
    synoniem: aftrekken
  13. (van een weg, een pad, een spoor enz.) zich uitstrekken in een richting die van de hoofdweg afleidt
  14. een ander beloop hebben
    synoniem: verschillen

Strong  (via The Word)

H5493 סוּר cuwr (soor) v.
שׂוּר suwr (soor) [Hosea 9:12]
to turn off (literal or figurative).

KJV: be(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), X grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, X be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without.

G1578 ἐκκλίνω ekklino (ek-kliy’-no) v.

  1. (absolutely) to turn aside, deviate.
  2. (literally or figuratively) to shun.
  3. (relatively) to decline (from piety).

KJV: avoid, eschew, go out of the way

Root(s): G1537, G2827



Typologie

Geen duidelijke typologische betekenis bekend.


Bijbelverzen

Afwijken komt in 21 Bijbelverzen voor:

(Numeri 20:17) Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter- noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.

(Numeri 21:22) Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.

(Deuteronomium 7:4) Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen.

(Deuteronomium 17:11) Naar het bevel der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand.

(Deuteronomium 28:14) En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechter- of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.

(Deuteronomium 31:29) Want ik weet, dat gij het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken.

(2 Samuël 2:21) En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.

(2 Samuël 6:10) David dan wilde de ark des HEEREN niet tot zich [laten] overbrengen in de stad Davids; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.

(2 Samuël 12:10) Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uría, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.

(2 Samuël 14:19) En de koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zeide: [Zo waarachtig als] uw ziel leeft, mijn heer koning, indien iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in den mond uwer dienstmaagd gelegd;

(1 Kronieken 13:13) Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.

(Psalmen 40:4) (40:5) Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.

(Spreuken 3:21) Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

(Spreuken 22:6) Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

(Spreuken 27:22) Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.

(Jesaja 10:27) En het zal geschieden ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, om des Gezalfden wil.

(Jesaja 30:21) En uw oren zullen horen het woord [desgenen], [die] achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand.

(Jeremía 17:13) O HEERE, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den HEERE, den Springader des levenden waters.

(Jeremía 32:40) En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.

(Ezechiël 16:42) Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen.

(Hoséa 5:2) En die afwijken, verdiepen zich [om] te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.

Wijkt (af) komt in 21 Bijbelverzen voor:

(Numeri 16:26) En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.

(Deuteronomium 5:32) Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechter-, noch ter linkerhand.

(1 Samuël 12:20) Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart.

(1 Samuël 12:21) En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na [volgen], die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.

(1 Samuël 15:6) En Saul liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten.

(2 Samuël 2:22) Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?

(Psalmen 6:8) (6:9) Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.

(Psalmen 55:11) (55:12) Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

(Psalmen 119:115) Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.

(Psalmen 139:19) O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!

(Spreuken 5:7) Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

(Spreuken 14:16) De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

(Spreuken 16:6) Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.

(Jesaja 30:11) Wijkt af van den weg, maakt u van de baan; laat den Heilige Israëls van ons ophouden!

(Jesaja 46:7) Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept [iemand] tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.

(Jesaja 59:15) Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.

(Klaagliederen 4:15) [Samech]. Zij riepen tot hen: Wijkt, [hier is] een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.

(Micha 2:6) Profeteert gijlieden niet, [zeggen zij], laat [die] profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af [van] smaadheden.

(Lukas 9:39) En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.

(Lukas 13:27) En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!

(Romeinen 16:17) En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij [van ons] geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.

Afwijken komt in 23 Bijbelverzen voor:

(Éxodus 32:8) En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.

(Numeri 5:12) Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;

(Numeri 5:19) En de priester zal haar beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt!

(Numeri 5:20) Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:

(Numeri 5:29) Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;

(Deuteronomium 9:12) Dat de HEERE tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af van hier; want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.

(Deuteronomium 9:16) En ik zag toe, en ziet, gij hadt tegen den HEERE, uw God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de HEERE geboden had.

(1 Koningen 20:39) En het geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot den koning riep, en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zeide: Bewaar dezen man, indien hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen.

(2 Kronieken 25:27) Van den tijd nu af, dat Amázia afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.

(Job 23:11) Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

(Job 34:27) Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;

(Psalmen 14:3) Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.

(Jesaja 7:17) [Doch] de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, [door] den koning van Assyrië.

(Jesaja 31:6) Bekeert u tot [Hem], van Denwelken de kinderen Israëls diep afgeweken zijn.

(Ezechiël 6:9) Dan zullen uw ontkomenen Mijner gedenken onder de heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben.

(Maleáchi 2:8) Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet, gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de HEERE der heirscharen.

(Maleáchi 3:7) Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?

(Handelingen 1:25) Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.

(Handelingen 15:38) Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.

(Romeinen 3:12) Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is [ook] niet tot één toe.

(1 Timótheüs 1:6) Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking;

(1 Timótheüs 6:21) Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.

(2 Timótheüs 2:18) Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alrede geschied is, en verkeren sommiger geloof.

Deel dit artikel op: