Afvallen

Zoals bladeren van een boom afvallen, vielen in het Oude Testament regelmatig onderdanen, bondgenoten van een koning die ook wel leenmannen of leenheren werden genoemd, af van hun koning. Dat kwam o.a. voor als de politieke situatie veranderde door bijvoorbeeld het overlijden van de koning (Jesaja 1:30, 2 Koningen 1:1; 2 Koningen 3:5; 2 Koningen 8:22, vgl. Handelingen 5:37).

Mensen kunnen afvallig worden, afvallen van de HEER hun God, zoals het loof. Zij vallen af van de levende God of van het ‘geloof’ (Psalmen 78:57; Jesaja 64:6; Jesaja 31:6; Hebreeën 3:12; 1 Timótheüs 4:1).

In de Bijbel wordt zoals gezegd gesproken over afval of afvallen, maar in 2 Thessalonicenzen 2:3 gaat het over de afval. Dit is één van de verschijnselen van de eindtijd. Dan zal er een afval op grote schaal zijn en deze zal niet plaats hebben in de wereld, maar in de kerk. De apostel Paulus stelt dat deze afval gelijktijdig optreedt met de openbaring van de antichrist, van wie de geest al krachtig in de wereld werkt (2 Thessalonicenzen 2:3; 1 Johannes 4:3).

Het is niet ondenkbaar dat nieuwe theologische inzichten en de steeds minder wordende Bijbelkennis onder gelovigen een bijdrage zal leveren aan de massale afval, die aan de grote Dag des Heren zal voorafgaan.


Zoekterm

Afvallen, afval, afgevallen, afvallig


Vertalingen

Engels: to fall of, a falling away, depart from the faith, revolting

Duits: Abfall, abtrünniges

Hebreeuws: סָרַר Volgens Strong

Grieks: ἀφίστημι Volgens Strong


Betekenis

van Dale

1· (van vaartuigen) niet goed bij de wind blijvend, telkens zodanig afwijkend, dat de wind meer van achteren inkomt en dus ongeschikt om op te loeven

2. ontrouw geworden aan degene wie men trouw of gehoorzaamheid schuldig was of aan de partij waartoe men behoorde

synoniem: ontrouw

3· (in ’t bijzonder) ontrouw geworden aan God of aan de kerk waartoe men behoorde

4· (gewestelijk) (van bladeren, bloemen, vruchten e.d.) licht afvallend, nog niet stevig vastzittend

Strong  (via The Word)

H5637 סָרַר carar (saw-rar’) v.

  1. to turn away.
  2. (morally) be refractory.

KJV: X away, backsliding, rebellious, revolter(-ing), slide back, stubborn, withdrew.

G3895 παραπίπτω parapipto (pa-ra-piyp’-tō) v.

  1. to fall aside.
  2. (figuratively) to apostatize.

KJV: fall away
Root(s): G3844, G4098


Typologie

Geen duidelijke typologische betekenis bekend.


Bijbelverzen

Afvallen komt in 7 bijbelverzen voor:

(Psalmen 37:2) Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.

(Jesaja 1:30) Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.

(Jesaja 30:1) Wee den kinderen, die afvallen, spreekt de HEERE, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om [zich] met een bedekking te bedekken, maar niet [uit] Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen;

(Jesaja 34:4) En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk [een vijg] afvalt van den vijgeboom.

(Ezechiël 47:12) Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.

(Handelingen 21:21) En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijze [der wet] wandelen.

(1 Timótheüs 4:1) Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,

Afval komt in 9 bijbelverzen voor:

(Deuteronomium 13:5) En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft [tot] een afval gesproken tegen den HEERE, uw God, Die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van den weg, dien u de HEERE, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

(Ezra 4:15) Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.

(Ezra 4:19) En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.

(Jesaja 59:13) Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.

(Jeremía 28:16) Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij een afval gesproken hebt tegen den HEERE.

(Jeremía 29:32) Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semája, den Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.

(Daniël 8:12) En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig [offer]; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

(Daniël 8:13) Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig [offer] en [van] den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir [ter] vertreding zal overgegeven worden?

(2 Thessalonicenzen 2:3) Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want [die komt niet], tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;

Afgevallen komt in 11 bijbelverzen voor:

(Leviticus 19:10) Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen beziën van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!

(1 Samuël 29:3) Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreën? Zo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, den koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe.

(2 Koningen 2:13) Hij hief ook Elía’s mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan.

(2 Koningen 2:14) En hij nam den mantel van Elía, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elía? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elísa ging er door.

(2 Koningen 3:7) En hij ging heen, en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

(Jeremía 5:23) Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;

(Jeremía 8:13) Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en [de geboden], [die] Ik hun gegeven heb, die overtreden zij.

(Klaagliederen 5:16) De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij [zo] gezondigd hebben!

(Daniël 7:20) En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.

(Jakobus 1:11) Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

(1 Petrus 1:24) Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;

Afvallig komt in 6 bijbelverzen voor:

(2 Kronieken 36:13) Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israëls.

(Jeremía 5:23) Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;

(Hoséa 4:18) Hunlieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun schilden (het is een schande!) beminnen [het woord]: Geeft.

(Hoséa 8:1) De bazuin aan uw mond; [hij komt] als een arend tegen het huis des HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.

(Handelingen 5:37) Na hem stond op Judas, de Galiléër in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.

(Hebreeën 6:6) En afvallig worden, [die], [zeg ik], wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u het gebruik van deze cookies en gaat u akkoord met ons cookiebeleid.  Meer info