Cham

Betekenissen (van de naam)

Cham betekent “warm”, “heet”, “gloeiend” of “zuidland”. De naam wordt ook verbonden met vitaliteit, energie en warmte.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Vroege oudtestamentische periode, direct na de zondvloed (ca. 3e millennium v.Chr. volgens Bijbelse chronologie).

Naam in het Hebreeuws

חָם (Cham)

Naam in het Grieks

Χαμ (Cham)

Strongnummers

Hebreeuws: H2526
Grieks: G2526 (transliteratie van de Hebreeuwse naam)

Etymologische gegevens

Cham is afgeleid van een Semitische wortel die “warmte” of “hitte” aanduidt. De naam wordt traditioneel verbonden met zuidelijke gebieden, zoals Afrika, en met vitaliteit en kracht. Cham is een van de drie zonen van Noach en wordt beschouwd als stamvader van verschillende volken, waaronder de Kanaänieten, Egyptenaren en Libiërs. De etymologie weerspiegelt zowel fysieke warmte als geografische richting.

Formuleringen (Schrijfwijze)

in de Statenvertaling: Cham
in de Herziene Statenvertaling: Cham
in de King James vertaling: Ham

Symbolische betekenis

Warmte, vitaliteit, oorsprong van volken, menselijke zwakheid en verantwoordelijkheid.

Bijbelse Stam

Cham is stamvader van meerdere volken, waaronder Kanaän, Egypte (Mizraïm), Cusj en Put.

Familie

VaderNoach
MoederOnbekend
BroersSem, Jafeth
ZussenOnbekend
VrouwOnbekend
ManNiet van toepassing
ZonenCusj, Mitsraïm, Put, Kanaän
DochtersOnbekend

Een korte omschrijving

Cham is een van de drie zonen van Noach en speelt een belangrijke rol in de vroege Bijbelse geschiedenis. Hij wordt genoemd als stamvader van diverse volken die een grote invloed hebben gehad op het oude Nabije Oosten, waaronder Egypte en Kanaän. De naam Cham draagt de betekenis van warmte en vitaliteit, wat past bij de geografische gebieden die met zijn nageslacht worden geassocieerd. Zijn optreden in Genesis 9, waar hij zijn vader Noach onteert, vormt een belangrijk theologisch moment dat de toekomst van zijn nakomelingen beïnvloedt. Cham staat daarmee zowel voor oorsprong als voor morele verantwoordelijkheid.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 5:32, Genesis 6:10, Genesis 7:13, Genesis 9:18, Genesis 9:22, Genesis 10:1, Genesis 10:6, Genesis 10:20, 1 Kronieken 1:4, 1 Kronieken 1:8, 1 Kronieken 4:40, Psalmen 78:51, Psalmen 105:23, Psalmen 105:27, Psalmen 106:22