Gelukskind, medewerker van Paulus, door deze naar Efeze en Kolosse gezonden (Ef. 6:21; Kol. 4:7; 2 Tim. 4:12) en ook naar Kreta (Tit. 3:12).
Categorie: T woorden
-
Tovenaar
Gr. pharmakos (pharmaceut), de man of de vrouw die over geheimzinnige krachten beschikt en als ‘wijze’ (Ex. 7:11; Jes. 47:9; Dan. 2:27) kundig is in het manipuleren ervan. Men kan denken aan de liefdesappelen van Lea (Gen. 30:14), de staf van de Egyptische mededinger (Ex. 7:12), de tovenares van – Endor (1 Sam. 28). In Hand. worden Simon Magus (8:9 w) en Bar Jezus/Elymas (13:6) genoemd. Tegen de occulte praktijken van waarzeggers, droomuitleggers en tovenaars wordt sterk gewaarschuwd, ze zijn onverenigbaar met het geloof in de ene Heer (Ex. 22:18; Deut. 18:10 w; 2 Kon. 9:22; Gal. 5:20; Openb. 21:8). Christen geworden tovenaars verbranden hun boeken met magische formules in Efeze (Hand. 19:18 v).
-
Tyrannus
Heerser, leraar in welsprekendheid in Efeze, die zijn zaal aan Pauhus ter beschikking stelde (Hand. 19:9).
-
Trachonitis
Rotsachtige bodem, naam van de hoogvlakte ten z.o. van Damascus, ten o. van de Jordaan (Luc. 3:1).
-
Tyrus
Rots, bekende Fenicische havenstad (Ex. 26:4; Ps. 83:8; 87:4). Een koning van Tyrus, Chiram, was bondgenoot van David en Salomo (2 Sam. 5:11; 1 Kon. 9:11). Paulus trof er op zijn derde reis Discipel|discipelen aan (Hand. 21:3).
-
Tres Tabernae
Tres Tabernae = Drie herbergen, taberna = winkeltje, kroegje. Plaats aan de Via Appia ± 50 km z.o. van Rome, waar Paulus en Christenen uit Rome elkaar ontmoetten (Hand. 28:15).
-
Troas
Havenstad aan de n.w. kust van Klein-Azië, aan de Hellespont, waar Paulus het visioen had van de roepende Macedoniër (Hand. 16:8 w), en later op zijn derde reis Eutyches opwekte (Hand. 20:5-12).
-
Trofimus
Heiden-christen uit Efeze, reisgenoot van Paulus op weg naar Jeruzalem (Hand. 20:4; vgl. 2 Tim. 4:20).
-
Troon
Gr. thronos = stoel van een priester (1 Sam. 1:9, 13, 18), rechter (Spr. 20:8), stadhouder (Neh. 3:7) en koning (Gen. 41:40; Ex. 11:5; 1 Kon. 1:13, 24). Op de troon gaan zitten betekent: gaan regeren, koninklijke beslissingen nemen (1 Kon. 2:19; 22:10; Ps. 47:9). De troon is het symbool van heerschappij (2 Sam. 3:10; 7:16; Jer. 33:17; Openb. 2:13). Ook God troont, op de cherubs (Ps. 80:2), op de lofzangen van Israël (Ps. 22:4), in de hemel, boven de zondvloed (Ps. 123:1; 29:10), omringd door Zijn hemelse hofhouding (1 Kon. 22:19; Jes.6:1; Openb. 1:4; 4:5).
Ook de Christus zetelt op een troon (Matt. 25:31; Openb. 20:11 w; 22:1), omringd door de tronen van de 12 apostelen, die de stammen van Israël richten (Matt. 19:28) —*■ Zitten kan wel de betekenis hebben van op de troon zitten, d.i. heersen, richten (Joel 3:12; 2 Sam. 19:8).