Tres Tabernae = Drie herbergen, taberna = winkeltje, kroegje. Plaats aan de Via Appia ± 50 km z.o. van Rome, waar Paulus en Christenen uit Rome elkaar ontmoetten (Hand. 28:15).
Categorie: T woorden
-
Troas
Havenstad aan de n.w. kust van Klein-Azië, aan de Hellespont, waar Paulus het visioen had van de roepende Macedoniër (Hand. 16:8 w), en later op zijn derde reis Eutyches opwekte (Hand. 20:5-12).
-
Trofimus
Heiden-christen uit Efeze, reisgenoot van Paulus op weg naar Jeruzalem (Hand. 20:4; vgl. 2 Tim. 4:20).
-
Troon
Gr. thronos = stoel van een priester (1 Sam. 1:9, 13, 18), rechter (Spr. 20:8), stadhouder (Neh. 3:7) en koning (Gen. 41:40; Ex. 11:5; 1 Kon. 1:13, 24). Op de troon gaan zitten betekent: gaan regeren, koninklijke beslissingen nemen (1 Kon. 2:19; 22:10; Ps. 47:9). De troon is het symbool van heerschappij (2 Sam. 3:10; 7:16; Jer. 33:17; Openb. 2:13). Ook God troont, op de cherubs (Ps. 80:2), op de lofzangen van Israël (Ps. 22:4), in de hemel, boven de zondvloed (Ps. 123:1; 29:10), omringd door Zijn hemelse hofhouding (1 Kon. 22:19; Jes.6:1; Openb. 1:4; 4:5).
Ook de Christus zetelt op een troon (Matt. 25:31; Openb. 20:11 w; 22:1), omringd door de tronen van de 12 apostelen, die de stammen van Israël richten (Matt. 19:28) —*■ Zitten kan wel de betekenis hebben van op de troon zitten, d.i. heersen, richten (Joel 3:12; 2 Sam. 19:8). -
Trooster
In het Johannesevangelie wordt gesproken over de H. Geest als de Paraklètos, de Paracleet, d.i. die erbij geroepen is. Dit woord wordt gebruikt in de rechtszaal en duidt de juridische bijstand aan, de voorspraak. Hij is het die getuigt van de Christus (Joh. 15:27) en de apostelen onderricht in de verkondiging van het Evangelie (Joh. 16:14 v). Ook elders in de bijbel wordt gezinspeeld op voorspraak en bijstand (Gen. 18:23-33; Ex. 32:11 w; 1 Sam. 15:11; Zach. 3:1-5). Datgene, wat wij onder ‘troosten’ verstaan doet de HEER aan hen die lijden (Ps. 86:17; Jes. 40:1; 49:13). In dit opzicht is God vrouwelijk: ‘Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten’ (Jes. 66:13).
-
Trouw
De bestendigheid van vriendschap en liefde. Trouw is een eigenschap van discipelen van God (Spr. 3:3; Hand. 11:23; Gal. 5:22), de liefde en de trouw van zijn onderdanen zijn een bescherming voor de koning (Spr. 20:28), het fundament van een huwelijk (Hos. 2:19). Van de Messias geldt: trouw is de gordel van Zijn heupen (Jes. 11:5). Maar de mensen zijn altijd weer trouweloos (Ps. 78:57; Mal. 2:10; 2 Tim. 3:3). Waar trouw en gerechtigheid ontbreken, wordt het land een wildernis (Hos. 4:1, 3). Daar tegenover wordt in de bijbel de trouw van God geroemd (Ps. 33:4; 36:6; 117:2; 1 Tess. 5:24). ‘Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft trouw’ (2 Tim. 2:13).
-
Tubal
Zoon van en nakomelingschap van Jafet (Gen. 10:2; Jes. 66:19; Ez. 27:13; 32:26). De stam der Tubals of Tibarenen woonde in Klein-Azië, in het z.o. van Cappadocië.
-
Tubal-Kaïn
Tubal-Kaïn – Zoon van —► Lamech en Zilla, patroon van de metaalbewerkers en smeden (Gen. 4:22).
-
Tucht
Is kastijding (het Egyptische eguivalent van het Hebr. woord is voorzien van het signaalteken de stok!) of terechtwijzing in woorden. De discipline wordt sterk aanbevolen in de opvoeding van leerlingen of ‘zonen’ door ouders en leermeesters (Spr. 1:3; 4:13; 6:23; Ef. 6:4). Opdat Zijn volk de rechte weg zal gaan kan de HEER het tuchtigen (Jes. 26:16; Jer. 31:18 v). Door kastijding behandelt God Zijn volk als zonen (Hebr. 12:5 w). Paulus ziet de wet van God als een tuchtmeester (‘paidagoogos, paedagoog, een slaaf, die een jongen naar school begeleidt en op hem past) die tot de Christus leidt (Gal. 3:24 v).