Zie: Crispus
Categorie: K namen
-
Krescens
G2913 – Κρήσκης (Krēskēs)
Eigennaam ♂
Betekenis:
GroeiendOmschrijving
Een assistent van Paulus en één van de zeventig discipelen.
Bijbelverzen
nt16-4:10 2 Timótheüs 4:10 ,
-
Kores
H3566
כּוֹרֶשׁ kôresh
כֹּרֶשׁ kôreshEigennaam ♂
Betekenis:
Zon – troonOmschrijving
De koning van Perzië.
Bijbelverzen
ot14-36:22 2 Kronieken 36:22 , ot14-36:23 2 Kronieken 36:23 , ot15-1:1 Ezra 1:1 , ot15-1:2 Ezra 1:2 , ot15-1:7 Ezra 1:7 , ot15-1:8 Ezra 1:8 , ot15-3:7 Ezra 3:7 , ot15-4:3 Ezra 4:3 , ot15-4:5 Ezra 4:5 , ot15-5:13 Ezra 5:13 , ot15-5:14 Ezra 5:14 , ot15-5:17 Ezra 5:17 , ot15-6:3 Ezra 6:3 , ot15-6:14 Ezra 6:14 , ot27-1:21 Daniël 1:21 , ot27-6:28 Daniël 6:28 , ot27-10:1 Daniël 10:1
-
Klaudia
G2803 – Κλαυδία (Klaudia)
Eigennaam ♀
Betekenis:
Armzalig – kreupelOmschrijving
Een christelijke vrouw, genoemd in de groet van de brief van Timótheüs.
Bijbelverzen
nt16-4:21 2 Timótheüs 4:21 ,
-
Kenáäna
H3668 – כְּנַעֲנָה (kena‛ănâh)
Eigennaam ♂
Betekenis:
Koopman – handelaar – laagOmschrijving
- De vierde van de zeven zonen van Bilham, zoon van Jedíaël, uit de stam Benjamin, een strijder in de tijd van David;
- Vader van Zedekía, die Achab aanmoedigde tegen Micha.
Bijbelverzen
ot11-22:11 1 Koningen 22:11 , ot11-22:24 1 Koningen 22:24 , ot1-7:13 1 Kronieken 7:10 , ot14-18:10 2 Kronieken 18:10 , ot14-18:23 2 Kronieken 18:23
-
Kappadócië
Zie: Cappadócië
-
Kalné
Plaatsnaam
Betekenis: Gemeenschappelijkheid – onze voleinding – het fort van de god Anu
De vierde van Nimrods steden gelegen aan de rivier de Tigris. Kalné betekent “Fort van de god Anu”. Het fort was één van de belangrijkste voorwerpen van Babylonische aanbidding. Kalno komt ook voor als Calne en Kalno.
Bijbelverzen:
(Genesis 10:10) En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
(Amos 6:2) Gaat over naar Kalné, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote [stad], en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?
(Jesaja 10:9) Is niet Kalno gelijk Kárchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus?
-
Bijbelse namen beginletter K
A – B – C – D – E – F – G – H – I – J – K – L – M – N – O – P – Q – R – S – T – U – V – W – XYZ
Kabul → voetboei, of wat mishaagt.
Kabzeel → wat God bijeenvergaderd.
Kades → heilig, heiligheid
Kades-Barnea → heilige woestijn der omzwerving.
Kadmoniet → oosterling. Gen.15:19
Kafthor → kroon, knop
Kahath → = Kehath. vergadering, verzameling.
Kaïn → bezitting, verkregen.
Kainan → bezitting, verkregen.
Kajafas → navorser.
Kalach → oude tijd, aanvulling.
Kaleb → hond, of goedhartig.
Kaleb-Efratha → vruchtbare hond. 1Kr.2:24
Kalebiet → hard en boos van daden. 1Sa.25:3
Kallai → licht geacht bij God. Neh.12:20
Kalne → versterkte woningen. Amos 6:2
Kalno → wij brengen het ten einde, of
Kamiel → voor God uitgaande [Godvruchtig levende].
Kamon → overvloeiende van halmen, of staand koren. Ri.10:5
Kamos → de snelle [de zon, de god der Moabieten].
Kamoz → idool v.d. Moabieten en Ammonieten. ook: om te wijken. Num.21:29
Kana → plaats van riet (vol riet).
Kanaän → koopman, ook dienstknecht
Kanaaniet → ijveraar.
Kananites → ijveraars.
Kanne → bijnaam, vleiende titel. Eze.27:23
Kapérnaüm → Dorp van Nahum; dorp van rust of schoon dorp.
Kappadocie → Romeinse provincie in Klein Azië. 1Pet.1:1
Karchemis → vesting ter schuilplaats, of vesting van Kamos (afgod).
Kareah → kaal, naakt
Karkaa → de vloer, de grond. Joz.15:3
Karkor → verheven grond. Ri.8:10
Karmel → vruchtbaar veld, wijngaard [hof van God].
Karmi → wijngaardenier, mijn wijngaard.
Karmozijn → rode dierlijke kleurstof (van wormen).
Karpus → vrucht van de baarmoeder. 2Tim.4:13
Kartha → stad. Joz.21:34
Karthan → twee steden. Joz.21:32
Kastor → en Pollux. sterrebeeld tweelingen. (gemini). Han.28:11
Katan → klein, kleinste. Ezr.8:12
Kattath → zeer klein. Joz.19:15
Kedar → zwartheid, zwarthuid.
Kedemot → Deu.2:26 fout St.v. zie Kedemoth
Kedemoth → beginselen, oudsten.
Kedes → heilig, heiligheid
Kedes-Nafthali → Kades in Nafthali. Ri.4:6.
Kedma → oostelijk, oostwaarts.
Kedor-Laomer → hand vol garven, ook wel dienaar van de god Lagamar.
Kedorlaomer → Gen 14:1 de koning van Elamhand vol garvenook wel dienaar van de god Lagamar.
Kedron → zeer zwart, vol zwartheid. Joh.18:1.
Kedumin → de oude rivier. Ri.5:21
Kehath → = Kahath. vergadering, verzameling.
Kehath → vergadering, verzameling.
Kehelatha → naar de vergaderplaats.
Kehila → sterke vesting.
Kelaja → vergadering van Jehova. Ezr.10:23.
Kelita → vergadering van Jehova.
Kemuel → vergadering van God.
Kenaana → koopman, een die de knie buigt
Kenan → ijveraar.
Kenath → bezitting.
Kenaz → jagende.
Keneziet → nakomeling van Kenaz.
Keniet → een nest.
Keniziet → nakomeling van Kenaz.
Keren-happuch → glans van kleur, of hoorn van welriekende vochten. Job 42:14
Kerion-Hezron → steden, ingesloten 15:25
Kerioth → steden.
Keros → een haak, gesp.
Ketura → reukwerk.
Kezia → kassie. Job 42:14
Kibroth Thaava|Kibrôth Tháäva → lustgraven [graven van het volk, dat belust was].
Kibzaim → twee hopen. Joz.21:22.
Kidron → zeer zwart, vol zwartheid.
Kijûn → Beeld, beeltenis (Saturnus of wel de maan). Amos 5:26.
Kilmad → vesting van Medië. Eze.27:23.
Kina → klacht. Joz.15:22.
Kir → muur, vesting.
Kir-Hareseth → stad of vesting van gebakken steen of gedroogde aarde.
Kir-Heres → stad of vesting van gebakken steen of gedroogde aarde.
Kir-Moabs → muur, vesting van Moab. Jes.15:1.
Kiriath-Arba → Gen.23:2. fout St.v. zie Kirjath-Arba
Kiriathaim → dubbele stad. Eze.25:9.
Kirjath → stad. Joz.18:28.
Kirjath-Arba → vierhoekige stad [volmaakte gestalte].
Kirjath-Jearim → stad van bossen [die veel bossen of bomen heeft].
Kirjath-Baal → stad van Baäl.
Kirjath-Huzzoth → een stad van straten [die vele straten heeft].
Kirjath-Jearim → stad van bossen [die veel bossen of bomen heeft].
Kirjath-Sanna → stad van geleerdheid. Joz.15:49.
Kirjath-Sefar → schriftstad, of boekenstad.
Kirjathaim → dubbele stad.
Kis → vangend, vogelvangend; ook hard.
Kisi → gevangen door Jehova. 1Kr.6:44.
Kison → zeer hard.
Kitron → kwastig, knoestig
Klauda → betekenis onbekend. mogelijk: kreupel Han.27:16.
Klaudia → opgeslotene, gevangene. 2Tim.4:21.
Kleopas → geheel of enkel roem. Luk.24:18.
Klopas → geheel of enkel roem. Joh.19:25.
Knidus → stad in klein Azië. Han.27:7.
Koa → edele, prins Eze.23:23.
Kohath → vergadering, verzameling.
Kol-hose → fout St.v. zie Kol-Hoze
Kol-Hoze → alziener.
Kolaja → de stem van Jehova.
Kolosse → stad in Phrygia Kol.1:2.
Koph → oog van een naald.
Kor → droge maat.
Korach → ijs, hagel; ook stoutmoedig.
Korah → ijs, hagel; ook stoutmoedig.
Kore → patrijs.
Kores → in het Perzisch: zon; in het Hebreeuws: als heer.
Korinthe → verzadigdheid, sieraad.
Koz → doorn, [lastige vijand].
Kozbi → liegende.
Krescens → wassende. 2Tim.4:10.
Kreta → zegelaarde, witte klei.
Krethi en Plethi → lijfwacht van David. (hij liet uitroeien en liet vallen).
Krispus → kroes, kroeskop. 1Kor.1:14.
Krith → scheiding.
Kusaja → de boog van Jehova. 1Kr.15:7.