Beeld van God

In Johannes 1:18 zegt Jezus dat niemand ooit God gezien heeft. Jezus heeft het over God de Vader en door deze woorden moeten we aannemen dat het onmogelijk is om vanuit het aanschouwen een voorstelling van God te maken. De tekst laat ook in andere vertalingen weinig ruimte voor een andere uitleg. 

De Goddelijke verschijningen in het Oude Testament, zoals de wolk en de brandende braamstruik, worden dan ook door velen gezien als verschijningsvormen van de Messias. In het christendom is de Messias de Heere Jezus Christus,  die in Johannes 8:58 over zichzelf zegt: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.

Het lijkt met de uitspraken van Jezus onmogelijk dat we een beeld van God de Vader kunnen vormen. Bij een andere benadering van het begrip “beeld van God” lijkt er wel ruimte te zijn om dat beeld te krijgen. Het gaat dan om Genesis 1:26 en 27 waar staat dat God besloot de mens te gaan maken. Hij doet dat zoals het er staat, naar “Ons beeld en Onze gelijkenis”. Je zou dan kunnen concluderen dat God een menselijke gedaante heeft.

Het woord “ons” staat in de Statenvertaling met een hoofdletter geschreven. Vaak wordt gezegd dat het hier zou gaan om God de Vader en God de Zoon. De Zoon wordt ook wel aangeduid als het Woord en Johannes geeft in Johannes 1:1 aan dat het Woord er van het begin af aan al was. Samen met de eerder aangehaalde uitspraak van Jezus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik is het goed denkbaar dat met “ons” inderdaad de Vader en de Zoon worden bedoeld.

Volgens taalkundigen kan het “ons “ook duiden op een taalkundige constructie, de Pluralis majestatis. Pluralis majestatis, letterlijk meervoud van verhevenheid, is het gebruik van het meervoud terwijl iemand naar zichzelf verwijst. Voorbeeld: “Wij Willem Alexander Koning der Nederlanden”.
Binnen het Pluralis majestatis zou het bij het “ons” dan gaan om het Pluralis deliberationae dat voorkomt in combinatie met een werkwoordsvorm. Het wordt ook wel opgevat als een “plural of deliberation” of een “plural of fullness”. Een voorbeeld in het Nederlands hiervan is “laten we eens kijken”.

Beide opties zijn dus mogelijk, maar wil dat dan ook zeggen dat onze uiterlijke kenmerken overeenkomen met die van God de Vader en God de Zoon? Naar Gods beeld en gelijkenis?

Naar Gods beeld en gelijkenis volgens de joodse traditie (geleerden zoals Saadia Gaon en Philo van Alexandrië), betekent niet dat God mensachtige kenmerken bezit, maar eerder dat de verklaring een beeldtaal is voor God die de mensheid speciale eer verleent, die hij de rest van de schepping niet heeft verleend. We verbreden de mens bij deze traditie dan van mens naar mensheid. De Naardense bijbel doet dat ook.

(Genesis 1:26 en 27) Dan zegt God: maken wij een –rode– mensheid in ons beeld en als onze gelijkenis,- laten zij neerdalen bij de vissen van de zee en het gevogelte van de hemel, bij het vee en bij alles van het land, en bij alle kruipsel dat kruipt over het land! (27) God schept de –rode– mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen. (Naardense Bijbel)

Het idee dat God in Genesis 1 vers 26 en 27 de mensheid schiep, is niet volgens de christelijke traditie. Die traditie gaat er vanuit dat Adam en Eva de eerste mensen op aarde waren en dat de schepping van de mens, zoals die in Genesis 2:4-25 beschreven staat, een uitwerking is van Gods werk uit Genesis 1:26 en 27. Het “beeld van God” dat bij de schepping in Adam aanwezig was ging gedeeltelijk verloren met de val van de mens. Door het offer van Jezus aan het kruis kunnen mensen worden herenigd met God. Christelijke denkers gaan er vanuit dat ondanks het feit dat het beeld van God gedeeltelijk verloren is, elke persoon fundamenteel waarde heeft, ongeacht klasse, ras, geslacht of handicap.

Als uitgegaan wordt van het maken van de mensheid in Genesis 1:26 en 27, wordt vervolgens Adam speciaal geplaatst in de hof van Eeden en uit hem wordt Eva gemaakt. Adam en Eva zijn dan niet de eerste mens op aarde, maar de eerste mens waar God zijn plan mee wil gaan uitvoeren. De eerste twee mensen die hij apart zet.

De joodse traditie gaat er vanuit dat God de mensheid “speciale eer verleent”, die hij de rest van de schepping niet heeft verleend. Deze eer wordt beschreven in Genesis 1:28. De mens krijgt heerschappij over de vissen, het gevogelte en de dieren. Heerschappij over een deel van de schepping, net als God heerschappij heeft over het hele universum en alles wat daarin leeft, groeit en bestaat. God delegeerde dat dus aan de mens voor een klein, maar belangrijk deel van de schepping.

Naar het “beeld en gelijkenis van God” is dan gelijk aan het hebben van heerschappij en de daarmee onlosmakelijk verbonden verantwoording.

Deel dit artikel op: