Psalmen

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Psalmen 1

(Psalmen 1:1) Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
(Psalmen 1:2) Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
(Psalmen 1:3) Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
(Psalmen 1:4) Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
(Psalmen 1:5) Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
(Psalmen 1:6) Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

Psalmen 2

(Psalmen 2:1) Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
(Psalmen 2:2) De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
(Psalmen 2:3) Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
(Psalmen 2:4) Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
(Psalmen 2:5) Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
(Psalmen 2:6) Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
(Psalmen 2:7) Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
(Psalmen 2:8) Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
(Psalmen 2:9) Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
(Psalmen 2:10) Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
(Psalmen 2:11) Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
(Psalmen 2:12) Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

Psalmen 3

(Psalmen 3:1) Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom. (3:2) O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.
(Psalmen 3:2) (3:3) Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.
(Psalmen 3:3) (3:4) Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
(Psalmen 3:4) (3:5) Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.
(Psalmen 3:5) (3:6) Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
(Psalmen 3:6) (3:7) Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.
(Psalmen 3:7) (3:8) Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.
(Psalmen 3:8) (3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela.

Psalmen 4

(Psalmen 4:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth. (4:2) Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
(Psalmen 4:2) (4:3) Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.
(Psalmen 4:3) (4:4) Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.
(Psalmen 4:4) (4:5) Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
(Psalmen 4:5) (4:6) Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
(Psalmen 4:6) (4:7) Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
(Psalmen 4:7) (4:8) Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
(Psalmen 4:8) (4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.

Psalmen 5

(Psalmen 5:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechilôth. (5:2) O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
(Psalmen 5:2) (5:3) Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
(Psalmen 5:3) (5:4) Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
(Psalmen 5:4) (5:5) Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.
(Psalmen 5:5) (5:6) De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.
(Psalmen 5:6) (5:7) Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.
(Psalmen 5:7) (5:8) Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.
(Psalmen 5:8) (5:9) HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.
(Psalmen 5:9) (5:10) Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.
(Psalmen 5:10) (5:11) Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.
(Psalmen 5:11) (5:12) Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.
(Psalmen 5:12) (5:13) Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.

Psalmen 6

(Psalmen 6:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth, op de Scheminîth. (6:2) O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
(Psalmen 6:2) (6:3) Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.
(Psalmen 6:3) (6:4) Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?
(Psalmen 6:4) (6:5) Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
(Psalmen 6:5) (6:6) Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?
(Psalmen 6:6) (6:7) Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.
(Psalmen 6:7) (6:8) Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.
(Psalmen 6:8) (6:9) Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
(Psalmen 6:9) (6:10) De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen.
(Psalmen 6:10) (6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden.

Psalmen 7

(Psalmen 7:1) Davids Schiggajôn, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini. (7:2) HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.
(Psalmen 7:2) (7:3) Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
(Psalmen 7:3) (7:4) HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;
(Psalmen 7:4) (7:5) Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)
(Psalmen 7:5) (7:6) Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.
(Psalmen 7:6) (7:7) Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.
(Psalmen 7:7) (7:8) Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.
(Psalmen 7:8) (7:9) De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.
(Psalmen 7:9) (7:10) Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!
(Psalmen 7:10) (7:11) Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.
(Psalmen 7:11) (7:12) God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.
(Psalmen 7:12) (7:13) Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.
(Psalmen 7:13) (7:14) En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.
(Psalmen 7:14) (7:15) Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
(Psalmen 7:15) (7:16) Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.
(Psalmen 7:16) (7:17) Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.
(Psalmen 7:17) (7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.

Psalmen 8

(Psalmen 8:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. (8:2) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
(Psalmen 8:2) (8:3) Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
(Psalmen 8:3) (8:4) Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
(Psalmen 8:4) (8:5) Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
(Psalmen 8:5) (8:6) En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
(Psalmen 8:6) (8:7) Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
(Psalmen 8:7) (8:8) Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
(Psalmen 8:8) (8:9) Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.
(Psalmen 8:9) (8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

Psalmen 9

(Psalmen 9:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Mûth-Labben. (9:2) Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
(Psalmen 9:2) (9:3) In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!
(Psalmen 9:3) (9:4) Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.
(Psalmen 9:4) (9:5) Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.
(Psalmen 9:5) (9:6) Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.
(Psalmen 9:6) (9:7) O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.
(Psalmen 9:7) (9:8) Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.
(Psalmen 9:8) (9:9) En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.
(Psalmen 9:9) (9:10) En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.
(Psalmen 9:10) (9:11) En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.
(Psalmen 9:11) (9:12) Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.
(Psalmen 9:12) (9:13) Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.
(Psalmen 9:13) (9:14) Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, die mij verhoogt uit de poorten des doods;
(Psalmen 9:14) (9:15) Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.
(Psalmen 9:15) (9:16) De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.
(Psalmen 9:16) (9:17) De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
(Psalmen 9:17) (9:18) De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.
(Psalmen 9:18) (9:19) Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.
(Psalmen 9:19) (9:20) Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden.
(Psalmen 9:20) (9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela.

Psalmen 10

(Psalmen 10:1) O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?
(Psalmen 10:2) De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed den ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
(Psalmen 10:3) Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.
(Psalmen 10:4) De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.
(Psalmen 10:5) Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.
(Psalmen 10:6) Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.
(Psalmen 10:7) Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
(Psalmen 10:8) Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.
(Psalmen 10:9) Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.
(Psalmen 10:10) Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
(Psalmen 10:11) Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.
(Psalmen 10:12) Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.
(Psalmen 10:13) Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?
(Psalmen 10:14) Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.
(Psalmen 10:15) Breek den arm des goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.
(Psalmen 10:16) De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.
(Psalmen 10:17) HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;
(Psalmen 10:18) Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

Psalmen 11

(Psalmen 11:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?
(Psalmen 11:2) Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
(Psalmen 11:3) Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
(Psalmen 11:4) De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
(Psalmen 11:5) De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.
(Psalmen 11:6) Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
(Psalmen 11:7) Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.

Psalmen 12

(Psalmen 12:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminîth. (12:2) Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
(Psalmen 12:2) (12:3) Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
(Psalmen 12:3) (12:4) De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;
(Psalmen 12:4) (12:5) Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?
(Psalmen 12:5) (12:6) Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.
(Psalmen 12:6) (12:7) De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
(Psalmen 12:7) (12:8) Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.
(Psalmen 12:8) (12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.

Psalmen 13

(Psalmen 13:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (13:2) Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
(Psalmen 13:2) (13:3) Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
(Psalmen 13:3) (13:4) Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in den dood niet ontslape;
(Psalmen 13:4) (13:5) Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
(Psalmen 13:5) (13:6) Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil;
(Psalmen 13:6) ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

Psalmen 14

(Psalmen 14:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
(Psalmen 14:2) De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
(Psalmen 14:3) Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.
(Psalmen 14:4) Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.
(Psalmen 14:5) Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.
(Psalmen 14:6) Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
(Psalmen 14:7) Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Psalmen 15

(Psalmen 15:1) Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?
(Psalmen 15:2) Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
(Psalmen 15:3) Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
(Psalmen 15:4) In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;
(Psalmen 15:5) Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Psalmen 16

(Psalmen 16:1) Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
(Psalmen 16:2) O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U;
(Psalmen 16:3) Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.
(Psalmen 16:4) De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.
(Psalmen 16:5) De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.
(Psalmen 16:6) De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.
(Psalmen 16:7) Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.
(Psalmen 16:8) Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.
(Psalmen 16:9) Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.
(Psalmen 16:10) Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
(Psalmen 16:11) Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.

Psalmen 17

(Psalmen 17:1) Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
(Psalmen 17:2) Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
(Psalmen 17:3) Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
(Psalmen 17:4) Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
(Psalmen 17:5) Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
(Psalmen 17:6) Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
(Psalmen 17:7) Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
(Psalmen 17:8) Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,
(Psalmen 17:9) Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
(Psalmen 17:10) Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
(Psalmen 17:11) In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
(Psalmen 17:12) Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
(Psalmen 17:13) Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
(Psalmen 17:14) Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
(Psalmen 17:15) Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.

Psalmen 18

(Psalmen 18:1) Voor den opperzangmeester, een psalm van David, den knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. (18:2) Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
(Psalmen 18:2) (18:3) De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.
(Psalmen 18:3) (18:4) Ik riep den HEERE aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.
(Psalmen 18:4) (18:5) Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.
(Psalmen 18:5) (18:6) Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
(Psalmen 18:6) (18:7) Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.
(Psalmen 18:7) (18:8) Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.
(Psalmen 18:8) (18:9) Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
(Psalmen 18:9) (18:10) En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.
(Psalmen 18:10) (18:11) En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.
(Psalmen 18:11) (18:12) Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.
(Psalmen 18:12) (18:13) Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.
(Psalmen 18:13) (18:14) En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.
(Psalmen 18:14) (18:15) En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.
(Psalmen 18:15) (18:16) En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.
(Psalmen 18:16) (18:17) Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
(Psalmen 18:17) (18:18) Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
(Psalmen 18:18) (18:19) Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.
(Psalmen 18:19) (18:20) En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
(Psalmen 18:20) (18:21) De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
(Psalmen 18:21) (18:22) Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
(Psalmen 18:22) (18:23) Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
(Psalmen 18:23) (18:24) Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
(Psalmen 18:24) (18:25) Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.
(Psalmen 18:25) (18:26) Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.
(Psalmen 18:26) (18:27) Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.
(Psalmen 18:27) (18:28) Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
(Psalmen 18:28) (18:29) Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.
(Psalmen 18:29) (18:30) Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
(Psalmen 18:30) (18:31) Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
(Psalmen 18:31) (18:32) Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?
(Psalmen 18:32) (18:33) Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.
(Psalmen 18:33) (18:34) Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.
(Psalmen 18:34) (18:35) Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.
(Psalmen 18:35) (18:36) Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.
(Psalmen 18:36) (18:37) Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.
(Psalmen 18:37) (18:38) Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.
(Psalmen 18:38) (18:39) Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.
(Psalmen 18:39) (18:40) Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.
(Psalmen 18:40) (18:41) En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
(Psalmen 18:41) (18:42) Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
(Psalmen 18:42) (18:43) Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.
(Psalmen 18:43) (18:44) Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.
(Psalmen 18:44) (18:45) Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.
(Psalmen 18:45) (18:46) Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
(Psalmen 18:46) (18:47) De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!
(Psalmen 18:47) (18:48) De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
(Psalmen 18:48) (18:49) Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.
(Psalmen 18:49) (18:50) Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;
(Psalmen 18:50) (18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.

Psalmen 19

(Psalmen 19:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (19:2) De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
(Psalmen 19:2) (19:3) De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
(Psalmen 19:3) (19:4) Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
(Psalmen 19:4) (19:5) Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
(Psalmen 19:5) (19:6) En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
(Psalmen 19:6) (19:7) Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.
(Psalmen 19:7) (19:8) De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.
(Psalmen 19:8) (19:9) De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.
(Psalmen 19:9) (19:10) De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
(Psalmen 19:10) (19:11) Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
(Psalmen 19:11) (19:12) Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
(Psalmen 19:12) (19:13) Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
(Psalmen 19:13) (19:14) Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
(Psalmen 19:14) (19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!

Psalmen 20

(Psalmen 20:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (20:2) De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.
(Psalmen 20:2) (20:3) Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.
(Psalmen 20:3) (20:4) Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.
(Psalmen 20:4) (20:5) Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.
(Psalmen 20:5) (20:6) Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.
(Psalmen 20:6) (20:7) Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.
(Psalmen 20:7) (20:8) Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.
(Psalmen 20:8) (20:9) Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven.
(Psalmen 20:9) (20:10) O HEERE! behoud; die koning verhore ons ten dage van ons roepen.

Psalmen 21

(Psalmen 21:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (21:2) O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!
(Psalmen 21:2) (21:3) Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.
(Psalmen 21:3) (21:4) Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.
(Psalmen 21:4) (21:5) Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.
(Psalmen 21:5) (21:6) Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.
(Psalmen 21:6) (21:7) Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.
(Psalmen 21:7) (21:8) Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.
(Psalmen 21:8) (21:9) Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.
(Psalmen 21:9) (21:10) Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.
(Psalmen 21:10) (21:11) Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.
(Psalmen 21:11) (21:12) Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.
(Psalmen 21:12) (21:13) Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.
(Psalmen 21:13) (21:14) Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven.

Psalmen 22

(Psalmen 22:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijéleth hasscháchar. (22:2) Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
(Psalmen 22:2) (22:3) Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
(Psalmen 22:3) (22:4) Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls.
(Psalmen 22:4) (22:5) Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
(Psalmen 22:5) (22:6) Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
(Psalmen 22:6) (22:7) Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
(Psalmen 22:7) (22:8) Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
(Psalmen 22:8) (22:9) Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
(Psalmen 22:9) (22:10) Gij zijt het immers, die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
(Psalmen 22:10) (22:11) Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
(Psalmen 22:11) (22:12) Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
(Psalmen 22:12) (22:13) Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
(Psalmen 22:13) (22:14) Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
(Psalmen 22:14) (22:15) Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
(Psalmen 22:15) (22:16) Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
(Psalmen 22:16) (22:17) Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
(Psalmen 22:17) (22:18) Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
(Psalmen 22:18) (22:19) Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
(Psalmen 22:19) (22:20) Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
(Psalmen 22:20) (22:21) Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
(Psalmen 22:21) (22:22) Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
(Psalmen 22:22) (22:23) Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
(Psalmen 22:23) (22:24) Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israël!
(Psalmen 22:24) (22:25) Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
(Psalmen 22:25) (22:26) Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
(Psalmen 22:26) (22:27) De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
(Psalmen 22:27) (22:28) Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
(Psalmen 22:28) (22:29) Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
(Psalmen 22:29) (22:30) Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
(Psalmen 22:30) (22:31) Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.
(Psalmen 22:31) (22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Psalmen 23

(Psalmen 23:1) Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
(Psalmen 23:2) Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
(Psalmen 23:3) Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
(Psalmen 23:4) Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
(Psalmen 23:5) Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.
(Psalmen 23:6) Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

Psalmen 24

(Psalmen 24:1) Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.
(Psalmen 24:2) Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.
(Psalmen 24:3) Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?
(Psalmen 24:4) Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
(Psalmen 24:5) Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.
(Psalmen 24:6) Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.
(Psalmen 24:7) Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!
(Psalmen 24:8) Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.
(Psalmen 24:9) Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!
(Psalmen 24:10) Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

Psalmen 25

(Psalmen 25:1) Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.
(Psalmen 25:2) Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
(Psalmen 25:3) Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.
(Psalmen 25:4) Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.
(Psalmen 25:5) He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den gansen dag.
(Psalmen 25:6) Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.
(Psalmen 25:7) Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!
(Psalmen 25:8) Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.
(Psalmen 25:9) Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.
(Psalmen 25:10) Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.
(Psalmen 25:11) Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.
(Psalmen 25:12) Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.
(Psalmen 25:13) Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven.
(Psalmen 25:14) Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.
(Psalmen 25:15) Aïn. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.
(Psalmen 25:16) Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
(Psalmen 25:17) Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.
(Psalmen 25:18) Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.
(Psalmen 25:19) Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.
(Psalmen 25:20) Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.
(Psalmen 25:21) Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.
(Psalmen 25:22) O God! verlos Israël uit al zijn benauwdheden.

Psalmen 26

(Psalmen 26:1) Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
(Psalmen 26:2) Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
(Psalmen 26:3) Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
(Psalmen 26:4) Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
(Psalmen 26:5) Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
(Psalmen 26:6) Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
(Psalmen 26:7) Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.
(Psalmen 26:8) HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
(Psalmen 26:9) Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
(Psalmen 26:10) In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.
(Psalmen 26:11) Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
(Psalmen 26:12) Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

Psalmen 27

(Psalmen 27:1) Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?
(Psalmen 27:2) Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
(Psalmen 27:3) Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.
(Psalmen 27:4) Eén ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.
(Psalmen 27:5) Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.
(Psalmen 27:6) Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
(Psalmen 27:7) Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
(Psalmen 27:8) Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
(Psalmen 27:9) Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!
(Psalmen 27:10) Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.
(Psalmen 27:11) HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.
(Psalmen 27:12) Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.
(Psalmen 27:13) Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.
(Psalmen 27:14) Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

Psalmen 28

(Psalmen 28:1) Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
(Psalmen 28:2) Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.
(Psalmen 28:3) Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
(Psalmen 28:4) Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
(Psalmen 28:5) Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
(Psalmen 28:6) Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
(Psalmen 28:7) De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
(Psalmen 28:8) De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.
(Psalmen 28:9) Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.

Psalmen 29

(Psalmen 29:1) Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.
(Psalmen 29:2) Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.
(Psalmen 29:3) De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.
(Psalmen 29:4) De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.
(Psalmen 29:5) De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.
(Psalmen 29:6) En Hij doet ze huppelen als een kalf, den Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.
(Psalmen 29:7) De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.
(Psalmen 29:8) De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.
(Psalmen 29:9) De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.
(Psalmen 29:10) De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.
(Psalmen 29:11) De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.

Psalmen 30

(Psalmen 30:1) Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. (30:2) Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
(Psalmen 30:2) (30:3) HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
(Psalmen 30:3) (30:4) HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
(Psalmen 30:4) (30:5) Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
(Psalmen 30:5) (30:6) Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
(Psalmen 30:6) (30:7) Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
(Psalmen 30:7) (30:8) Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
(Psalmen 30:8) (30:9) Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
(Psalmen 30:9) (30:10) Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
(Psalmen 30:10) (30:11) Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
(Psalmen 30:11) (30:12) Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;
(Psalmen 30:12) (30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.

Psalmen 31

(Psalmen 31:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (31:2) Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.
(Psalmen 31:2) (31:3) Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.
(Psalmen 31:3) (31:4) Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.
(Psalmen 31:4) (31:5) Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
(Psalmen 31:5) (31:6) In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
(Psalmen 31:6) (31:7) Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
(Psalmen 31:7) (31:8) Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;
(Psalmen 31:8) (31:9) En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
(Psalmen 31:9) (31:10) Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
(Psalmen 31:10) (31:11) Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
(Psalmen 31:11) (31:12) Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.
(Psalmen 31:12) (31:13) Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
(Psalmen 31:13) (31:14) Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
(Psalmen 31:14) (31:15) Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
(Psalmen 31:15) (31:16) Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.
(Psalmen 31:16) (31:17) Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
(Psalmen 31:17) (31:18) HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
(Psalmen 31:18) (31:19) Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
(Psalmen 31:19) (31:20) O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
(Psalmen 31:20) (31:21) Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den twist der tongen.
(Psalmen 31:21) (31:22) Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
(Psalmen 31:22) (31:23) Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.
(Psalmen 31:23) (31:24) Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft.
(Psalmen 31:24) (31:25) Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt!

Psalmen 32

(Psalmen 32:1) Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
(Psalmen 32:2) Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
(Psalmen 32:3) Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
(Psalmen 32:4) Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
(Psalmen 32:5) Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
(Psalmen 32:6) Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
(Psalmen 32:7) Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
(Psalmen 32:8) Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
(Psalmen 32:9) Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
(Psalmen 32:10) De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
(Psalmen 32:11) Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!

Psalmen 33

(Psalmen 33:1) Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
(Psalmen 33:2) Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
(Psalmen 33:3) Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
(Psalmen 33:4) Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
(Psalmen 33:5) Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
(Psalmen 33:6) Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
(Psalmen 33:7) Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
(Psalmen 33:8) Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
(Psalmen 33:9) Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
(Psalmen 33:10) De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
(Psalmen 33:11) Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 33:12) Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.
(Psalmen 33:13) De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
(Psalmen 33:14) Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
(Psalmen 33:15) Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
(Psalmen 33:16) Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
(Psalmen 33:17) Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
(Psalmen 33:18) Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
(Psalmen 33:19) Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
(Psalmen 33:20) Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
(Psalmen 33:21) Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
(Psalmen 33:22) Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.

Psalmen 34

(Psalmen 34:1) Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. (34:2) Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.
(Psalmen 34:2) (34:3) Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
(Psalmen 34:3) (34:4) Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.
(Psalmen 34:4) (34:5) Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.
(Psalmen 34:5) (34:6) He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
(Psalmen 34:6) (34:7) Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
(Psalmen 34:7) (34:8) Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
(Psalmen 34:8) (34:9) Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
(Psalmen 34:9) (34:10) Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
(Psalmen 34:10) (34:11) Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
(Psalmen 34:11) (34:12) Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.
(Psalmen 34:12) (34:13) Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
(Psalmen 34:13) (34:14) Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
(Psalmen 34:14) (34:15) Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.
(Psalmen 34:15) (34:16) Aïn. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.
(Psalmen 34:16) (34:17) Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
(Psalmen 34:17) (34:18) Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.
(Psalmen 34:18) (34:19) Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.
(Psalmen 34:19) (34:20) Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.
(Psalmen 34:20) (34:21) Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.
(Psalmen 34:21) (34:22) Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.
(Psalmen 34:22) (34:23) De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.

Psalmen 35

(Psalmen 35:1) Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.
(Psalmen 35:2) Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.
(Psalmen 35:3) En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
(Psalmen 35:4) Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.
(Psalmen 35:5) Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.
(Psalmen 35:6) Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.
(Psalmen 35:7) Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.
(Psalmen 35:8) De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.
(Psalmen 35:9) Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.
(Psalmen 35:10) Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.
(Psalmen 35:11) Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
(Psalmen 35:12) Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.
(Psalmen 35:13) Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.
(Psalmen 35:14) Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.
(Psalmen 35:15) Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.
(Psalmen 35:16) Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.
(Psalmen 35:17) HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.
(Psalmen 35:18) Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.
(Psalmen 35:19) Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.
(Psalmen 35:20) Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
(Psalmen 35:21) En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!
(Psalmen 35:22) HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.
(Psalmen 35:23) Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.
(Psalmen 35:24) Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
(Psalmen 35:25) Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!
(Psalmen 35:26) Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.
(Psalmen 35:27) Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!
(Psalmen 35:28) Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.

Psalmen 36

(Psalmen 36:1) Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. (36:2) De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
(Psalmen 36:2) (36:3) Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
(Psalmen 36:3) (36:4) De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
(Psalmen 36:4) (36:5) Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
(Psalmen 36:5) (36:6) O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
(Psalmen 36:6) (36:7) Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.
(Psalmen 36:7) (36:8) Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
(Psalmen 36:8) (36:9) Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
(Psalmen 36:9) (36:10) Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
(Psalmen 36:10) (36:11) Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
(Psalmen 36:11) (36:12) De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.
(Psalmen 36:12) (36:13) Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.

Psalmen 37

(Psalmen 37:1) Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
(Psalmen 37:2) Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.
(Psalmen 37:3) Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.
(Psalmen 37:4) En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.
(Psalmen 37:5) Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;
(Psalmen 37:6) En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.
(Psalmen 37:7) Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
(Psalmen 37:8) He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
(Psalmen 37:9) Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.
(Psalmen 37:10) Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
(Psalmen 37:11) De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.
(Psalmen 37:12) Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
(Psalmen 37:13) De HEERE belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
(Psalmen 37:14) Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
(Psalmen 37:15) Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
(Psalmen 37:16) Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
(Psalmen 37:17) Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
(Psalmen 37:18) Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.
(Psalmen 37:19) Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.
(Psalmen 37:20) Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.
(Psalmen 37:21) Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
(Psalmen 37:22) Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
(Psalmen 37:23) Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
(Psalmen 37:24) Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.
(Psalmen 37:25) Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.
(Psalmen 37:26) Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.
(Psalmen 37:27) Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
(Psalmen 37:28) Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.
(Psalmen 37:29) De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.
(Psalmen 37:30) Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
(Psalmen 37:31) De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
(Psalmen 37:32) Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
(Psalmen 37:33) Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.
(Psalmen 37:34) Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.
(Psalmen 37:35) Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.
(Psalmen 37:36) Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
(Psalmen 37:37) Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.
(Psalmen 37:38) Maar de overtreders worden te zamen verdelgd; het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.
(Psalmen 37:39) Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.
(Psalmen 37:40) En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.

Psalmen 38

(Psalmen 38:1) Een psalm van David, om te doen gedenken. (38:2) O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
(Psalmen 38:2) (38:3) Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.
(Psalmen 38:3) (38:4) Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.
(Psalmen 38:4) (38:5) Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
(Psalmen 38:5) (38:6) Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.
(Psalmen 38:6) (38:7) Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.
(Psalmen 38:7) (38:8) Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.
(Psalmen 38:8) (38:9) Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.
(Psalmen 38:9) (38:10) HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
(Psalmen 38:10) (38:11) Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.
(Psalmen 38:11) (38:12) Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
(Psalmen 38:12) (38:13) En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.
(Psalmen 38:13) (38:14) Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
(Psalmen 38:14) (38:15) Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
(Psalmen 38:15) (38:16) Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
(Psalmen 38:16) (38:17) Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.
(Psalmen 38:17) (38:18) Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.
(Psalmen 38:18) (38:19) Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
(Psalmen 38:19) (38:20) Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
(Psalmen 38:20) (38:21) En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
(Psalmen 38:21) (38:22) Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij.
(Psalmen 38:22) (38:23) Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil!

Psalmen 39

(Psalmen 39:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jedúthun. (39:2) Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
(Psalmen 39:2) (39:3) Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
(Psalmen 39:3) (39:4) Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
(Psalmen 39:4) (39:5) HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
(Psalmen 39:5) (39:6) Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
(Psalmen 39:6) (39:7) Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
(Psalmen 39:7) (39:8) En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
(Psalmen 39:8) (39:9) Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.
(Psalmen 39:9) (39:10) Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
(Psalmen 39:10) (39:11) Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
(Psalmen 39:11) (39:12) Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
(Psalmen 39:12) (39:13) Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
(Psalmen 39:13) (39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.

Psalmen 40

(Psalmen 40:1) Davids psalm, voor den opperzangmeester. (40:2) Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
(Psalmen 40:2) (40:3) En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
(Psalmen 40:3) (40:4) En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
(Psalmen 40:4) (40:5) Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
(Psalmen 40:5) (40:6) Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
(Psalmen 40:6) (40:7) Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist.
(Psalmen 40:7) (40:8) Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
(Psalmen 40:8) (40:9) Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
(Psalmen 40:9) (40:10) Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
(Psalmen 40:10) (40:11) Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
(Psalmen 40:11) (40:12) Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
(Psalmen 40:12) (40:13) Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
(Psalmen 40:13) (40:14) Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
(Psalmen 40:14) (40:15) Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
(Psalmen 40:15) (40:16) Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
(Psalmen 40:16) (40:17) Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!
(Psalmen 40:17) (40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.

Psalmen 41

(Psalmen 41:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (41:2) Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.
(Psalmen 41:2) (41:3) De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
(Psalmen 41:3) (41:4) De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.
(Psalmen 41:4) (41:5) Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.
(Psalmen 41:5) (41:6) Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?
(Psalmen 41:6) (41:7) En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
(Psalmen 41:7) (41:8) Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:
(Psalmen 41:8) (41:9) Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.
(Psalmen 41:9) (41:10) Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
(Psalmen 41:10) (41:11) Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.
(Psalmen 41:11) (41:12) Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
(Psalmen 41:12) (41:13) Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.
(Psalmen 41:13) (41:14) Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen.

Psalmen 42

(Psalmen 42:1) Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (42:2) Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
(Psalmen 42:2) (42:3) Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
(Psalmen 42:3) (42:4) Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
(Psalmen 42:4) (42:5) Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
(Psalmen 42:5) (42:6) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
(Psalmen 42:6) (42:7) O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
(Psalmen 42:7) (42:8) De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
(Psalmen 42:8) (42:9) Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.
(Psalmen 42:9) (42:10) Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
(Psalmen 42:10) (42:11) Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
(Psalmen 42:11) (42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Psalmen 43

(Psalmen 43:1) Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
(Psalmen 43:2) Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
(Psalmen 43:3) Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;
(Psalmen 43:4) En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!
(Psalmen 43:5) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Psalmen 44

(Psalmen 44:1) Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (44:2) O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.
(Psalmen 44:2) (44:3) Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.
(Psalmen 44:3) (44:4) Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.
(Psalmen 44:4) (44:5) Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.
(Psalmen 44:5) (44:6) Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.
(Psalmen 44:6) (44:7) Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
(Psalmen 44:7) (44:8) Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.
(Psalmen 44:8) (44:9) In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.
(Psalmen 44:9) (44:10) Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.
(Psalmen 44:10) (44:11) Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.
(Psalmen 44:11) (44:12) Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.
(Psalmen 44:12) (44:13) Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.
(Psalmen 44:13) (44:14) Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.
(Psalmen 44:14) (44:15) Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
(Psalmen 44:15) (44:16) Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;
(Psalmen 44:16) (44:17) Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.
(Psalmen 44:17) (44:18) Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.
(Psalmen 44:18) (44:19) Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
(Psalmen 44:19) (44:20) Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
(Psalmen 44:20) (44:21) Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid,
(Psalmen 44:21) (44:22) Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.
(Psalmen 44:22) (44:23) Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
(Psalmen 44:23) (44:24) Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
(Psalmen 44:24) (44:25) Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
(Psalmen 44:25) (44:26) Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.
(Psalmen 44:26) (44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil.

Psalmen 45

(Psalmen 45:1) Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schóschannim. (45:2) Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.
(Psalmen 45:2) (45:3) Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.
(Psalmen 45:3) (45:4) Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.
(Psalmen 45:4) (45:5) En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.
(Psalmen 45:5) (45:6) Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.
(Psalmen 45:6) (45:7) Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.
(Psalmen 45:7) (45:8) Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.
(Psalmen 45:8) (45:9) Al Uw klederen zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.
(Psalmen 45:9) (45:10) Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.
(Psalmen 45:10) (45:11) Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.
(Psalmen 45:11) (45:12) Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.
(Psalmen 45:12) (45:13) En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.
(Psalmen 45:13) (45:14) Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.
(Psalmen 45:14) (45:15) In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.
(Psalmen 45:15) (45:16) Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.
(Psalmen 45:16) (45:17) In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.
(Psalmen 45:17) (45:18) Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.

Psalmen 46

(Psalmen 46:1) Een lied op Alámoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (46:2) God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
(Psalmen 46:2) (46:3) Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën;
(Psalmen 46:3) (46:4) Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.
(Psalmen 46:4) (46:5) De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.
(Psalmen 46:5) (46:6) God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.
(Psalmen 46:6) (46:7) De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.
(Psalmen 46:7) (46:8) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.
(Psalmen 46:8) (46:9) Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.
(Psalmen 46:9) (46:10) Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.
(Psalmen 46:10) (46:11) Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.
(Psalmen 46:11) (46:12) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

Psalmen 47

(Psalmen 47:1) Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (47:2) Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
(Psalmen 47:2) (47:3) Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
(Psalmen 47:3) (47:4) Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.
(Psalmen 47:4) (47:5) Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
(Psalmen 47:5) (47:6) God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
(Psalmen 47:6) (47:7) Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
(Psalmen 47:7) (47:8) Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
(Psalmen 47:8) (47:9) God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.
(Psalmen 47:9) (47:10) De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!

Psalmen 48

(Psalmen 48:1) Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. (48:2) De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.
(Psalmen 48:2) (48:3) Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.
(Psalmen 48:3) (48:4) God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.
(Psalmen 48:4) (48:5) Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.
(Psalmen 48:5) (48:6) Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.
(Psalmen 48:6) (48:7) Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.
(Psalmen 48:7) (48:8) Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.
(Psalmen 48:8) (48:9) Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.
(Psalmen 48:9) (48:10) O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.
(Psalmen 48:10) (48:11) Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.
(Psalmen 48:11) (48:12) Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.
(Psalmen 48:12) (48:13) Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;
(Psalmen 48:13) (48:14) Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt.
(Psalmen 48:14) (48:15) Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe.

Psalmen 49

(Psalmen 49:1) Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (49:2) Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,
(Psalmen 49:2) (49:3) Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
(Psalmen 49:3) (49:4) Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.
(Psalmen 49:4) (49:5) Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.
(Psalmen 49:5) (49:6) Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?
(Psalmen 49:6) (49:7) Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;
(Psalmen 49:7) (49:8) Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;
(Psalmen 49:8) (49:9) (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);
(Psalmen 49:9) (49:10) Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
(Psalmen 49:10) (49:11) Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
(Psalmen 49:11) (49:12) Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
(Psalmen 49:12) (49:13) De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
(Psalmen 49:13) (49:14) Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
(Psalmen 49:14) (49:15) Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.
(Psalmen 49:15) (49:16) Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.
(Psalmen 49:16) (49:17) Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
(Psalmen 49:17) (49:18) Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
(Psalmen 49:18) (49:19) Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;
(Psalmen 49:19) (49:20) Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.
(Psalmen 49:20) (49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.

Psalmen 50

(Psalmen 50:1) Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
(Psalmen 50:2) Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.
(Psalmen 50:3) Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
(Psalmen 50:4) Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
(Psalmen 50:5) Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
(Psalmen 50:6) En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.
(Psalmen 50:7) Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.
(Psalmen 50:8) Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.
(Psalmen 50:9) Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;
(Psalmen 50:10) Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.
(Psalmen 50:11) Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.
(Psalmen 50:12) Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.
(Psalmen 50:13) Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
(Psalmen 50:14) Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.
(Psalmen 50:15) En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
(Psalmen 50:16) Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
(Psalmen 50:17) Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
(Psalmen 50:18) Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.
(Psalmen 50:19) Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
(Psalmen 50:20) Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
(Psalmen 50:21) Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
(Psalmen 50:22) Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.
(Psalmen 50:23) Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

Psalmen 51

(Psalmen 51:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (51:2) Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathséba was ingegaan. (51:3) Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
(Psalmen 51:2) (51:4) Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.
(Psalmen 51:3) (51:5) Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.
(Psalmen 51:4) (51:6) Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.
(Psalmen 51:5) (51:7) Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
(Psalmen 51:6) (51:8) Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.
(Psalmen 51:7) (51:9) Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
(Psalmen 51:8) (51:10) Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.
(Psalmen 51:9) (51:11) Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.
(Psalmen 51:10) (51:12) Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.
(Psalmen 51:11) (51:13) Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.
(Psalmen 51:12) (51:14) Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
(Psalmen 51:13) (51:15) Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
(Psalmen 51:14) (51:16) Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.
(Psalmen 51:15) (51:17) Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.
(Psalmen 51:16) (51:18) Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.
(Psalmen 51:17) (51:19) De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten.
(Psalmen 51:18) (51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.
(Psalmen 51:19) (51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar.

Psalmen 52

(Psalmen 52:1) Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester. (52:2) Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech. (52:3) Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.
(Psalmen 52:2) (52:4) Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.
(Psalmen 52:3) (52:5) Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.
(Psalmen 52:4) (52:6) Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
(Psalmen 52:5) (52:7) God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
(Psalmen 52:6) (52:8) En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:
(Psalmen 52:7) (52:9) Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.
(Psalmen 52:8) (52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.
(Psalmen 52:9) (52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.

Psalmen 53

(Psalmen 53:1) Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Máchalath. (53:2) De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
(Psalmen 53:2) (53:3) God heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
(Psalmen 53:3) (53:4) Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één.
(Psalmen 53:4) (53:5) Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.
(Psalmen 53:5) (53:6) Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen.
(Psalmen 53:6) (53:7) Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Psalmen 54

(Psalmen 54:1) Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth; (54:2) Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons? (54:3) O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
(Psalmen 54:2) (54:4) O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.
(Psalmen 54:3) (54:5) Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
(Psalmen 54:4) (54:6) Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
(Psalmen 54:5) (54:7) Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.
(Psalmen 54:6) (54:8) Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed.
(Psalmen 54:7) (54:9) Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.

Psalmen 55

(Psalmen 55:1) Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth. (55:2) O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
(Psalmen 55:2) (55:3) Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;
(Psalmen 55:3) (55:4) Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.
(Psalmen 55:4) (55:5) Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.
(Psalmen 55:5) (55:6) Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;
(Psalmen 55:6) (55:7) Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.
(Psalmen 55:7) (55:8) Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.
(Psalmen 55:8) (55:9) Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.
(Psalmen 55:9) (55:10) Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.
(Psalmen 55:10) (55:11) Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.
(Psalmen 55:11) (55:12) Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.
(Psalmen 55:12) (55:13) Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
(Psalmen 55:13) (55:14) Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
(Psalmen 55:14) (55:15) Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
(Psalmen 55:15) (55:16) Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
(Psalmen 55:16) (55:17) Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.
(Psalmen 55:17) (55:18) Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
(Psalmen 55:18) (55:19) Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.
(Psalmen 55:19) (55:20) God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
(Psalmen 55:20) (55:21) Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
(Psalmen 55:21) (55:22) Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.
(Psalmen 55:22) (55:23) Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.
(Psalmen 55:23) (55:24) Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.

Psalmen 56

(Psalmen 56:1) Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. (56:2) Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.
(Psalmen 56:2) (56:3) Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
(Psalmen 56:3) (56:4) Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.
(Psalmen 56:4) (56:5) In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?
(Psalmen 56:5) (56:6) Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
(Psalmen 56:6) (56:7) Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.
(Psalmen 56:7) (56:8) Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!
(Psalmen 56:8) (56:9) Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?
(Psalmen 56:9) (56:10) Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
(Psalmen 56:10) (56:11) In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.
(Psalmen 56:11) (56:12) Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?
(Psalmen 56:12) (56:13) O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden;
(Psalmen 56:13) (56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?

Psalmen 57

(Psalmen 57:1) Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-Táscheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk. (57:2) Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
(Psalmen 57:2) (57:3) Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.
(Psalmen 57:3) (57:4) Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
(Psalmen 57:4) (57:5) Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
(Psalmen 57:5) (57:6) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.
(Psalmen 57:6) (57:7) Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela.
(Psalmen 57:7) (57:8) Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.
(Psalmen 57:8) (57:9) Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
(Psalmen 57:9) (57:10) Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën.
(Psalmen 57:10) (57:11) Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
(Psalmen 57:11) (57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

Psalmen 58

(Psalmen 58:1) Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-Táscheth. (58:2) Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?
(Psalmen 58:2) (58:3) Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.
(Psalmen 58:3) (58:4) De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.
(Psalmen 58:4) (58:5) Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
(Psalmen 58:5) (58:6) Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
(Psalmen 58:6) (58:7) O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!
(Psalmen 58:7) (58:8) Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
(Psalmen 58:8) (58:9) Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.
(Psalmen 58:9) (58:10) Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
(Psalmen 58:10) (58:11) De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.
(Psalmen 58:11) (58:12) En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.

Psalmen 59

(Psalmen 59:1) Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Al-Táscheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. (59:2) Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.
(Psalmen 59:2) (59:3) Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
(Psalmen 59:3) (59:4) Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!
(Psalmen 59:4) (59:5) Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
(Psalmen 59:5) (59:6) Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israëls! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.
(Psalmen 59:6) (59:7) Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
(Psalmen 59:7) (59:8) Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
(Psalmen 59:8) (59:9) Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.
(Psalmen 59:9) (59:10) Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.
(Psalmen 59:10) (59:11) De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.
(Psalmen 59:11) (59:12) Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!
(Psalmen 59:12) (59:13) Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.
(Psalmen 59:13) (59:14) Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God Heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.
(Psalmen 59:14) (59:15) Laat hen dan tegen den avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;
(Psalmen 59:15) (59:16) Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.
(Psalmen 59:16) (59:17) Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was.
(Psalmen 59:17) (59:18) Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.

Psalmen 60

(Psalmen 60:1) Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schûsan Eduth; (60:2) Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotámië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend. (60:3) O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.
(Psalmen 60:2) (60:4) Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.
(Psalmen 60:3) (60:5) Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.
(Psalmen 60:4) (60:6) Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.
(Psalmen 60:5) (60:7) Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
(Psalmen 60:6) (60:8) God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
(Psalmen 60:7) (60:9) Gílead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.
(Psalmen 60:8) (60:10) Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!
(Psalmen 60:9) (60:11) Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
(Psalmen 60:10) (60:12) Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?
(Psalmen 60:11) (60:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want ‘s mensen heil is ijdelheid.
(Psalmen 60:12) (60:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.

Psalmen 61

(Psalmen 61:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth. (61:2) O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.
(Psalmen 61:2) (61:3) Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
(Psalmen 61:3) (61:4) Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.
(Psalmen 61:4) (61:5) Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.
(Psalmen 61:5) (61:6) Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.
(Psalmen 61:6) (61:7) Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;
(Psalmen 61:7) (61:8) Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.
(Psalmen 61:8) (61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.

Psalmen 62

(Psalmen 62:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jedúthun. (62:2) Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.
(Psalmen 62:2) (62:3) Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.
(Psalmen 62:3) (62:4) Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.
(Psalmen 62:4) (62:5) Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
(Psalmen 62:5) (62:6) Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.
(Psalmen 62:6) (62:7) Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.
(Psalmen 62:7) (62:8) In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.
(Psalmen 62:8) (62:9) Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.
(Psalmen 62:9) (62:10) Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.
(Psalmen 62:10) (62:11) Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.
(Psalmen 62:11) (62:12) God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is.
(Psalmen 62:12) (62:13) En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk.

Psalmen 63

(Psalmen 63:1) Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. (63:2) O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
(Psalmen 63:2) (63:3) Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;
(Psalmen 63:3) (63:4) Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.
(Psalmen 63:4) (63:5) Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.
(Psalmen 63:5) (63:6) Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.
(Psalmen 63:6) (63:7) Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.
(Psalmen 63:7) (63:8) Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.
(Psalmen 63:8) (63:9) Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.
(Psalmen 63:9) (63:10) Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.
(Psalmen 63:10) (63:11) Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden.
(Psalmen 63:11) (63:12) Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.

Psalmen 64

(Psalmen 64:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (64:2) Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
(Psalmen 64:2) (64:3) Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.
(Psalmen 64:3) (64:4) Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
(Psalmen 64:4) (64:5) Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
(Psalmen 64:5) (64:6) Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
(Psalmen 64:6) (64:7) Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
(Psalmen 64:7) (64:8) Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
(Psalmen 64:8) (64:9) En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.
(Psalmen 64:9) (64:10) En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken.
(Psalmen 64:10) (64:11) De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

Psalmen 65

(Psalmen 65:1) Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester. (65:2) De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.
(Psalmen 65:2) (65:3) Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
(Psalmen 65:3) (65:4) Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.
(Psalmen 65:4) (65:5) Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
(Psalmen 65:5) (65:6) Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!
(Psalmen 65:6) (65:7) Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.
(Psalmen 65:7) (65:8) Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.
(Psalmen 65:8) (65:9) En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.
(Psalmen 65:9) (65:10) Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.
(Psalmen 65:10) (65:11) Gij maakt zijn opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.
(Psalmen 65:11) (65:12) Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.
(Psalmen 65:12) (65:13) Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.
(Psalmen 65:13) (65:14) De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.

Psalmen 66

(Psalmen 66:1) Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!
(Psalmen 66:2) Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.
(Psalmen 66:3) Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
(Psalmen 66:4) De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
(Psalmen 66:5) Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
(Psalmen 66:6) Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
(Psalmen 66:7) Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
(Psalmen 66:8) Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.
(Psalmen 66:9) Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
(Psalmen 66:10) Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
(Psalmen 66:11) Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;
(Psalmen 66:12) Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
(Psalmen 66:13) Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
(Psalmen 66:14) Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
(Psalmen 66:15) Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
(Psalmen 66:16) Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
(Psalmen 66:17) Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
(Psalmen 66:18) Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
(Psalmen 66:19) Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
(Psalmen 66:20) Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.

Psalmen 67

(Psalmen 67:1) Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginôth. (67:2) God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.
(Psalmen 67:2) (67:3) Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.
(Psalmen 67:3) (67:4) De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
(Psalmen 67:4) (67:5) De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde die zult Gij leiden. Sela.
(Psalmen 67:5) (67:6) De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.
(Psalmen 67:6) (67:7) De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.
(Psalmen 67:7) (67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen.

Psalmen 68

(Psalmen 68:1) Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester. (68:2) God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.
(Psalmen 68:2) (68:3) Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
(Psalmen 68:3) (68:4) Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
(Psalmen 68:4) (68:5) Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.
(Psalmen 68:5) (68:6) Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
(Psalmen 68:6) (68:7) Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
(Psalmen 68:7) (68:8) O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.
(Psalmen 68:8) (68:9) Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.
(Psalmen 68:9) (68:10) Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
(Psalmen 68:10) (68:11) Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!
(Psalmen 68:11) (68:12) De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.
(Psalmen 68:12) (68:13) De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.
(Psalmen 68:13) (68:14) Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.
(Psalmen 68:14) (68:15) Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.
(Psalmen 68:15) (68:16) De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.
(Psalmen 68:16) (68:17) Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Dezen berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.
(Psalmen 68:17) (68:18) Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid!
(Psalmen 68:18) (68:19) Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!
(Psalmen 68:19) (68:20) Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.
(Psalmen 68:20) (68:21) Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.
(Psalmen 68:21) (68:22) Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.
(Psalmen 68:22) (68:23) De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;
(Psalmen 68:23) (68:24) Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.
(Psalmen 68:24) (68:25) O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.
(Psalmen 68:25) (68:26) De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.
(Psalmen 68:26) (68:27) Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israël!
(Psalmen 68:27) (68:28) Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.
(Psalmen 68:28) (68:29) Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt!
(Psalmen 68:29) (68:30) Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.
(Psalmen 68:30) (68:31) Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.
(Psalmen 68:31) (68:32) Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
(Psalmen 68:32) (68:33) Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.
(Psalmen 68:33) (68:34) Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.
(Psalmen 68:34) (68:35) Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de bovenste wolken.
(Psalmen 68:35) (68:36) O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israëls, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God!

Psalmen 69

(Psalmen 69:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schóschannim. (69:2) Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.
(Psalmen 69:2) (69:3) Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
(Psalmen 69:3) (69:4) Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.
(Psalmen 69:4) (69:5) Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
(Psalmen 69:5) (69:6) O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.
(Psalmen 69:6) (69:7) Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!
(Psalmen 69:7) (69:8) Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.
(Psalmen 69:8) (69:9) Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.
(Psalmen 69:9) (69:10) Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
(Psalmen 69:10) (69:11) En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
(Psalmen 69:11) (69:12) En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
(Psalmen 69:12) (69:13) Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.
(Psalmen 69:13) (69:14) Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
(Psalmen 69:14) (69:15) Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.
(Psalmen 69:15) (69:16) Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.
(Psalmen 69:16) (69:17) Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.
(Psalmen 69:17) (69:18) En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.
(Psalmen 69:18) (69:19) Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.
(Psalmen 69:19) (69:20) Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.
(Psalmen 69:20) (69:21) De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.
(Psalmen 69:21) (69:22) Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.
(Psalmen 69:22) (69:23) Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.
(Psalmen 69:23) (69:24) Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.
(Psalmen 69:24) (69:25) Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.
(Psalmen 69:25) (69:26) Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.
(Psalmen 69:26) (69:27) Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.
(Psalmen 69:27) (69:28) Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.
(Psalmen 69:28) (69:29) Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.
(Psalmen 69:29) (69:30) Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.
(Psalmen 69:30) (69:31) Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.
(Psalmen 69:31) (69:32) En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.
(Psalmen 69:32) (69:33) De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.
(Psalmen 69:33) (69:34) Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.
(Psalmen 69:34) (69:35) Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wriemelt.
(Psalmen 69:35) (69:36) Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;
(Psalmen 69:36) (69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen.

Psalmen 70

(Psalmen 70:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken. (70:2) Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.
(Psalmen 70:2) (70:3) Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
(Psalmen 70:3) (70:4) Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!
(Psalmen 70:4) (70:5) Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt!
(Psalmen 70:5) (70:6) Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet!

Psalmen 71

(Psalmen 71:1) Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
(Psalmen 71:2) Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.
(Psalmen 71:3) Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.
(Psalmen 71:4) Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.
(Psalmen 71:5) Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.
(Psalmen 71:6) Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.
(Psalmen 71:7) Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.
(Psalmen 71:8) Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.
(Psalmen 71:9) Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.
(Psalmen 71:10) Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
(Psalmen 71:11) Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.
(Psalmen 71:12) O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.
(Psalmen 71:13) Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.
(Psalmen 71:14) Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.
(Psalmen 71:15) Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.
(Psalmen 71:16) Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.
(Psalmen 71:17) O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.
(Psalmen 71:18) Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.
(Psalmen 71:19) Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?
(Psalmen 71:20) Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.
(Psalmen 71:21) Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.
(Psalmen 71:22) Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israëls!
(Psalmen 71:23) Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.
(Psalmen 71:24) Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.

Psalmen 72

(Psalmen 72:1) Voor Sálomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.
(Psalmen 72:2) Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.
(Psalmen 72:3) De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.
(Psalmen 72:4) Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.
(Psalmen 72:5) Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 72:6) Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.
(Psalmen 72:7) In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.
(Psalmen 72:8) En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
(Psalmen 72:9) De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.
(Psalmen 72:10) De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Séba zullen vereringen toevoeren.
(Psalmen 72:11) Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.
(Psalmen 72:12) Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
(Psalmen 72:13) Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.
(Psalmen 72:14) Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.
(Psalmen 72:15) En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.
(Psalmen 72:16) Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.
(Psalmen 72:17) Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.
(Psalmen 72:18) Geloofd zij de HEERE God, de God Israëls, Die alleen wonderen doet.
(Psalmen 72:19) En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.
(Psalmen 72:20) De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde.

Psalmen 73

(Psalmen 73:1) Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn.
(Psalmen 73:2) Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
(Psalmen 73:3) Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
(Psalmen 73:4) Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
(Psalmen 73:5) Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
(Psalmen 73:6) Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
(Psalmen 73:7) Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
(Psalmen 73:8) Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
(Psalmen 73:9) Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
(Psalmen 73:10) Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
(Psalmen 73:11) Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
(Psalmen 73:12) Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.
(Psalmen 73:13) Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.
(Psalmen 73:14) Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.
(Psalmen 73:15) Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
(Psalmen 73:16) Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;
(Psalmen 73:17) Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.
(Psalmen 73:18) Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
(Psalmen 73:19) Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!
(Psalmen 73:20) Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.
(Psalmen 73:21) Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,
(Psalmen 73:22) Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
(Psalmen 73:23) Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;
(Psalmen 73:24) Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.
(Psalmen 73:25) Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
(Psalmen 73:26) Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
(Psalmen 73:27) Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert;
(Psalmen 73:28) Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

Psalmen 74

(Psalmen 74:1) Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?
(Psalmen 74:2) Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.
(Psalmen 74:3) Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.
(Psalmen 74:4) Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.
(Psalmen 74:5) Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.
(Psalmen 74:6) Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.
(Psalmen 74:7) Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.
(Psalmen 74:8) Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
(Psalmen 74:9) Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
(Psalmen 74:10) Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
(Psalmen 74:11) Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.
(Psalmen 74:12) Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
(Psalmen 74:13) Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.
(Psalmen 74:14) Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
(Psalmen 74:15) Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.
(Psalmen 74:16) De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.
(Psalmen 74:17) Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.
(Psalmen 74:18) Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
(Psalmen 74:19) Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.
(Psalmen 74:20) Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
(Psalmen 74:21) Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.
(Psalmen 74:22) Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den ganse dag.
(Psalmen 74:23) Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.

Psalmen 75

(Psalmen 75:1) Voor den opperzangmeester, Al-Táscheth; een psalm, een lied, voor Asaf. (75:2) Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.
(Psalmen 75:2) (75:3) Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.
(Psalmen 75:3) (75:4) Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.
(Psalmen 75:4) (75:5) Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
(Psalmen 75:5) (75:6) Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
(Psalmen 75:6) (75:7) Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;
(Psalmen 75:7) (75:8) Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.
(Psalmen 75:8) (75:9) Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
(Psalmen 75:9) (75:10) En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen.
(Psalmen 75:10) (75:11) En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Psalmen 76

(Psalmen 76:1) Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginôth. (76:2) God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël.
(Psalmen 76:2) (76:3) En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.
(Psalmen 76:3) (76:4) Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.
(Psalmen 76:4) (76:5) Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.
(Psalmen 76:5) (76:6) De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
(Psalmen 76:6) (76:7) Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
(Psalmen 76:7) (76:8) Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?
(Psalmen 76:8) (76:9) Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,
(Psalmen 76:9) (76:10) Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
(Psalmen 76:10) (76:11) Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
(Psalmen 76:11) (76:12) Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;
(Psalmen 76:12) (76:13) Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.

Psalmen 77

(Psalmen 77:1) Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedúthun. (77:2) Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
(Psalmen 77:2) (77:3) Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
(Psalmen 77:3) (77:4) Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
(Psalmen 77:4) (77:5) Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.
(Psalmen 77:5) (77:6) Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.
(Psalmen 77:6) (77:7) Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overleide ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:
(Psalmen 77:7) (77:8) Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
(Psalmen 77:8) (77:9) Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?
(Psalmen 77:9) (77:10) Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.
(Psalmen 77:10) (77:11) Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.
(Psalmen 77:11) (77:12) Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;
(Psalmen 77:12) (77:13) En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
(Psalmen 77:13) (77:14) O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
(Psalmen 77:14) (77:15) Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.
(Psalmen 77:15) (77:16) Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.
(Psalmen 77:16) (77:17) De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
(Psalmen 77:17) (77:18) De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.
(Psalmen 77:18) (77:19) Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
(Psalmen 77:19) (77:20) Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.
(Psalmen 77:20) (77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron.

Psalmen 78

(Psalmen 78:1) Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
(Psalmen 78:2) Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
(Psalmen 78:3) Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.
(Psalmen 78:4) Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.
(Psalmen 78:5) Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;
(Psalmen 78:6) Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;
(Psalmen 78:7) En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;
(Psalmen 78:8) En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.
(Psalmen 78:9) (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)
(Psalmen 78:10) Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.
(Psalmen 78:11) En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.
(Psalmen 78:12) Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.
(Psalmen 78:13) Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.
(Psalmen 78:14) En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.
(Psalmen 78:15) Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.
(Psalmen 78:16) Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.
(Psalmen 78:17) Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.
(Psalmen 78:18) En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.
(Psalmen 78:19) En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?
(Psalmen 78:20) Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?
(Psalmen 78:21) Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;
(Psalmen 78:22) Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.
(Psalmen 78:23) Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;
(Psalmen 78:24) En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.
(Psalmen 78:25) Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.
(Psalmen 78:26) Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;
(Psalmen 78:27) En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën;
(Psalmen 78:28) En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.
(Psalmen 78:29) Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.
(Psalmen 78:30) Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
(Psalmen 78:31) Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël nedervelde.
(Psalmen 78:32) Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.
(Psalmen 78:33) Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
(Psalmen 78:34) Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;
(Psalmen 78:35) En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.
(Psalmen 78:36) En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.
(Psalmen 78:37) Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.
(Psalmen 78:38) Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.
(Psalmen 78:39) En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.
(Psalmen 78:40) Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!
(Psalmen 78:41) Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israëls een perk.
(Psalmen 78:42) Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;
(Psalmen 78:43) Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;
(Psalmen 78:44) En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.
(Psalmen 78:45) Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.
(Psalmen 78:46) En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.
(Psalmen 78:47) Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.
(Psalmen 78:48) Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.
(Psalmen 78:49) Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.
(Psalmen 78:50) Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.
(Psalmen 78:51) En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.
(Psalmen 78:52) En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
(Psalmen 78:53) Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
(Psalmen 78:54) En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.
(Psalmen 78:55) En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israëls in hun tenten wonen.
(Psalmen 78:56) Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.
(Psalmen 78:57) En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.
(Psalmen 78:58) En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.
(Psalmen 78:59) God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zeer.
(Psalmen 78:60) Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
(Psalmen 78:61) En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.
(Psalmen 78:62) En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
(Psalmen 78:63) Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.
(Psalmen 78:64) Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.
(Psalmen 78:65) Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.
(Psalmen 78:66) En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
(Psalmen 78:67) Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraïm verkoos Hij niet.
(Psalmen 78:68) Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.
(Psalmen 78:69) En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
(Psalmen 78:70) En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
(Psalmen 78:71) Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.
(Psalmen 78:72) Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

Psalmen 79

(Psalmen 79:1) Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.
(Psalmen 79:2) Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.
(Psalmen 79:3) Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.
(Psalmen 79:4) Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.
(Psalmen 79:5) Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
(Psalmen 79:6) Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.
(Psalmen 79:7) Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.
(Psalmen 79:8) Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.
(Psalmen 79:9) Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.
(Psalmen 79:10) Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.
(Psalmen 79:11) Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.
(Psalmen 79:12) En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
(Psalmen 79:13) Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

Psalmen 80

(Psalmen 80:1) Voor den opperzangmeester, op Schóschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf. (80:2) O Herder Israëls! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.
(Psalmen 80:2) (80:3) Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.
(Psalmen 80:3) (80:4) O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.
(Psalmen 80:4) (80:5) O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?
(Psalmen 80:5) (80:6) Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
(Psalmen 80:6) (80:7) Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.
(Psalmen 80:7) (80:8) O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.
(Psalmen 80:8) (80:9) Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;
(Psalmen 80:9) (80:10) Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.
(Psalmen 80:10) (80:11) De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.
(Psalmen 80:11) (80:12) Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.
(Psalmen 80:12) (80:13) Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?
(Psalmen 80:13) (80:14) Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.
(Psalmen 80:14) (80:15) O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,
(Psalmen 80:15) (80:16) En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den zoon, dien Gij U gesterkt hebt!
(Psalmen 80:16) (80:17) Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.
(Psalmen 80:17) (80:18) Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.
(Psalmen 80:18) (80:19) Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen.
(Psalmen 80:19) (80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.

Psalmen 81

(Psalmen 81:1) Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf. (81:2) Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.
(Psalmen 81:2) (81:3) Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.
(Psalmen 81:3) (81:4) Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.
(Psalmen 81:4) (81:5) Want dat is een inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.
(Psalmen 81:5) (81:6) Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;
(Psalmen 81:6) (81:7) Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.
(Psalmen 81:7) (81:8) In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meríba. Sela.
(Psalmen 81:8) (81:9) Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israël, of gij naar Mij hoordet!
(Psalmen 81:9) (81:10) Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.
(Psalmen 81:10) (81:11) Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
(Psalmen 81:11) (81:12) Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild.
(Psalmen 81:12) (81:13) Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.
(Psalmen 81:13) (81:14) Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!
(Psalmen 81:14) (81:15) In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.
(Psalmen 81:15) (81:16) Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.
(Psalmen 81:16) (81:17) En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.

Psalmen 82

(Psalmen 82:1) Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;
(Psalmen 82:2) Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
(Psalmen 82:3) Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
(Psalmen 82:4) Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.
(Psalmen 82:5) Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.
(Psalmen 82:6) Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;
(Psalmen 82:7) Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.
(Psalmen 82:8) Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natiën.

Psalmen 83

(Psalmen 83:1) Een lied, een psalm van Asaf. (83:2) O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
(Psalmen 83:2) (83:3) Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.
(Psalmen 83:3) (83:4) Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.
(Psalmen 83:4) (83:5) Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.
(Psalmen 83:5) (83:6) Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;
(Psalmen 83:6) (83:7) De tenten van Edom en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen;
(Psalmen 83:7) (83:8) Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.
(Psalmen 83:8) (83:9) Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.
(Psalmen 83:9) (83:10) Doe hun als Midian, als Sísera, als Jabin aan de beek Kison;
(Psalmen 83:10) (83:11) Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.
(Psalmen 83:11) (83:12) Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmûna;
(Psalmen 83:12) (83:13) Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.
(Psalmen 83:13) (83:14) Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.
(Psalmen 83:14) (83:15) Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;
(Psalmen 83:15) (83:16) Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.
(Psalmen 83:16) (83:17) Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.
(Psalmen 83:17) (83:18) Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen;
(Psalmen 83:18) (83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.

Psalmen 84

(Psalmen 84:1) Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach. (84:2) Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!
(Psalmen 84:2) (84:3) Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.
(Psalmen 84:3) (84:4) Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!
(Psalmen 84:4) (84:5) Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.
(Psalmen 84:5) (84:6) Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.
(Psalmen 84:6) (84:7) Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.
(Psalmen 84:7) (84:8) Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.
(Psalmen 84:8) (84:9) HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.
(Psalmen 84:9) (84:10) O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.
(Psalmen 84:10) (84:11) Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.
(Psalmen 84:11) (84:12) Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
(Psalmen 84:12) (84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.

Psalmen 85

(Psalmen 85:1) Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. (85:2) Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.
(Psalmen 85:2) (85:3) De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.
(Psalmen 85:3) (85:4) Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.
(Psalmen 85:4) (85:5) Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
(Psalmen 85:5) (85:6) Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
(Psalmen 85:6) (85:7) Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?
(Psalmen 85:7) (85:8) Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.
(Psalmen 85:8) (85:9) Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.
(Psalmen 85:9) (85:10) Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.
(Psalmen 85:10) (85:11) De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.
(Psalmen 85:11) (85:12) De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.
(Psalmen 85:12) (85:13) Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven.
(Psalmen 85:13) (85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen.

Psalmen 86

(Psalmen 86:1) Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.
(Psalmen 86:2) Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht, die op U betrouwt.
(Psalmen 86:3) Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.
(Psalmen 86:4) Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.
(Psalmen 86:5) Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, HEERE!
(Psalmen 86:6) HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.
(Psalmen 86:7) In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.
(Psalmen 86:8) Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.
(Psalmen 86:9) Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.
(Psalmen 86:10) Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.
(Psalmen 86:11) Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.
(Psalmen 86:12) Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;
(Psalmen 86:13) Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.
(Psalmen 86:14) O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
(Psalmen 86:15) Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.
(Psalmen 86:16) Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.
(Psalmen 86:17) Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.

Psalmen 87

(Psalmen 87:1) Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.
(Psalmen 87:2) De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.
(Psalmen 87:3) Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.
(Psalmen 87:4) Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyriër, met den Moor, deze is aldaar geboren.
(Psalmen 87:5) En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.
(Psalmen 87:6) De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.
(Psalmen 87:7) En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn.

Psalmen 88

(Psalmen 88:1) Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Máchalath Leánnôth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet. (88:2) O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
(Psalmen 88:2) (88:3) Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.
(Psalmen 88:3) (88:4) Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.
(Psalmen 88:4) (88:5) Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
(Psalmen 88:5) (88:6) Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.
(Psalmen 88:6) (88:7) Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
(Psalmen 88:7) (88:8) Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.
(Psalmen 88:8) (88:9) Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.
(Psalmen 88:9) (88:10) Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.
(Psalmen 88:10) (88:11) Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.
(Psalmen 88:11) (88:12) Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?
(Psalmen 88:12) (88:13) Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?
(Psalmen 88:13) (88:14) Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.
(Psalmen 88:14) (88:15) HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?
(Psalmen 88:15) (88:16) Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.
(Psalmen 88:16) (88:17) Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.
(Psalmen 88:17) (88:18) Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij.
(Psalmen 88:18) (88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.

Psalmen 89

(Psalmen 89:1) Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet. (89:2) Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 89:2) (89:3) Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:
(Psalmen 89:3) (89:4) Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:
(Psalmen 89:4) (89:5) Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.
(Psalmen 89:5) (89:6) Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.
(Psalmen 89:6) (89:7) Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?
(Psalmen 89:7) (89:8) God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.
(Psalmen 89:8) (89:9) O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.
(Psalmen 89:9) (89:10) Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.
(Psalmen 89:10) (89:11) Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.
(Psalmen 89:11) (89:12) De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.
(Psalmen 89:12) (89:13) Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.
(Psalmen 89:13) (89:14) Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.
(Psalmen 89:14) (89:15) Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.
(Psalmen 89:15) (89:16) Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.
(Psalmen 89:16) (89:17) Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.
(Psalmen 89:17) (89:18) Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.
(Psalmen 89:18) (89:19) Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israëls.
(Psalmen 89:19) (89:20) Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.
(Psalmen 89:20) (89:21) Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;
(Psalmen 89:21) (89:22) Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.
(Psalmen 89:22) (89:23) De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.
(Psalmen 89:23) (89:24) Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.
(Psalmen 89:24) (89:25) En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.
(Psalmen 89:25) (89:26) En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.
(Psalmen 89:26) (89:27) Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!
(Psalmen 89:27) (89:28) Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.
(Psalmen 89:28) (89:29) Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.
(Psalmen 89:29) (89:30) En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
(Psalmen 89:30) (89:31) Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;
(Psalmen 89:31) (89:32) Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;
(Psalmen 89:32) (89:33) Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.
(Psalmen 89:33) (89:34) Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.
(Psalmen 89:34) (89:35) Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.
(Psalmen 89:35) (89:36) Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!
(Psalmen 89:36) (89:37) Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.
(Psalmen 89:37) (89:38) Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.
(Psalmen 89:38) (89:39) Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.
(Psalmen 89:39) (89:40) Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.
(Psalmen 89:40) (89:41) Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.
(Psalmen 89:41) (89:42) Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.
(Psalmen 89:42) (89:43) Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.
(Psalmen 89:43) (89:44) Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.
(Psalmen 89:44) (89:45) Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.
(Psalmen 89:45) (89:46) Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
(Psalmen 89:46) (89:47) Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
(Psalmen 89:47) (89:48) Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
(Psalmen 89:48) (89:49) Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.
(Psalmen 89:49) (89:50) HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?
(Psalmen 89:50) (89:51) Gedenk, HEERE! aan den smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.
(Psalmen 89:51) (89:52) Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden.
(Psalmen 89:52) (89:53) Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen.

Psalmen 90

(Psalmen 90:1) Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 90:2) Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
(Psalmen 90:3) Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!
(Psalmen 90:4) Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.
(Psalmen 90:5) Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;
(Psalmen 90:6) In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.
(Psalmen 90:7) Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
(Psalmen 90:8) Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
(Psalmen 90:9) Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.
(Psalmen 90:10) Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.
(Psalmen 90:11) Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
(Psalmen 90:12) Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
(Psalmen 90:13) Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.
(Psalmen 90:14) Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.
(Psalmen 90:15) Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
(Psalmen 90:16) Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.
(Psalmen 90:17) En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Psalmen 91

(Psalmen 91:1) Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
(Psalmen 91:2) Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!
(Psalmen 91:3) Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.
(Psalmen 91:4) Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
(Psalmen 91:5) Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;
(Psalmen 91:6) Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.
(Psalmen 91:7) Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.
(Psalmen 91:8) Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.
(Psalmen 91:9) Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;
(Psalmen 91:10) U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
(Psalmen 91:11) Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
(Psalmen 91:12) Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
(Psalmen 91:13) Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.
(Psalmen 91:14) Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
(Psalmen 91:15) Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
(Psalmen 91:16) Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

Psalmen 92

(Psalmen 92:1) Een psalm, een lied, op den sabbatdag. (92:2) Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!
(Psalmen 92:2) (92:3) Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;
(Psalmen 92:3) (92:4) Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.
(Psalmen 92:4) (92:5) Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.
(Psalmen 92:5) (92:6) O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
(Psalmen 92:6) (92:7) Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
(Psalmen 92:7) (92:8) Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
(Psalmen 92:8) (92:9) Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!
(Psalmen 92:9) (92:10) Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
(Psalmen 92:10) (92:11) Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.
(Psalmen 92:11) (92:12) En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.
(Psalmen 92:12) (92:13) De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.
(Psalmen 92:13) (92:14) Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.
(Psalmen 92:14) (92:15) In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,
(Psalmen 92:15) (92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.

Psalmen 93

(Psalmen 93:1) De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
(Psalmen 93:2) Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.
(Psalmen 93:3) De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.
(Psalmen 93:4) Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.
(Psalmen 93:5) Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.

Psalmen 94

(Psalmen 94:1) O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.
(Psalmen 94:2) Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.
(Psalmen 94:3) Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?
(Psalmen 94:4) Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?
(Psalmen 94:5) O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.
(Psalmen 94:6) De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.
(Psalmen 94:7) En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.
(Psalmen 94:8) Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
(Psalmen 94:9) Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
(Psalmen 94:10) Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?
(Psalmen 94:11) De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.
(Psalmen 94:12) Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,
(Psalmen 94:13) Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.
(Psalmen 94:14) Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.
(Psalmen 94:15) Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.
(Psalmen 94:16) Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?
(Psalmen 94:17) Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.
(Psalmen 94:18) Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.
(Psalmen 94:19) Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.
(Psalmen 94:20) Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?
(Psalmen 94:21) Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.
(Psalmen 94:22) Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.
(Psalmen 94:23) En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.

Psalmen 95

(Psalmen 95:1) Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
(Psalmen 95:2) Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
(Psalmen 95:3) Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
(Psalmen 95:4) In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
(Psalmen 95:5) Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
(Psalmen 95:6) Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
(Psalmen 95:7) Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
(Psalmen 95:8) Verhardt uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
(Psalmen 95:9) Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
(Psalmen 95:10) Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
(Psalmen 95:11) Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!

Psalmen 96

(Psalmen 96:1) Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt den HEERE, gij ganse aarde!
(Psalmen 96:2) Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.
(Psalmen 96:3) Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.
(Psalmen 96:4) Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.
(Psalmen 96:5) Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.
(Psalmen 96:6) Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.
(Psalmen 96:7) Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.
(Psalmen 96:8) Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.
(Psalmen 96:9) Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.
(Psalmen 96:10) Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.
(Psalmen 96:11) Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.
(Psalmen 96:12) Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.
(Psalmen 96:13) Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

Psalmen 97

(Psalmen 97:1) De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.
(Psalmen 97:2) Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.
(Psalmen 97:3) Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.
(Psalmen 97:4) Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.
(Psalmen 97:5) De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.
(Psalmen 97:6) De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.
(Psalmen 97:7) Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!
(Psalmen 97:8) Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!
(Psalmen 97:9) Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.
(Psalmen 97:10) Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.
(Psalmen 97:11) Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.
(Psalmen 97:12) Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

Psalmen 98

(Psalmen 98:1) Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.
(Psalmen 98:2) De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.
(Psalmen 98:3) Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israëls; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.
(Psalmen 98:4) Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.
(Psalmen 98:5) Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,
(Psalmen 98:6) Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.
(Psalmen 98:7) De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.
(Psalmen 98:8) Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,
(Psalmen 98:9) Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.

Psalmen 99

(Psalmen 99:1) De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
(Psalmen 99:2) De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.
(Psalmen 99:3) Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
(Psalmen 99:4) En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
(Psalmen 99:5) Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!
(Psalmen 99:6) Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.
(Psalmen 99:7) Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
(Psalmen 99:8) O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.
(Psalmen 99:9) Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.

Psalmen 100

(Psalmen 100:1) Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.
(Psalmen 100:2) Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.
(Psalmen 100:3) Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.
(Psalmen 100:4) Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.
(Psalmen 100:5) Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.

Psalmen 101

(Psalmen 101:1) Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!
(Psalmen 101:2) Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.
(Psalmen 101:3) Ik zal geen Belialsstuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
(Psalmen 101:4) Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
(Psalmen 101:5) Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
(Psalmen 101:6) Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.
(Psalmen 101:7) Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
(Psalmen 101:8) Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalmen 102

(Psalmen 102:1) Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN. (102:2) O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
(Psalmen 102:2) (102:3) Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.
(Psalmen 102:3) (102:4) Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.
(Psalmen 102:4) (102:5) Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
(Psalmen 102:5) (102:6) Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.
(Psalmen 102:6) (102:7) Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.
(Psalmen 102:7) (102:8) Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
(Psalmen 102:8) (102:9) Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
(Psalmen 102:9) (102:10) Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
(Psalmen 102:10) (102:11) Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.
(Psalmen 102:11) (102:12) Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
(Psalmen 102:12) (102:13) Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 102:13) (102:14) Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
(Psalmen 102:14) (102:15) Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
(Psalmen 102:15) (102:16) Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.
(Psalmen 102:16) (102:17) Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
(Psalmen 102:17) (102:18) Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;
(Psalmen 102:18) (102:19) Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;
(Psalmen 102:19) (102:20) Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;
(Psalmen 102:20) (102:21) Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;
(Psalmen 102:21) (102:22) Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
(Psalmen 102:22) (102:23) Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.
(Psalmen 102:23) (102:24) Hij heeft mijn kracht op den weg ter neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.
(Psalmen 102:24) (102:25) Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 102:25) (102:26) Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;
(Psalmen 102:26) (102:27) Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
(Psalmen 102:27) (102:28) Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden.
(Psalmen 102:28) (102:29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.

Psalmen 103

(Psalmen 103:1) Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.
(Psalmen 103:2) Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;
(Psalmen 103:3) Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;
(Psalmen 103:4) Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;
(Psalmen 103:5) Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.
(Psalmen 103:6) De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.
(Psalmen 103:7) Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israëls Zijn daden.
(Psalmen 103:8) Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
(Psalmen 103:9) Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.
(Psalmen 103:10) Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
(Psalmen 103:11) Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.
(Psalmen 103:12) Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.
(Psalmen 103:13) Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.
(Psalmen 103:14) Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.
(Psalmen 103:15) De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.
(Psalmen 103:16) Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.
(Psalmen 103:17) Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;
(Psalmen 103:18) Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.
(Psalmen 103:19) De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.
(Psalmen 103:20) Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.
(Psalmen 103:21) Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!
(Psalmen 103:22) Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!

Psalmen 104

(Psalmen 104:1) Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
(Psalmen 104:2) Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
(Psalmen 104:3) Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
(Psalmen 104:4) Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
(Psalmen 104:5) Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
(Psalmen 104:6) Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
(Psalmen 104:7) Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
(Psalmen 104:8) De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
(Psalmen 104:9) Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
(Psalmen 104:10) Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
(Psalmen 104:11) Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
(Psalmen 104:12) Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.
(Psalmen 104:13) Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.
(Psalmen 104:14) Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.
(Psalmen 104:15) En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.
(Psalmen 104:16) De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;
(Psalmen 104:17) Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.
(Psalmen 104:18) De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.
(Psalmen 104:19) Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.
(Psalmen 104:20) Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:
(Psalmen 104:21) De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.
(Psalmen 104:22) De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.
(Psalmen 104:23) De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.
(Psalmen 104:24) Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.
(Psalmen 104:25) Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.
(Psalmen 104:26) Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.
(Psalmen 104:27) Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
(Psalmen 104:28) Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.
(Psalmen 104:29) Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.
(Psalmen 104:30) Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.
(Psalmen 104:31) De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.
(Psalmen 104:32) Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.
(Psalmen 104:33) Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
(Psalmen 104:34) Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.
(Psalmen 104:35) De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

Psalmen 105

(Psalmen 105:1) Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.
(Psalmen 105:2) Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.
(Psalmen 105:3) Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.
(Psalmen 105:4) Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.
(Psalmen 105:5) Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.
(Psalmen 105:6) Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!
(Psalmen 105:7) Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
(Psalmen 105:8) Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;
(Psalmen 105:9) Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;
(Psalmen 105:10) Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond,
(Psalmen 105:11) Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van ulieder erfdeel.
(Psalmen 105:12) Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;
(Psalmen 105:13) En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;
(Psalmen 105:14) Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:
(Psalmen 105:15) Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.
(Psalmen 105:16) Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.
(Psalmen 105:17) Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.
(Psalmen 105:18) Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.
(Psalmen 105:19) Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.
(Psalmen 105:20) De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.
(Psalmen 105:21) Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;
(Psalmen 105:22) Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.
(Psalmen 105:23) Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.
(Psalmen 105:24) En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.
(Psalmen 105:25) Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.
(Psalmen 105:26) Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, dien Hij verkoren had.
(Psalmen 105:27) Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.
(Psalmen 105:28) Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.
(Psalmen 105:29) Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.
(Psalmen 105:30) Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.
(Psalmen 105:31) Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.
(Psalmen 105:32) Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.
(Psalmen 105:33) En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.
(Psalmen 105:34) Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;
(Psalmen 105:35) Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landouwe op.
(Psalmen 105:36) Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.
(Psalmen 105:37) En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.
(Psalmen 105:38) Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.
(Psalmen 105:39) Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.
(Psalmen 105:40) Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.
(Psalmen 105:41) Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.
(Psalmen 105:42) Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.
(Psalmen 105:43) Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.
(Psalmen 105:44) En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;
(Psalmen 105:45) Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

Psalmen 106

(Psalmen 106:1) Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 106:2) Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?
(Psalmen 106:3) Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.
(Psalmen 106:4) Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
(Psalmen 106:5) Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.
(Psalmen 106:6) Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.
(Psalmen 106:7) Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
(Psalmen 106:8) Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.
(Psalmen 106:9) En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.
(Psalmen 106:10) En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
(Psalmen 106:11) En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
(Psalmen 106:12) Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.
(Psalmen 106:13) Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.
(Psalmen 106:14) Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.
(Psalmen 106:15) Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.
(Psalmen 106:16) En zij benijdden Mozes in het leger, en Aäron, den heilige des HEEREN.
(Psalmen 106:17) De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abíram.
(Psalmen 106:18) En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.
(Psalmen 106:19) Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
(Psalmen 106:20) En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.
(Psalmen 106:21) Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;
(Psalmen 106:22) Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.
(Psalmen 106:23) Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
(Psalmen 106:24) Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.
(Psalmen 106:25) Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.
(Psalmen 106:26) Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;
(Psalmen 106:27) En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.
(Psalmen 106:28) Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.
(Psalmen 106:29) En zij hebben den Heere tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.
(Psalmen 106:30) Toen stond Pínehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
(Psalmen 106:31) En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.
(Psalmen 106:32) Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.
(Psalmen 106:33) Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.
(Psalmen 106:34) Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;
(Psalmen 106:35) Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.
(Psalmen 106:36) En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.
(Psalmen 106:37) Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.
(Psalmen 106:38) En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.
(Psalmen 106:39) En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.
(Psalmen 106:40) Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.
(Psalmen 106:41) En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.
(Psalmen 106:42) En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.
(Psalmen 106:43) Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
(Psalmen 106:44) Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.
(Psalmen 106:45) En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
(Psalmen 106:46) Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.
(Psalmen 106:47) Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
(Psalmen 106:48) Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

Psalmen 107

(Psalmen 107:1) Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 107:2) Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.
(Psalmen 107:3) En Hij die uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.
(Psalmen 107:4) Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;
(Psalmen 107:5) Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.
(Psalmen 107:6) Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;
(Psalmen 107:7) En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.
(Psalmen 107:8) Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
(Psalmen 107:9) Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;
(Psalmen 107:10) Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;
(Psalmen 107:11) Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.
(Psalmen 107:12) Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.
(Psalmen 107:13) Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
(Psalmen 107:14) Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.
(Psalmen 107:15) Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
(Psalmen 107:16) Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.
(Psalmen 107:17) De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;
(Psalmen 107:18) Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.
(Psalmen 107:19) Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
(Psalmen 107:20) Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.
(Psalmen 107:21) Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.
(Psalmen 107:22) En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.
(Psalmen 107:23) Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren;
(Psalmen 107:24) Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.
(Psalmen 107:25) Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.
(Psalmen 107:26) Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.
(Psalmen 107:27) Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.
(Psalmen 107:28) Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.
(Psalmen 107:29) Hij doet den storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.
(Psalmen 107:30) Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft.
(Psalmen 107:31) Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;
(Psalmen 107:32) En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.
(Psalmen 107:33) Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
(Psalmen 107:34) Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
(Psalmen 107:35) Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
(Psalmen 107:36) En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
(Psalmen 107:37) En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.
(Psalmen 107:38) En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.
(Psalmen 107:39) Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.
(Psalmen 107:40) Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
(Psalmen 107:41) Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
(Psalmen 107:42) De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
(Psalmen 107:43) Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.

Psalmen 108

(Psalmen 108:1) Een lied, een psalm van David. (108:2) O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.
(Psalmen 108:2) (108:3) Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.
(Psalmen 108:3) (108:4) Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natiën.
(Psalmen 108:4) (108:5) Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.
(Psalmen 108:5) (108:6) Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.
(Psalmen 108:6) (108:7) Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.
(Psalmen 108:7) (108:8) God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.
(Psalmen 108:8) (108:9) Gílead is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.
(Psalmen 108:9) (108:10) Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.
(Psalmen 108:10) (108:11) Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
(Psalmen 108:11) (108:12) Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?
(Psalmen 108:12) (108:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid.
(Psalmen 108:13) (108:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.

Psalmen 109

(Psalmen 109:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
(Psalmen 109:2) Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
(Psalmen 109:3) En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
(Psalmen 109:4) Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
(Psalmen 109:5) En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
(Psalmen 109:6) Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
(Psalmen 109:7) Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
(Psalmen 109:8) Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;
(Psalmen 109:9) Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.
(Psalmen 109:10) En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
(Psalmen 109:11) Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
(Psalmen 109:12) Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.
(Psalmen 109:13) Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.
(Psalmen 109:14) De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.
(Psalmen 109:15) Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.
(Psalmen 109:16) Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.
(Psalmen 109:17) Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.
(Psalmen 109:18) En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.
(Psalmen 109:19) Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.
(Psalmen 109:20) Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.
(Psalmen 109:21) Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
(Psalmen 109:22) Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.
(Psalmen 109:23) Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.
(Psalmen 109:24) Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.
(Psalmen 109:25) Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.
(Psalmen 109:26) Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
(Psalmen 109:27) Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.
(Psalmen 109:28) Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.
(Psalmen 109:29) Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.
(Psalmen 109:30) Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.
(Psalmen 109:31) Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

Psalmen 110

(Psalmen 110:1) Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.
(Psalmen 110:2) De HEERE zal den scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.
(Psalmen 110:3) Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.
(Psalmen 110:4) De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
(Psalmen 110:5) De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.
(Psalmen 110:6) Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.
(Psalmen 110:7) Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

Psalmen 111

(Psalmen 111:1) Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
(Psalmen 111:2) Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.
(Psalmen 111:3) He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en Zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.
(Psalmen 111:4) Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.
(Psalmen 111:5) Teth. Hij heeft dengenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.
(Psalmen 111:6) Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.
(Psalmen 111:7) Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
(Psalmen 111:8) Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid; Aïn. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.
(Psalmen 111:9) Pe. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk.
(Psalmen 111:10) Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

Psalmen 112

(Psalmen 112:1) Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
(Psalmen 112:2) Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.
(Psalmen 112:3) He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
(Psalmen 112:4) Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
(Psalmen 112:5) Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
(Psalmen 112:6) Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.
(Psalmen 112:7) Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.
(Psalmen 112:8) Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Aïn. totdat hij op zijn wederpartijen zie.
(Psalmen 112:9) Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
(Psalmen 112:10) Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

Psalmen 113

(Psalmen 113:1) Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
(Psalmen 113:2) De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
(Psalmen 113:3) Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
(Psalmen 113:4) De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
(Psalmen 113:5) Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
(Psalmen 113:6) Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
(Psalmen 113:7) Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
(Psalmen 113:8) Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
(Psalmen 113:9) Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

Psalmen 114

(Psalmen 114:1) Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;
(Psalmen 114:2) Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomene heerschappij.
(Psalmen 114:3) De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.
(Psalmen 114:4) De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.
(Psalmen 114:5) Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?
(Psalmen 114:6) Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?
(Psalmen 114:7) Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;
(Psalmen 114:8) Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

Psalmen 115

(Psalmen 115:1) Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
(Psalmen 115:2) Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
(Psalmen 115:3) Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
(Psalmen 115:4) Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;
(Psalmen 115:5) Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
(Psalmen 115:6) Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
(Psalmen 115:7) Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
(Psalmen 115:8) Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
(Psalmen 115:9) Israël! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
(Psalmen 115:10) Gij huis van Aäron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
(Psalmen 115:11) Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
(Psalmen 115:12) De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.
(Psalmen 115:13) Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
(Psalmen 115:14) De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.
(Psalmen 115:15) Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
(Psalmen 115:16) Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven.
(Psalmen 115:17) De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
(Psalmen 115:18) Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

Psalmen 116

(Psalmen 116:1) Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
(Psalmen 116:2) Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
(Psalmen 116:3) De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
(Psalmen 116:4) Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
(Psalmen 116:5) De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
(Psalmen 116:6) De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
(Psalmen 116:7) Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
(Psalmen 116:8) Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van den dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
(Psalmen 116:9) Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
(Psalmen 116:10) Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
(Psalmen 116:11) Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
(Psalmen 116:12) Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
(Psalmen 116:13) Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
(Psalmen 116:14) Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
(Psalmen 116:15) Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
(Psalmen 116:16) Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
(Psalmen 116:17) Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
(Psalmen 116:18) Ik zal mijn gelofte den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
(Psalmen 116:19) In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

Psalmen 117

(Psalmen 117:1) Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën!
(Psalmen 117:2) Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!

Psalmen 118

(Psalmen 118:1) Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 118:2) Dat Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
(Psalmen 118:3) Het huis van Aäron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
(Psalmen 118:4) Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
(Psalmen 118:5) Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
(Psalmen 118:6) De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
(Psalmen 118:7) De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
(Psalmen 118:8) Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
(Psalmen 118:9) Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
(Psalmen 118:10) Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
(Psalmen 118:11) Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
(Psalmen 118:12) Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
(Psalmen 118:13) Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
(Psalmen 118:14) De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
(Psalmen 118:15) In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
(Psalmen 118:16) De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
(Psalmen 118:17) Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
(Psalmen 118:18) De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
(Psalmen 118:19) Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
(Psalmen 118:20) Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.
(Psalmen 118:21) Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
(Psalmen 118:22) De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
(Psalmen 118:23) Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
(Psalmen 118:24) Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.
(Psalmen 118:25) Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.
(Psalmen 118:26) Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
(Psalmen 118:27) De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
(Psalmen 118:28) Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
(Psalmen 118:29) Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Psalmen 119

(Psalmen 119:1) Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
(Psalmen 119:2) Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
(Psalmen 119:3) Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
(Psalmen 119:4) HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
(Psalmen 119:5) Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
(Psalmen 119:6) Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
(Psalmen 119:7) Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
(Psalmen 119:8) Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
(Psalmen 119:9) Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
(Psalmen 119:10) Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
(Psalmen 119:11) Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
(Psalmen 119:12) HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:13) Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.
(Psalmen 119:14) Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.
(Psalmen 119:15) Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
(Psalmen 119:16) Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
(Psalmen 119:17) Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.
(Psalmen 119:18) Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
(Psalmen 119:19) Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.
(Psalmen 119:20) Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.
(Psalmen 119:21) Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.
(Psalmen 119:22) Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
(Psalmen 119:23) Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
(Psalmen 119:24) Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.
(Psalmen 119:25) Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.
(Psalmen 119:26) Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:27) Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.
(Psalmen 119:28) Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.
(Psalmen 119:29) Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.
(Psalmen 119:30) Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.
(Psalmen 119:31) Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
(Psalmen 119:32) Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.
(Psalmen 119:33) HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.
(Psalmen 119:34) Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
(Psalmen 119:35) Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.
(Psalmen 119:36) Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.
(Psalmen 119:37) Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.
(Psalmen 119:38) Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
(Psalmen 119:39) Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
(Psalmen 119:40) Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
(Psalmen 119:41) En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
(Psalmen 119:42) Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
(Psalmen 119:43) En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
(Psalmen 119:44) Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.
(Psalmen 119:45) En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
(Psalmen 119:46) Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
(Psalmen 119:47) En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.
(Psalmen 119:48) En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.
(Psalmen 119:49) Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
(Psalmen 119:50) Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
(Psalmen 119:51) De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.
(Psalmen 119:52) Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.
(Psalmen 119:53) Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
(Psalmen 119:54) Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.
(Psalmen 119:55) HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.
(Psalmen 119:56) Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
(Psalmen 119:57) De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.
(Psalmen 119:58) Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
(Psalmen 119:59) Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.
(Psalmen 119:60) Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.
(Psalmen 119:61) De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.
(Psalmen 119:62) Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.
(Psalmen 119:63) Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.
(Psalmen 119:64) HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:65) Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.
(Psalmen 119:66) Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
(Psalmen 119:67) Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
(Psalmen 119:68) Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:69) De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
(Psalmen 119:70) Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.
(Psalmen 119:71) Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
(Psalmen 119:72) De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.
(Psalmen 119:73) Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.
(Psalmen 119:74) Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
(Psalmen 119:75) Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.
(Psalmen 119:76) Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
(Psalmen 119:77) Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.
(Psalmen 119:78) Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
(Psalmen 119:79) Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
(Psalmen 119:80) Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.
(Psalmen 119:81) Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.
(Psalmen 119:82) Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
(Psalmen 119:83) Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.
(Psalmen 119:84) Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?
(Psalmen 119:85) De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.
(Psalmen 119:86) Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.
(Psalmen 119:87) Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
(Psalmen 119:88) Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.
(Psalmen 119:89) O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.
(Psalmen 119:90) Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;
(Psalmen 119:91) Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.
(Psalmen 119:92) Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.
(Psalmen 119:93) Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.
(Psalmen 119:94) Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.
(Psalmen 119:95) De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
(Psalmen 119:96) In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.
(Psalmen 119:97) Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.
(Psalmen 119:98) Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.
(Psalmen 119:99) Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.
(Psalmen 119:100) Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
(Psalmen 119:101) Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
(Psalmen 119:102) Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
(Psalmen 119:103) Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
(Psalmen 119:104) Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
(Psalmen 119:105) Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.
(Psalmen 119:106) Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.
(Psalmen 119:107) Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
(Psalmen 119:108) Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.
(Psalmen 119:109) Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.
(Psalmen 119:110) De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
(Psalmen 119:111) Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.
(Psalmen 119:112) Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.
(Psalmen 119:113) Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.
(Psalmen 119:114) Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
(Psalmen 119:115) Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.
(Psalmen 119:116) Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
(Psalmen 119:117) Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.
(Psalmen 119:118) Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
(Psalmen 119:119) Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
(Psalmen 119:120) Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.
(Psalmen 119:121) Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
(Psalmen 119:122) Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
(Psalmen 119:123) Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.
(Psalmen 119:124) Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:125) Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.
(Psalmen 119:126) Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.
(Psalmen 119:127) Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.
(Psalmen 119:128) Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.
(Psalmen 119:129) Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.
(Psalmen 119:130) De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.
(Psalmen 119:131) Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.
(Psalmen 119:132) Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
(Psalmen 119:133) Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
(Psalmen 119:134) Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
(Psalmen 119:135) Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.
(Psalmen 119:136) Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
(Psalmen 119:137) HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.
(Psalmen 119:138) Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.
(Psalmen 119:139) Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
(Psalmen 119:140) Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.
(Psalmen 119:141) Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.
(Psalmen 119:142) Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.
(Psalmen 119:143) Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.
(Psalmen 119:144) De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.
(Psalmen 119:145) Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.
(Psalmen 119:146) Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
(Psalmen 119:147) Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
(Psalmen 119:148) Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.
(Psalmen 119:149) Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.
(Psalmen 119:150) Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.
(Psalmen 119:151) Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.
(Psalmen 119:152) Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.
(Psalmen 119:153) Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.
(Psalmen 119:154) Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.
(Psalmen 119:155) Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.
(Psalmen 119:156) HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.
(Psalmen 119:157) Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.
(Psalmen 119:158) Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.
(Psalmen 119:159) Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
(Psalmen 119:160) Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.
(Psalmen 119:161) De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
(Psalmen 119:162) Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
(Psalmen 119:163) Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.
(Psalmen 119:164) Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.
(Psalmen 119:165) Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.
(Psalmen 119:166) O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
(Psalmen 119:167) Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.
(Psalmen 119:168) Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
(Psalmen 119:169) O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
(Psalmen 119:170) Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
(Psalmen 119:171) Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.
(Psalmen 119:172) Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
(Psalmen 119:173) Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.
(Psalmen 119:174) O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.
(Psalmen 119:175) Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.
(Psalmen 119:176) Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

Psalmen 120

(Psalmen 120:1) Een lied op Hammaälôth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
(Psalmen 120:2) O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
(Psalmen 120:3) Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
(Psalmen 120:4) Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.
(Psalmen 120:5) O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.
(Psalmen 120:6) Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
(Psalmen 120:7) Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.

Psalmen 121

(Psalmen 121:1) Een lied Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.
(Psalmen 121:2) Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
(Psalmen 121:3) Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
(Psalmen 121:4) Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
(Psalmen 121:5) De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.
(Psalmen 121:6) De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
(Psalmen 121:7) De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
(Psalmen 121:8) De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Psalmen 122

(Psalmen 122:1) Een lied Hammaälôth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.
(Psalmen 122:2) Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
(Psalmen 122:3) Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
(Psalmen 122:4) Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israëls, om den Naam des HEEREN te danken.
(Psalmen 122:5) Want dáár zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
(Psalmen 122:6) Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
(Psalmen 122:7) Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
(Psalmen 122:8) Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
(Psalmen 122:9) Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.

Psalmen 123

(Psalmen 123:1) Een lied op Hammaälôth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
(Psalmen 123:2) Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
(Psalmen 123:3) Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
(Psalmen 123:4) Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

Psalmen 124

(Psalmen 124:1) Een lied Hammaälôth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israël,
(Psalmen 124:2) Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;
(Psalmen 124:3) Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.
(Psalmen 124:4) Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.
(Psalmen 124:5) Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.
(Psalmen 124:6) De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.
(Psalmen 124:7) Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.
(Psalmen 124:8) Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalmen 125

(Psalmen 125:1) Een lied Hammaälôth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
(Psalmen 125:2) Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
(Psalmen 125:3) Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
(Psalmen 125:4) HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
(Psalmen 125:5) Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn!

Psalmen 126

(Psalmen 126:1) Een lied Hammaälôth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.
(Psalmen 126:2) Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
(Psalmen 126:3) De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
(Psalmen 126:4) O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.
(Psalmen 126:5) Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
(Psalmen 126:6) Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

Psalmen 127

(Psalmen 127:1) Een lied Hammaälôth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter.
(Psalmen 127:2) Het is te vergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.
(Psalmen 127:3) Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.
(Psalmen 127:4) Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.
(Psalmen 127:5) Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Psalmen 128

(Psalmen 128:1) Een lied Hammaälôth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
(Psalmen 128:2) Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.
(Psalmen 128:3) Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
(Psalmen 128:4) Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
(Psalmen 128:5) De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
(Psalmen 128:6) En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israël!

Psalmen 129

(Psalmen 129:1) Een lied Hammaälôth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israël;
(Psalmen 129:2) Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
(Psalmen 129:3) Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
(Psalmen 129:4) De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
(Psalmen 129:5) Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
(Psalmen 129:6) Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
(Psalmen 129:7) Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
(Psalmen 129:8) En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.

Psalmen 130

(Psalmen 130:1) Een lied Hammaälôth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
(Psalmen 130:2) HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
(Psalmen 130:3) Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?
(Psalmen 130:4) Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
(Psalmen 130:5) Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
(Psalmen 130:6) Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
(Psalmen 130:7) Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
(Psalmen 130:8) En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Psalmen 131

(Psalmen 131:1) Een lied Hammaälôth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
(Psalmen 131:2) Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.
(Psalmen 131:3) Israël hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.

Psalmen 132

(Psalmen 132:1) Een lied Hammaälôth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
(Psalmen 132:2) Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
(Psalmen 132:3) Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
(Psalmen 132:4) Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
(Psalmen 132:5) Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
(Psalmen 132:6) Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaär.
(Psalmen 132:7) Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
(Psalmen 132:8) Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
(Psalmen 132:9) Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
(Psalmen 132:10) Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
(Psalmen 132:11) De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
(Psalmen 132:12) Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
(Psalmen 132:13) Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
(Psalmen 132:14) Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
(Psalmen 132:15) Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
(Psalmen 132:16) En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
(Psalmen 132:17) Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
(Psalmen 132:18) Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

Psalmen 133

(Psalmen 133:1) Een lied Hammaälôth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen!
(Psalmen 133:2) Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aäron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.
(Psalmen 133:3) Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.

Psalmen 134

(Psalmen 134:1) Een lied Hammaälôth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.
(Psalmen 134:2) Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.
(Psalmen 134:3) De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

Psalmen 135

(Psalmen 135:1) Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
(Psalmen 135:2) Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
(Psalmen 135:3) Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
(Psalmen 135:4) Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.
(Psalmen 135:5) Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
(Psalmen 135:6) Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.
(Psalmen 135:7) Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
(Psalmen 135:8) Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.
(Psalmen 135:9) Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.
(Psalmen 135:10) Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;
(Psalmen 135:11) Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,
(Psalmen 135:12) En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.
(Psalmen 135:13) O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.
(Psalmen 135:14) Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.
(Psalmen 135:15) De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.
(Psalmen 135:16) Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
(Psalmen 135:17) Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.
(Psalmen 135:18) Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
(Psalmen 135:19) Gij huis Israëls! looft den HEERE; gij huis Aärons! looft den HEERE.
(Psalmen 135:20) Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.
(Psalmen 135:21) Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!

Psalmen 136

(Psalmen 136:1) Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;
(Psalmen 136:2) Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:3) Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:4) Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:5) Dien, Die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:6) Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:7) Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:8) De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:9) De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:10) Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:11) En heeft Israël uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:12) Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:13) Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:14) En voerde Israël door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:15) Hij heeft Faraö met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:16) Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:17) Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:18) En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:19) Sihon, den Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:20) En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:21) En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:22) Ten erve aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:23) Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:24) En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:25) Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
(Psalmen 136:26) Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Psalmen 137

(Psalmen 137:1) Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.
(Psalmen 137:2) Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.
(Psalmen 137:3) Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions;
(Psalmen 137:4) Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?
(Psalmen 137:5) Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!
(Psalmen 137:6) Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!
(Psalmen 137:7) HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!
(Psalmen 137:8) O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.
(Psalmen 137:9) Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.

Psalmen 138

(Psalmen 138:1) Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.
(Psalmen 138:2) Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.
(Psalmen 138:3) Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.
(Psalmen 138:4) Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.
(Psalmen 138:5) En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.
(Psalmen 138:6) Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij den nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.
(Psalmen 138:7) Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.
(Psalmen 138:8) De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.

Psalmen 139

(Psalmen 139:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.
(Psalmen 139:2) Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.
(Psalmen 139:3) Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.
(Psalmen 139:4) Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles.
(Psalmen 139:5) Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.
(Psalmen 139:6) De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.
(Psalmen 139:7) Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?
(Psalmen 139:8) Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
(Psalmen 139:9) Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;
(Psalmen 139:10) Ook dáár zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.
(Psalmen 139:11) Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.
(Psalmen 139:12) Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.
(Psalmen 139:13) Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.
(Psalmen 139:14) Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.
(Psalmen 139:15) Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
(Psalmen 139:16) Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
(Psalmen 139:17) Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!
(Psalmen 139:18) Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.
(Psalmen 139:19) O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!
(Psalmen 139:20) Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
(Psalmen 139:21) Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
(Psalmen 139:22) Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
(Psalmen 139:23) Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
(Psalmen 139:24) En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.

Psalmen 140

(Psalmen 140:1) Een psalm van David, voor den opperzangmeester. (140:2) Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;
(Psalmen 140:2) (140:3) Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
(Psalmen 140:3) (140:4) Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
(Psalmen 140:4) (140:5) Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.
(Psalmen 140:5) (140:6) De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
(Psalmen 140:6) (140:7) Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.
(Psalmen 140:7) (140:8) HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.
(Psalmen 140:8) (140:9) Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.
(Psalmen 140:9) (140:10) Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.
(Psalmen 140:10) (140:11) Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.
(Psalmen 140:11) (140:12) Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.
(Psalmen 140:12) (140:13) Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.
(Psalmen 140:13) (140:14) Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.

Psalmen 141

(Psalmen 141:1) Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
(Psalmen 141:2) Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
(Psalmen 141:3) HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
(Psalmen 141:4) Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
(Psalmen 141:5) De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.
(Psalmen 141:6) Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.
(Psalmen 141:7) Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.
(Psalmen 141:8) Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.
(Psalmen 141:9) Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
(Psalmen 141:10) Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

Psalmen 142

(Psalmen 142:1) Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. (142:2) Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
(Psalmen 142:2) (142:3) Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.
(Psalmen 142:3) (142:4) Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
(Psalmen 142:4) (142:5) Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.
(Psalmen 142:5) (142:6) Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.
(Psalmen 142:6) (142:7) Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.
(Psalmen 142:7) (142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.

Psalmen 143

(Psalmen 143:1) Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.
(Psalmen 143:2) En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.
(Psalmen 143:3) Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.
(Psalmen 143:4) Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
(Psalmen 143:5) Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.
(Psalmen 143:6) Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.
(Psalmen 143:7) Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.
(Psalmen 143:8) Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.
(Psalmen 143:9) Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
(Psalmen 143:10) Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.
(Psalmen 143:11) O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
(Psalmen 143:12) En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.

Psalmen 144

(Psalmen 144:1) Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;
(Psalmen 144:2) Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!
(Psalmen 144:3) O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
(Psalmen 144:4) De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.
(Psalmen 144:5) Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.
(Psalmen 144:6) Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.
(Psalmen 144:7) Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
(Psalmen 144:8) Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
(Psalmen 144:9) O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.
(Psalmen 144:10) Gij, Die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
(Psalmen 144:11) Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;
(Psalmen 144:12) Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.
(Psalmen 144:13) Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.
(Psalmen 144:14) Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.
(Psalmen 144:15) Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God de HEERE is.

Psalmen 145

(Psalmen 145:1) Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.
(Psalmen 145:2) Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.
(Psalmen 145:3) Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.
(Psalmen 145:4) Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.
(Psalmen 145:5) He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.
(Psalmen 145:6) Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.
(Psalmen 145:7) Zain. Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.
(Psalmen 145:8) Cheth. Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
(Psalmen 145:9) Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.
(Psalmen 145:10) Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.
(Psalmen 145:11) Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.
(Psalmen 145:12) Lamed. Om den mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.
(Psalmen 145:13) Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.
(Psalmen 145:14) Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.
(Psalmen 145:15) Aïn. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.
(Psalmen 145:16) Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.
(Psalmen 145:17) Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.
(Psalmen 145:18) Koph. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.
(Psalmen 145:19) Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.
(Psalmen 145:20) Schin. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.
(Psalmen 145:21) Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.

Psalmen 146

(Psalmen 146:1) Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.
(Psalmen 146:2) Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.
(Psalmen 146:3) Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
(Psalmen 146:4) Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.
(Psalmen 146:5) Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;
(Psalmen 146:6) Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.
(Psalmen 146:7) Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.
(Psalmen 146:8) De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.
(Psalmen 146:9) De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.
(Psalmen 146:10) De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!

Psalmen 147

(Psalmen 147:1) Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.
(Psalmen 147:2) De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israëls verdrevenen.
(Psalmen 147:3) Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.
(Psalmen 147:4) Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.
(Psalmen 147:5) Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.
(Psalmen 147:6) De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.
(Psalmen 147:7) Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
(Psalmen 147:8) Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;
(Psalmen 147:9) Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
(Psalmen 147:10) Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.
(Psalmen 147:11) De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
(Psalmen 147:12) O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.
(Psalmen 147:13) Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.
(Psalmen 147:14) Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.
(Psalmen 147:15) Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.
(Psalmen 147:16) Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.
(Psalmen 147:17) Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?
(Psalmen 147:18) Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
(Psalmen 147:19) Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten.
(Psalmen 147:20) Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!

Psalmen 148

(Psalmen 148:1) Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!
(Psalmen 148:2) Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!
(Psalmen 148:3) Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!
(Psalmen 148:4) Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!
(Psalmen 148:5) Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.
(Psalmen 148:6) En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.
(Psalmen 148:7) Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!
(Psalmen 148:8) Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!
(Psalmen 148:9) Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!
(Psalmen 148:10) Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
(Psalmen 148:11) Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
(Psalmen 148:12) Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!
(Psalmen 148:13) Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.
(Psalmen 148:14) En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israëls, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!

Psalmen 149

(Psalmen 149:1) Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente Zijner gunstgenoten.
(Psalmen 149:2) Dat Israël zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
(Psalmen 149:3) Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
(Psalmen 149:4) Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.
(Psalmen 149:5) Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.
(Psalmen 149:6) De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;
(Psalmen 149:7) Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;
(Psalmen 149:8) Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
(Psalmen 149:9) Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!

Psalmen 150

(Psalmen 150:1) Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!
(Psalmen 150:2) Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!
(Psalmen 150:3) Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!
(Psalmen 150:4) Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!
(Psalmen 150:5) Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!
(Psalmen 150:6) Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!

Deze website maakt gebruik van cookies. Door deze site te blijven gebruiken, accepteert u het gebruik van deze cookies en gaat u akkoord met ons cookiebeleid.  Meer info