Tegenstander of lasteraar. Grieks: diabolos, dat ons woord voor duivel is.
In Ps. 109:6 wordt de aanklager bij de rechter zo genoemd (in het Hebreeuws). Deze functie heeft ook een van de ‘zonen van God’, bovenmenselijke wezens, hemelse dienaren van de HEER, die Job belastert (Job 1:6-12; 2:1-7; vgl. Zach.3:1). Hij is ook de verleider. In tegenstelling tot 2 Sam. 24:1 waar God David aanzet tot zijn volkstelling, vertelt 1 Kron. 21:1 dat Satan dit doet. In het n.t. wordt vaker over hem gesproken: hij is de verleider (Martt. 4:1-11; Luc. 22:31), de bedrieger (Hand. 5:3; 2 Kor. 11:14), de moordenaar en de leugenaar van het begin (Joh.8:44; Hebr. 2:14), de vernieler (Job. 2:7; Hand. 10:38). Hij heeft grote macht, hij is vorst over een rijk van duisternis (Mark. 3:24; Hand. 26:18), hij heeft veel dienaren, Satanskinderen (Joh. 6:70; 8:44; 1 Joh. 3:8, 10), o.a. de antichrist (Openb. 13:2; Thess. 2:8 v). Maar Jezus bestrijdt en overwint hem (Luc. 10:18;
Matt. 4:11; Hand. 10:38), daarom bidt de gemeente: verlos ons van de Boze (Matt. 6:13).
Categorie: S woorden
-
Satan
-
Saul
Afgebedene. De zoon van Kis uit Benjamin die de eerste koning in Israël wordt (1 Sam. 10:1, ±1010 v Chr.). Hij was een door de Geest gedreven aanvoerder, die met succes de Filistijnen bestreed (1 Sam. 13 vv). Maar door een breuk met Samuël werd zijn positie wankel (1 Sam. 13:7-13 vv; 15:1-35). Hij ging David als zijn grote vijand beschouwen, maar joeg tevergeefs op hem (1 Sam. 18 vv). In een grote nederlaag tegen de Filistijnen sneuvelden Sauls zonen, waarna hij zelfmoord pleegde (1 Sam. 31:1-7).
Saul (Saulus) is ook de joodse naam van Paulus.