Dikla

Betekenissen

Dikla betekent: palmboom of palmboomrijk gebied. De naam wordt geassocieerd met vruchtbaarheid, voorspoed en groei.

Classificatie

Eigennaam (man)

Datering

Periode na de zondvloed, genoemd in de volkenlijst van de vroege oudheid.

Naam in het Hebreeuws

דִּקְלָה (Diqlāh)

Naam in het Grieks

Δεκλά (Dekla)

Strongnummers

Hebreeuws: H1853
Grieks: geen afzonderlijk Strongnummer

Etymologische gegevens

De naam Dikla is afgeleid van het Hebreeuwse woord voor palmboom. In het oude Nabije Oosten stond de palmboom symbool voor vruchtbaarheid, overvloed, schoonheid en leven in droge gebieden.

Schrijfwijze in de verschillende vertalingen

in de Statenvertaling: Dikla
in de Herziene Statenvertaling: Dikla
in de King James vertaling: Diklah

Symbolische betekenis

Dikla symboliseert vruchtbaarheid, welvaart, levenskracht en standvastigheid. Zoals een palmboom groeit onder moeilijke omstandigheden, verwijst de naam ook naar bloei en geestelijke groei.

Bijbelse Stam

Sem via Joktan.

Familie

RelatieGegevens
VaderJoktan
MoederNiet vermeld
BroersAlmodad, Selef, Hazarmaveth, Jerah, Hadoram, Uzal, Obal, Abimaël, Seba, Ofir, Havila, Jobab en andere zonen van Joktan
ZussenNiet vermeld
VrouwNiet vermeld
ManNiet van toepassing
ZonenNiet vermeld
DochtersNiet vermeld

Een korte omschrijving

Dikla is een Bijbelse naam die voorkomt in de geslachtsregisters van de nakomelingen van Sem. Hij was een zoon van Joktan en behoort tot de stammen die voortkwamen uit de postdiluviale verspreiding van de volkeren. Over het persoonlijke leven van Dikla vermeldt de Bijbel geen verdere bijzonderheden. Zijn naam wordt vaak in verband gebracht met de palmboom, een bekend symbool van vruchtbaarheid, voorspoed en standvastigheid in het Midden-Oosten. Binnen de Bijbelse genealogieën vertegenwoordigt Dikla een schakel in de ontwikkeling van de Semitische volken. De naam heeft daardoor zowel historische als symbolische betekenis en verwijst naar groei, bloei en blijvende kracht.

De naam komt voor in de Bijbelverzen

Genesis 10:27, 1 Kronieken 1:21