Categorie: K woorden

  • Kanaän

    Purperland of laagland? (Num. 13:29; 14:25), zoon van Cham, die de vloek moet dragen (Gen. 9:18, 25) en het land van de Syrische kust waar het rode purper wordt gemaakt en zijn achterland tot aan Opper-Gallilea (Richt. 4:2; 5:19). Ook uitgebreider het gebied ten w. van de Jordaan (Gen. 42:5; Hand. 7:11) en het gehele door de HEER aan Israël beloofde land (Num. 13:2; 34:1-12; Ps. 135:11). De Kanaänieten zijn de inwoners van Kanaän (Gen. 15:18 w; Ex. 3:8; Deut. 7:1) maar de naam is ook de aanduiding van een belangrijke groep ervan, nl. de kooplieden (Hos. 12:8); NBG vertaalt Kanaäniet dan ook met koopman (Job 40:25; Spr. 31:14; Jes. 23:8). Onze uitdrukking ‘de tale Kanaans’ refereert aan Jes. 19:18 waar gewezen wordt op joodse gemeenten van proselieten in 5 Egyptische steden, waar de taal uit Kanaän, d.i. het Hebreeuws, gesproken wordt (nl. in de eredienst).

  • Kandelaar

    Hebr. menorah, Gr. luchnia, stond in de tabernakel, een gouden, 7-armige en 7-schalige lichtdrager (Ex. 25:31-40; 37:17-24; Lev. 24:2-4). De kandelaar is beeld van de gemeente, die gevoed wordt door de olie van de Geest (Zach. 4; Matt. 5:15; Openb. 1:12).