In Romeinen 1:9 noemt Paulus zichzelf een dienaar van het evangelie van Gods Zoon. Dit is hetzelfde evangelie van God dat hij al in vers 1 noemt. Het evangelie van Christus is het goede nieuws over Christus, dat al in de heilige Schriften is beloofd. Het gaat om de boodschap dat God mens werd, de vorm van een dienaar aannam, en — hoewel Hij zelf zonder zonde was — de zonden van de wereld heeft gedragen.
Jezus heeft geleden en is gestorven. Hij droeg de straf die eigenlijk elke zondaar zou moeten krijgen voor alles wat hij verkeerd heeft gedaan. Dit kon Hij doen omdat Hij geloofde wat God had gezegd en omdat Hij gehoorzaam was. Dat geloof werd Hem tot rechtvaardigheid gerekend, want “de rechtvaardige zal door zijn geloof leven” (Habakuk 2:4). God wil gerechtigheid, en door Christus is die gerechtigheid tot stand gekomen.
De gelovige deelt hierin, want Christus is hem door God gegeven als wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. Daarom staat er: “Wie roemt, roeme in de Heer” (1 Korintiërs 1:30,31). Jezus heeft zelf gezegd dat dit evangelie al in het Oude Testament is beloofd (Lukas 24:44).
Paulus legt in Romeinen 5:1 uit dat de gelovige gerechtvaardigd is door dit geloof van Christus: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof…” — dat wil zeggen: door het geloof van Christus zelf.
Samenvatting
Paulus noemt zichzelf een dienaar van het evangelie van Gods Zoon (Romeinen 1:9).
Het evangelie van Christus is het goede nieuws dat God mens werd en de zonden van de wereld droeg.
Jezus kon dit doen omdat Hij geloofde wat God had gezegd en gehoorzaam was.
Zijn geloof werd Hem tot rechtvaardigheid gerekend (Habakuk 2:4).
Gelovigen delen in Christus’ wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (1 Korintiërs 1:30,31).
Jezus zei dat dit evangelie al in het Oude Testament was beloofd (Lukas 24:44).
Paulus benadrukt dat gelovigen gerechtvaardigd zijn door het geloof van Christus (Romeinen 5:1).
De profetie die Daniël van de aartsengel Gabriël ontving, gaat over de toekomst van Israël na de Babylonische ballingschap. In deze profetie wordt gesproken over zeventig weken die zijn vastgesteld over het volk Israël en over de stad Jeruzalem. In de oorspronkelijke tekst staat niet het woord “week”, maar “zeven”. Daarmee wordt een periode van zeven jaar bedoeld, net zoals in Genesis 29:27 en Leviticus 25:8. Om onderscheid te maken gebruikt Daniël de term “weken der dagen” wanneer hij een gewone week bedoelt, bijvoorbeeld in Daniël 10:2,3. In de Statenvertaling staat dit duidelijk; in de NBG‑vertaling wordt “weken der dagen” weergegeven als “volle weken”.
Volgens Daniël 9:24 zullen na 490 jaar (70 weken van 7 jaar) de overtreding, zonde en ongerechtigheid voorbij zijn. In plaats daarvan zal er eeuwige gerechtigheid komen. Wanneer die eeuwige gerechtigheid er is, zal Israël zijn Messias aannemen en een leidende positie krijgen onder de volken. Dan zullen alle profetieën vervuld zijn.
Bij die eeuwige gerechtigheid hoort ook dat vergeving van zonden niet meer nodig is. Wanneer Petrus aan Jezus vraagt hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven, antwoordt Jezus: niet zeven keer, zoals Petrus voorstelt, maar zeventig maal zevenmaal (Mattheüs 18:21,22). Dit verwijst naar dezelfde symboliek van Daniël.
Van de zeventig weken kennen we het begin (vers 25), het einde (vers 24) en de verdeling (7 + 62 + 1). Voor een goed begrip van de profetie is de NBG‑vertaling minder bruikbaar, omdat daarin staat dat er na 7 weken een gezalfde zal zijn, en 62 weken later opnieuw een gezalfde die zal worden uitgeroeid. In de grondtekst staat echter twee keer hetzelfde woord voor “messias”. Dat zou betekenen dat er twee messiassen zijn die bijna 400 jaar na elkaar optreden. Historisch is dat niet te verklaren, zeker niet omdat zeven jaar na de tweede messias de profetie voltooid zou moeten zijn en er eeuwige gerechtigheid zou moeten zijn. Om deze problemen te vermijden zeggen sommigen dat Daniël ongelijk heeft. Maar Jezus verwijst in Mattheüs 24:15 naar Daniël wanneer Hij over de eindtijd spreekt. Het is moeilijk te geloven dat Jezus zich zou baseren op een onbetrouwbare profeet.
Bij de bespreking van Mattheüs 24 zal verder worden ingegaan op de berekening van Daniëls profetie. Voor nu is het genoeg om te weten dat de profetie tot op de dag nauwkeurig is vervuld, maar dat er van de 70 jaarweken pas 69 voorbij zijn. Er moeten dus nog zeven jaren komen.
De 70e week kan niet direct volgen op de 69e. Als dat wel zo was, zouden de 70 weken rond het jaar 39 na Christus zijn geëindigd. Dan zouden overtreding, zonde en ongerechtigheid al bijna 2000 jaar geleden zijn verdwenen, en zou er eeuwige gerechtigheid zijn gekomen. Dat is duidelijk niet gebeurd. Daarom moet er tussen de 69e en 70e week een onderbreking liggen: een tussenperiode in Gods plan met Israël. Veel profeten hebben deze periode al aangekondigd.
Een beeld hiervan vinden we in Genesis 38. De geboorte van de tweeling van Tamar verloopt opvallend. Eerst steekt Zerach (zijn naam betekent “lichtglans” of “opgaan”) zijn hand naar buiten en krijgt een rode draad om zijn hand, als teken dat hij de eerstgeborene is. Maar hij trekt zijn hand terug en Peres (“breuk”) wordt als eerste geboren. De komst van Zerach wordt onderbroken door Peres. Zo is Zerach de eerste én de laatste, met een breuk ertussen. Dit lijkt op de twee komsten van de Messias: Zijn eerste komst en Zijn wederkomst, met een onderbreking ertussen.
Daniël noemt enkele gebeurtenissen die in deze tussenperiode zullen plaatsvinden, maar hij zegt niet hoe lang deze periode duurt. Gods klok voor Israël staat stil tussen de 69e en 70e week. Israël is in die tijd als het dode lichaam uit Ezechiël 37 en Mattheüs 24:28, waar staat: “Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden worden vergaderd.”
Een teken dat de 70e week bijna begint, is dat de vijgenboom bladeren krijgt (Mattheüs 24:32). De vijgenboom is een symbool voor Israël. De dag na Palmzondag vervloekte Jezus de vijgenboom omdat hij geen vrucht droeg. De boom verdorde, en Jezus zei dat er geen vrucht aan zou komen tot in de eeuw (van Christus). Tot de 70e week zal Israël dus vruchteloos blijven (Mattheüs 21:18‑22).
Tijdens de onderbreking zijn de rentmeesterschappen van Paulus van kracht: die van de Genade Gods en die van de Verborgenheid. Ook is er de prediking onder de heidenen en het verborgen Koninkrijk met de verborgen Koning. De 70e week kan pas beginnen wanneer “de volheid der heidenen” is ingegaan (Romeinen 11:25). Dit wordt de opname van de Gemeente genoemd (1 Thessalonicenzen 4:13‑18).
Wat er in de laatste zeven jaren met Israël gebeurt, staat in Mattheüs 24 en 25 en vooral in Openbaring.
De 70e week bestaat uit twee perioden van 3½ jaar. De eerste periode is relatief rustig en wordt gekenmerkt door de prediking van twee getuigen, waarschijnlijk Mozes en Elia. Na hun dood volgt een periode van 3½ jaar van grote verdrukking (Openbaring 11:1‑14). Aan het einde van de 70e week komt Christus terug en dan wordt vervuld wat in Daniël 9:24 staat. Daarna begint het Vrederijk: het Koninkrijk der Hemelen, dat start met 1000 jaar onder Christus’ heerschappij, terwijl de satan gebonden is. De machthebber van de toekomende eeuw vervangt dan de machthebber van de tegenwoordige eeuw. Dit alles speelt zich af in de 70e week en gaat in de eerste plaats over Gods relatie met Israël.
Voor de rest van de mensheid kan het anders liggen. Teksten zoals Leviticus 12:1‑4, Mattheüs 24:22 en Openbaring 12:5 zouden kunnen wijzen op een periode van veertig jaar tussen de opname van de Gemeente en het begin van het Duizendjarig Rijk. De zeven jaar zijn de zeventigste week van Daniël. In de eerste helft prediken de twee getuigen in Israël en waarschuwen voor de verdrukking in de tweede helft. Israëlieten die hun woorden geloven, vluchten en maken de verdrukking niet mee. Aan het einde van de verdrukking bekeren zij zich en roepen de naam van de Heer aan. Jezus zegt dat de tijd van verdrukking wordt ingekort ter wille van de uitverkorenen (Israëlieten). Na zeven jaar is de verdrukking voor Israël voorbij, maar niet voor de andere volken.
Voor de andere volken zal er dan nog 33 jaar verdrukking zijn.
Het is echter onwaarschijnlijk dat er buiten Israël nog 33 jaar kwaad heerst terwijl Christus al op de Olijfberg is verschenen. De hele wereld zou via de media weten dat Hij terug is. Het ligt meer voor de hand dat die 33 jaar de beginperiode van het Duizendjarig Rijk vormen. In die tijd zijn er nog negatieve krachten naast positieve. Het onkruid groeit samen met het koren. Vooral in het begin van de 1000 jaar is dat zichtbaar, en daarom is een periode van 33 jaar “schoonmaak” nodig.
Daniël moest zijn profetie verzegelen tot de eindtijd. Volgens Openbaring 5 verbreekt het Lam Gods — Christus — in de eindtijd de zeven zegels van de boekrol. Wanneer Johannes in Openbaring 1:10 zegt dat hij “in de geest op de Dag des Heren” was, begint daarmee de laatste week van Daniël, aan het einde waarvan de Messias voor Israël komt. Hoe dit verloopt, staat in Openbaring, dat in principe bestemd is voor Israël, net als de Bergrede (Mattheüs 5‑7) en de brief van Jacobus.
Samenvatting
Daniël ontvangt een profetie over 70 weken van 7 jaar, die de toekomst van Israël beschrijven.
Na 490 jaar zullen zonde en ongerechtigheid verdwijnen en zal eeuwige gerechtigheid komen (Daniël 9:24).
De profetie is tot op de dag nauwkeurig vervuld, maar slechts 69 weken zijn voorbij; de 70e week moet nog komen.
Tussen de 69e en 70e week ligt een onderbreking in Gods plan met Israël.
Deze onderbreking wordt symbolisch uitgelegd via de geboorte van Peres en Zerach (Genesis 38).
Israël is in deze periode als een “dood lichaam” (Ezechiël 37; Mattheüs 24:28).
De 70e week begint wanneer de “volheid der heidenen” is ingegaan (Romeinen 11:25), bij de opname van de Gemeente (1 Thessalonicenzen 4:13‑18).
De 70e week bestaat uit twee perioden van 3½ jaar: eerst prediking door twee getuigen, daarna grote verdrukking (Openbaring 11).
Aan het einde van de 70e week komt Christus terug en begint het Vrederijk van 1000 jaar.
Mogelijk ligt er voor de volken buiten Israël een periode van 40 jaar tussen opname en Duizendjarig Rijk, waarvan 33 jaar verdrukking.
Die 33 jaar kunnen ook de beginfase van het Duizendjarig Rijk zijn, waarin nog veel kwaad moet worden opgeruimd.
Openbaring beschrijft hoe de laatste week verloopt en is vooral gericht op Israël.
Voordat Paulus in vers 16 begint met het hoofdonderwerp van de Romeinenbrief, maakt hij eerst een aantal opmerkingen die belangrijk zijn om goed te begrijpen.
In vers 8 wordt duidelijk dat Rome, de hoofdstad van het grote Romeinse rijk, belangrijker is geworden dan Jeruzalem, de hoofdstad van Israël. Daardoor zijn ook de heidenen belangrijker geworden dan de Joden. Wanneer mensen in Rome christen worden, hoort de hele wereld ervan. Daarom is de gemeente in Rome heel belangrijk voor de verspreiding van het evangelie.
Paulus wil graag naar Rome reizen om daar het evangelie te verkondigen en de gemeente te versterken, ook al is de gemeente niet door hemzelf gesticht (Romeinen 15:20).
In vers 15 zegt Paulus dat hij hoopt dat zijn verkondiging het evangelie van God nog verder zal verspreiden onder de inwoners van Rome. Uit Handelingen 28 weten we dat het na het schrijven van de Romeinenbrief nog vijf jaar duurde voordat Paulus daadwerkelijk in Rome aankwam en toen was hij gevangene. Hoe krachtig zijn prediking was, blijkt uit Handelingen 28:24. De christenen in Rome, waaronder Joden die tot geloof waren gekomen, hadden de leiders van de Joden niet kunnen overtuigen. Maar wanneer Paulus tot hen spreekt, komen sommigen wél tot geloof, terwijl anderen ongelovig blijven. Toch zal de boodschap van Paulus vrijwel hetzelfde zijn geweest als die van de gelovigen in Rome.
Paulus verkondigde het Koninkrijk van God en gaf onderwijs over de Heer Jezus Christus (Handelingen 28:31). De verkondigers in Rome zullen nauwelijks iets anders hebben kunnen vertellen.
In Handelingen 28:23 en 28 wordt kort weergegeven wat Paulus ongeveer gezegd moet hebben: het Koninkrijk van God zou gekomen zijn als Israël zich had bekeerd. Maar Israël heeft dat niet gedaan en zal dat voorlopig ook niet doen. Daarom wordt het heil, Gods redding, aan de heidenen gegeven, want zij zullen luisteren.
De bekering van Israël zal pas plaatsvinden bij de wederkomst van Christus. De discipelen vroegen naar het tijdstip daarvan, maar kregen geen direct antwoord (Handelingen 1:6,7). Aan Paulus is geopenbaard wat de Heer doet terwijl Hij wacht op Israëls bekering. Het Koninkrijk van God is nu verborgen in de hemel en samen met het Koninkrijk heeft ook de Koning, Christus, zich teruggetrokken. Een gelovige heeft dus niet te maken met een Heer die zichtbaar op aarde is, maar met een Heer die verborgen is in de hemel.
In de brieven van Paulus wordt steeds gesproken over de positie van dit Koninkrijk en over de onderbreking van de oprichting van het Koninkrijk op aarde. Wanneer Paulus spreekt over de zegeningen die gelovigen nu ontvangen, bedoelt hij dat hun leven in Christus verborgen is bij God (Kolossenzen 3:3). Gelovigen zijn gezegend met elke geestelijke, dus onzichtbare en nog niet geopenbaarde, zegen, niet hier op aarde, maar in de hemel, niet in zichzelf, maar in Christus (Efeziërs 1:3).
Dit zijn verborgenheden die aan Paulus zijn geopenbaard en die hij doorgeeft aan de gelovigen. Pas wanneer “de volheid van de heidenen” is binnengegaan, zal God zich weer met Israël als volk gaan bezighouden (Romeinen 11:25).
Dat opnieuw bemoeien met Israël, en dat binnengaan van de heidenen, zal plaatsvinden aan het begin van de zeventigste en laatste week voor Israël, zoals beschreven in de profetie van Daniël (Daniël 9:24‑27).
Samenvatting
Rome is belangrijker geworden dan Jeruzalem, waardoor heidenen een grotere rol krijgen in de verspreiding van het evangelie.
Paulus wil naar Rome om het evangelie te verkondigen en de gemeente te versterken.
Zijn prediking blijkt krachtig: sommige Joodse leiders komen tot geloof wanneer hij spreekt (Handelingen 28:24).
Paulus verkondigt het Koninkrijk van God en onderwijs over Jezus Christus (Handelingen 28:31).
Het Koninkrijk zou gekomen zijn als Israël zich had bekeerd, maar dat gebeurde niet; daarom gaat het heil naar de heidenen (Handelingen 28:23,28).
Israël zal zich pas bekeren bij de wederkomst van Christus (Handelingen 1:6,7).
Het Koninkrijk is nu verborgen in de hemel, en gelovigen ontvangen geestelijke, hemelse zegeningen (Kolossenzen 3:3; Efeziërs 1:3).
Deze verborgenheden zijn aan Paulus geopenbaard en worden door hem doorgegeven.
God zal zich weer met Israël bezighouden wanneer de volheid van de heidenen is binnengegaan (Romeinen 11:25).
Dit gebeurt aan het begin van de zeventigste week uit Daniëls profetie (Daniël 9:24‑27).
De brief aan de Romeinen begint, net als de andere brieven van Paulus, met een duidelijke opening. Paulus noemt zichzelf als afzender, hij richt de brief aan “de geliefden van God in Rome”, en hij begint met een groet: “genade en vrede”.
In Romeinen 1:1 zegt Paulus dat hij een dienaar van Christus Jezus is en dat hij door God geroepen is om apostel te zijn. Paulus gebruikt vaak de naam Christus Jezus, naast Jezus Christus (Romeinen 1:4). Voor hem verwijst Christus naar de opgestane Jezus. Paulus benadrukt dat deze opgestane Christus voor niet‑Joden (heidenen) belangrijker is dan de historische Jezus van Nazareth.
Paulus legt uit dat Christus de erfgenaam van Jezus is. Jezus was, als zoon van Jozef van Nazareth, erfgenaam van de koningslijn van David. Normaal gesproken zou na Jezus’ dood zijn broer Jacobus de erfgenaam zijn geweest. Maar in het hele Nieuwe Testament lezen we dat Christus wordt gezien als degene die uiteindelijk op de troon van David zal zitten. Door Zijn opstanding is Christus dus de erfgenaam van Jezus geworden.
Paulus noemt zichzelf een geroepen apostel. Net als de andere apostelen is hij door de Heer zelf geroepen, ook al vindt hij volgens 1 Korinthiërs 15:9 dat hij die titel eigenlijk niet verdient. Hij stond niet alleen in deze gedachte: in het begin waren de andere apostelen ook niet blij met Paulus’ roeping, maar dat veranderde snel (Galaten 1 en 2). In 2 Petrus 3:15 staat zelfs dat Petrus erkent dat Paulus inzicht heeft gekregen in dingen die voor hemzelf verborgen waren, namelijk de verborgenheden die volgens Deuteronomium 29:29 bij God horen.
Paulus zegt meerdere keren dat hij door God het beheer over deze verborgenheden heeft gekregen en dat hij het recht heeft om ze bekend te maken. Hij had als rentmeester een dubbele taak: hij was rentmeester van de verborgenheid én rentmeester van de genade van God. Dit staat in de Statenvertaling van Efeziërs 3:2, maar niet meer in de NBG‑vertaling. Door wat Paulus uitlegt en doorgeeft, worden Gods verborgenheden zichtbaar (Mattheüs 10:26; Marcus 4:22; Lukas 8:17).
Aan het begin van de Romeinenbrief noemt Paulus al een verborgenheid die hij moet verkondigen: het evangelie van God (Romeinen 1:1). Dat gaat over Zijn Zoon (Romeinen 1:3), Jezus Christus onze Heer (Romeinen 1:4). Volgens Romeinen 1:2 is dit evangelie al in het Oude Testament beloofd, dus het moet daar terug te vinden zijn. De vier evangeliën bestonden toen nog niet.
De brief is gericht aan de gelovigen in Rome. Paulus noemt hen “geliefden van God” en “geroepen heiligen” (Romeinen 1:7). Ze zijn geroepen door Christus (Romeinen 1:6), en Paulus noemt hen ook heidenen (Romeinen 1:5,6). Dat betekent dat de brief niet alleen bedoeld is voor Joodse gelovigen in Rome, maar ook voor niet‑Joodse gelovigen.
Paulus gebruikt de term heidenen, maar vaak spreekt hij over Grieken wanneer hij gelovige niet‑Joden bedoelt. Joden blijven Joden, of ze nu geloven of niet. Grieken zijn niet‑Joden die tot geloof zijn gekomen. De overige niet‑gelovige niet‑Joden noemt Paulus soms heidenen, soms zielen, soms mensen, maar nooit Grieken.
Deze heidenen (Romeinen 1:5,6) hebben geluisterd naar Gods roepstem. Daardoor zijn zij geheiligd en geliefden van God geworden.
In de aanhef van de brief gebruikt Paulus een begroeting die hij vaak toepast: “genade en vrede”. Genade is een Griekse wens, vrede een Joodse wens. Dit laat zien dat de gemeente in Rome bestond uit twee groepen christenen: Joden en heidenen. Na deze groet begint Paulus met de inhoud van zijn brief.
Samenvatting
Paulus opent de Romeinenbrief met een groet en noemt zichzelf dienaar van Christus Jezus en geroepen apostel.
Hij legt uit dat Christus de opgestane Jezus is en dat Hij door Zijn opstanding de erfgenaam van Jezus is geworden.
Paulus heeft van God het beheer gekregen over belangrijke verborgenheden en mag deze bekendmaken.
Het evangelie dat hij verkondigt is al in het Oude Testament beloofd.
De brief is gericht aan zowel Joodse als niet‑Joodse gelovigen in Rome, die door Christus zijn geroepen.
De begroeting “genade en vrede” laat zien dat de gemeente uit beide groepen bestaat.
Hoofdstuk 1 van de Romeinenbrief is een hoofdstuk waarin Paulus vertelt wie hij is, wat zijn taak is en wat de kern van zijn boodschap inhoudt. Hij legt uit dat hij door God is geroepen om het het evangelie te delen. Dat evangelie is niet nieuw: het werd al aangekondigd in het Oude Testament. Paulus laat hiermee zien dat Gods plan al vanaf het begin zichtbaar is voor wie goed kijkt.
Paulus richt zich in dit hoofdstuk tot zowel Joodse als niet‑Joodse gelovigen in Rome. Hij benadrukt dat juist Rome een belangrijke plek is geworden voor de verspreiding van het evangelie. De stad speelt een grote rol in de wereld van die tijd, en daardoor kan de boodschap van Jezus zich snel en ver verspreiden.
Daarnaast maakt Paulus duidelijk dat dit hoofdstuk de basis vormt voor de “verborgenheden” die God hem heeft gegeven. Hij wil deze geheimen niet voor zichzelf houden, maar doorgeven aan de gelovigen. Het gaat onder andere over Gods plan met Israël, de positie van mensen die in Jezus geloven, en de rol van Christus als de opgestane Heer. Paulus nodigt de lezers uit om verder te kijken dan wat ze met hun ogen kunnen zien. Hij wil dat ze ontdekken hoe God door de geschiedenis heen werkt en hoe Zijn plan stap voor stap zichtbaar wordt.
Wanneer je de brieven van Paulus leest, is het belangrijk om te onthouden dat deze brieven eerder zijn geschreven dan de evangeliën. Toch verwijst Paulus soms naar dingen die later in de evangeliën zouden worden opgeschreven. Hij citeert ze dan niet letterlijk, maar hij lijkt wel te weten wat er ongeveer in zou komen te staan. Dat is goed te verklaren: twee van de evangelisten waren namelijk metgezellen van Paulus. Dat waren Marcus (Handelingen 12:12; 13:5; Kolossenzen 4:10; 2 Timotheüs 4:11; Filemon 1:24) en Lucas (Kolossenzen 4:14; 2 Timotheüs 4:11; Filemon 1:24).
De brieven van Paulus aan de gemeenten kun je in drie groepen verdelen:
Romeinen, 1 en 2 Korintiërs, Galaten
Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen
1 en 2 Tessalonicenzen
Dat deze indeling precies overeenkomt met de volgorde in het Nieuwe Testament is puur toeval. Als je kijkt naar de volgorde waarin Paulus de brieven werkelijk schreef, dan is die als volgt:
Galaten (49)
Tessalonicenzen (51)
Korintiërs (54)
Romeinen (55)
Efeziërs (60/61)
Kolossenzen (60/61)
Filippenzen (62)
Groep 1
Deze brieven gaan vooral over het dagelijkse leven van gelovigen. Paulus waarschuwt voor heidense ideeën die de gemeente binnenkomen. Hij benadrukt dat gelovigen “geheel anders” moeten leven. Hij maakt zich zorgen over het ontstaan van groepen of secten, en over pogingen om zich aan te passen aan de Joodse regels, zoals bij de Galaten. In deze brieven staat Jezus zelf en Zijn werk centraal.
Groep 2
In deze brieven ligt de nadruk op Christus en op het hemelse burgerschap van gelovigen. Het belangrijkste is niet wat er hier op aarde gebeurt, maar wat daarna komt. Christus is in de hemel, en gelovigen zijn op weg naar Hem.
Groep 3
Deze brieven zijn bedoeld voor gelovigen die al verder gegroeid zijn in hun geloof. Ze gaan over de spanning tussen het leven op aarde en het burgerschap van een eeuwig hemels koninkrijk. In deze brieven wordt gesproken over het einde dat zal komen bij de opname van de gemeente en de wederkomst van Christus.
De brief aan de Romeinen hoort bij de eerste groep, die van het praktische geloofsleven. Deze brief geeft de meest systematische uitleg van de christelijke leer en gaat daarom over de basis van het geloof. In de rest van de Bijbel lees je dat God bezig is zondaren te rechtvaardigen; in de Romeinenbrief legt Paulus uit hoe God dat doet.
Wat we weten over de boodschap die Paulus bracht, lijkt op wat Jezus deed. In Johannes 21:25 staat dat Jezus veel meer heeft gedaan dan in de evangeliën is opgeschreven. Dat wordt ook genoemd in bijvoorbeeld Lukas 24:44. Bij Paulus is dat net zo. In Handelingen en in enkele brieven wordt wel iets verteld over zijn prediking, maar dat is maar een klein deel. De echte inhoud van zijn verkondiging kennen we vooral door zijn brieven.
In de brief aan de Romeinen verwijst Paulus nooit naar eerdere preken of gesprekken, omdat hij vóór het schrijven van deze brief geen directe relatie had met de gemeente in Rome.
Samenvatting
Paulus’ brieven zijn ouder dan de evangeliën.
Paulus verwijst soms naar dingen die later in de evangeliën zouden worden opgeschreven.
Deze verwijzingen zijn mogelijk omdat Marcus en Lucas met Paulus meereisden.
De brieven aan gemeenten zijn in drie groepen te verdelen.
De eerste groep bevat brieven over het praktische geloofsleven.
De tweede groep bevat brieven over het hemelse burgerschap van gelovigen.
De derde groep bevat brieven voor gelovigen die verder gevorderd zijn in hun geloof.
De Romeinenbrief hoort bij de eerste groep.
De Romeinenbrief legt de basis van het christelijke geloof uit.
Wat Paulus heeft gepredikt kennen we vooral uit zijn brieven.
Paulus had vóór het schrijven van de Romeinenbrief geen contact met de gemeente in Rome.
De brief aan de gemeente in Rome, die we hierna gaan bespreken, is de eerste in een reeks brieven die gericht zijn aan verschillende gemeenten en aan individuele personen. Hoewel de Romeinenbrief als eerste in deze serie staat, is het niet de oudste brief. De volgorde van de brieven is namelijk niet gebaseerd op het moment waarop ze geschreven zijn, maar vooral op wie de ontvangers zijn. Eerst komen alle brieven die aan gemeenten gericht zijn, daarna de brieven aan personen. Binnen die groepen zijn ze vervolgens gerangschikt op lengte.
Van de brieven aan gemeenten is de brief aan de Romeinen de langste, en daarom staat hij als eerste. Van de brieven aan personen is de eerste brief aan Timoteüs het langst, en die staat dus bovenaan in die categorie.
Na de brieven van Paulus volgen de katholieke (dat betekent: algemene) brieven. Dat zijn de brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas. De brief aan de Hebreeën staat tussen deze groepen in. Dat komt doordat er tot op de dag van vandaag discussie is over wie deze brief heeft geschreven. Sommigen denken dat Paulus de auteur is, anderen dat iemand uit zijn directe omgeving de brief heeft geschreven. Tegenwoordig lijkt de gedachte dat het niet Paulus zelf was, maar wel iemand uit zijn kring, het meest aannemelijk. Toch staat in de Statenvertaling boven deze brief: “De brief van den apostel Paulus aan de Hebreeën.”
De katholieke brieven zijn vooral bedoeld voor Israëlieten. Ze richten zich namelijk op de twaalf stammen van Israël die verspreid zijn geraakt over de wereld. Voor mensen die geen Israëliet zijn, zijn deze brieven wel te lezen, maar ze zijn niet bedoeld als richtlijn voor hun leven. Veel dingen die in deze brieven staan, krijgen pas hun volledige betekenis in dezelfde periode waarin ook de Bergrede van Jezus van kracht zal worden.
Samenvatting
De Romeinenbrief staat als eerste in de reeks brieven omdat de brieven zijn geordend op ontvanger en lengte.
De Romeinenbrief is niet de oudste brief van Paulus.
Eerst komen de brieven die gericht zijn aan gemeenten.
Daarna volgen de brieven die gericht zijn aan personen.
Na de brieven van Paulus komen de katholieke (algemene) brieven.
De katholieke brieven zijn vooral bedoeld voor Israëlieten.
De brief aan de Hebreeën staat tussen deze groepen omdat er discussie is over wie de auteur is.
Veel inhoud uit deze algemene brieven krijgt pas betekenis in de tijd waarin de Bergrede volledig van kracht zal zijn.
In het leven en werk van Paulus kun je twee duidelijke perioden herkennen. De eerste periode loopt vanaf zijn bekering op weg naar Damascus tot aan zijn eerste gevangenschap in Rome (Handelingen 9–28:28). In deze tijd treedt Paulus op als iemand die “ontijdig geboren” is. Dat betekent dat hij in een bijzondere fase leeft: een profetische tijd waarin God het Koninkrijk nog aanbiedt aan het volk Israël. Paulus richt zich daarbij eerst op de Joden, maar ook op de niet‑Joden (de Grieken).
In deze periode gaat Paulus bij elke nieuwe plaats eerst naar de synagoge. Er gebeuren dan nog opvallende wonderen en tekenen. Soms worden zelfs doden weer levend. In Handelingen 19:11‑12 staat bijvoorbeeld: “En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren.” Dit laat zien hoe bijzonder die tijd was.
Maar na verloop van tijd nemen deze wonderen en tekenen af. Later lezen we dat Paulus zelf lichamelijke zwakheden heeft en dat hij en zijn medewerkers soms ernstig ziek zijn. Ze worden dan niet meer op een wonderlijke manier genezen. Deze periode hoort bij de tijd waarin Paulus brieven schrijft zoals Romeinen, 1 en 2 Korintiërs, Galaten en 1 en 2 Tessalonicenzen.
De tweede periode begint bij zijn eerste gevangenschap in Rome en loopt tot zijn tweede gevangenschap en zijn dood, ergens tussen het jaar 64 en 68 (Handelingen 28:16,30 en 2 Timotheüs). In deze tijd verdwijnt het werk van Petrus en de andere twaalf apostelen meer naar de achtergrond. Tijdens hun bediening is het Koninkrijk niet opgericht, maar verborgen gebleven. Israël is verspreid geraakt onder de andere volken.
Nu breekt een nieuwe fase aan: de tijd van Gods genade. God is bezig een nieuw volk te verzamelen voor Zijn naam. Dat volk bestaat uit gelovigen uit de heidenen én uit Joden die in Jezus als Messias geloven. Door dat geloof zijn zij volledig gelijkwaardig aan elkaar en vormen zij samen een nieuwe schepping: de Gemeente, het Lichaam van Christus.
In deze periode wordt ook het deel van Gods wil zichtbaar dat eerder verborgen was gebleven. Dat gebeurt in de brieven die Paulus schrijft vanuit de gevangenis: Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en Filémon. Ook de pastorale brieven, 1 en 2 Timotheüs en Titus, horen bij deze tijd.
Dit alles gaat over Paulus, over wie nog veel meer staat in het boek Handelingen. Hij komt ook sterk naar voren in zijn brieven, vooral in de Brief aan de Romeinen.
Samenvatting
Paulus’ bediening bestaat uit twee grote perioden.
In de eerste periode (Handelingen 9–28) leeft Paulus in een profetische tijd waarin het Koninkrijk nog wordt aangeboden aan Israël.
In deze eerste periode gebeuren veel wonderen en tekenen.
Paulus richt zich in deze fase eerst op de Joden.
Later nemen de wonderen af en worden Paulus en zijn medewerkers niet langer bovennatuurlijk genezen.
In de tweede periode, vanaf Paulus’ gevangenschap in Rome, verschuift de aandacht van het apostolische werk van Petrus en de twaalf naar Paulus’ bediening.
In deze tweede periode is Israël verspreid onder de volken.
God verzamelt in deze tijd een nieuw volk: de Gemeente, het Lichaam van Christus.
In deze fase openbaart God het deel van Zijn plan dat eerder verborgen was.
Deze verborgenheden worden vooral uitgelegd in Paulus’ gevangenschapsbrieven en pastorale brieven.
Uit 1 Korinthiërs 9:20-21 kun je goed begrijpen waarom Paulus door God werd uitgekozen voor zijn bijzondere taak. Paulus was namelijk een uitstekende schriftgeleerde. Daardoor kon hij met Joden die nog onder de wet leefden op het hoogste niveau praten. Hij kon hun vragen beantwoorden, hun bezwaren uitleggen en hen zo mogelijk overtuigen. Een voorbeeld hiervan zie je in Handelingen 28:23 en verder, waar Paulus uitgebreid met Joden spreekt over Jezus.
Maar Paulus kon niet alleen met Joden praten. Door zijn brede opleiding en kennis kon hij ook met heidenen – mensen die niet volgens de Joodse wet leefden – op een hoog niveau spreken. Hij begreep hun manier van denken, hun cultuur en hun vragen. Daardoor kon hij ook hen zo mogelijk overtuigen van het evangelie.
Zelfs Petrus, één van de belangrijkste apostelen, verwijst naar Paulus wanneer hij iets niet helemaal begrijpt (2 Petrus 3:15). Dat laat zien hoe groot Paulus’ inzicht was. Daarnaast had Paulus een bijzondere gave: hij kon heel slim gebruikmaken van verschillen in overtuigingen tussen zijn tegenstanders. Een duidelijk voorbeeld hiervan staat in Handelingen 23:1-11, waar hij de verdeeldheid tussen Farizeeën en Sadduceeën gebruikt om zichzelf te beschermen.
Door zijn talenten, zijn opleiding en zijn inzicht was Paulus precies geschikt om een krachtig instrument in Gods handen te zijn. Vooral voor het werk onder de heidenen was hij ideaal. Hij speelde een grote rol in het veranderen van wat eerst een kleine Joodse groep was — de eerste christenen — tot een geloof dat zich over de hele wereld verspreidde.
In zijn brieven legt Paulus uit wat het werk van Christus betekent. Samen met zijn prediking heeft dat het geloof naar de heidenwereld gebracht. Zijn brieven zijn later zelfs een bron geweest voor grote veranderingen in de kerk. Zo is één van zijn teksten gebruikt als basis voor de Hervorming.
Het werkterrein van Paulus was duidelijk anders dan dat van Petrus en de andere apostelen. Dit werd ook officieel erkend tijdens het apostelconvent (Galaten 2:9). Uit de evangeliën blijkt dat Jezus tijdens Zijn leven op aarde vooral naar Zijn eigen volk kwam. Hij richtte zich bijna helemaal op Israël, om de “verloren schapen van het huis Israëls” te verzamelen.
Na Jezus’ hemelvaart verkondigden Zijn discipelen dezelfde boodschap als Johannes de Doper: “Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen.” En: “Laat ieder zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden.”
De apostelen preekten aan Israël dat Jezus zou terugkomen op aarde en dat Zijn koninklijke heerlijkheid dan zichtbaar zou worden. Het werk buiten Israël werd aan anderen gegeven: Paulus en zijn metgezellen. Paulus verkondigde dat Christus zou komen, maar dat de gelovigen dan in Zijn hemelse heerlijkheid geopenbaard zouden worden.
Samenvatting
Paulus werd geroepen omdat hij zowel Joden als heidenen op hoog niveau kon aanspreken (1 Korinthiërs 9:20-21).
Hij kon Joden overtuigen door zijn kennis van de wet (Handelingen 28:23 e.v.).
Hij kon heidenen overtuigen door zijn brede geleerdheid.
Petrus erkende Paulus’ wijsheid (2 Petrus 3:15).
Paulus kon slim gebruikmaken van verschillen tussen zijn tegenstanders (Handelingen 23:1-11).
Door zijn gaven was Paulus een perfect instrument om het evangelie naar de heidenwereld te brengen.
Zijn brieven en prediking hebben het christelijk geloof wereldwijd verspreid en zelfs hervormingen in de kerk beïnvloed.
Petrus en de andere apostelen erkenden dat Paulus een ander werkterrein had (Galaten 2:9).
Jezus richtte zich tijdens Zijn leven vooral op Israël.
Na de hemelvaart verkondigden de apostelen dezelfde boodschap als Johannes de Doper.
Het werk onder de heidenen werd aan Paulus gegeven.
Paulus preekte de komst van Christus, waarbij gelovigen in Zijn hemelse heerlijkheid geopenbaard zullen worden.
Op weg naar Damascus gebeurt er iets heel bijzonders. Paulus en de mensen die met hem reizen, zien ineens een fel licht. In dat licht spreekt Jezus tot Paulus en zegt: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?” Op dat moment wordt duidelijk dat Paulus door God was uitgekozen om Zijn wil te leren kennen. Hij zou de Rechtvaardige zien en woorden horen die rechtstreeks uit Zijn mond kwamen.
Deze roeping gebeurde niet allemaal in één dag. Na zijn bekering begon een langere periode waarin Paulus werd voorbereid op zijn taak (Galaten 1). Later kreeg hij opnieuw bijzondere aanwijzingen van God, bijvoorbeeld toen hij in Jeruzalem was (Handelingen 23:11). Soms maakte Paulus zelfs ervaringen mee die bijna niet te beschrijven zijn, zoals hij vertelt in 2 Korinthiërs 12:1-5.
Hoewel deze momenten heel belangrijk waren voor zijn leven en werk, waren zijn bekering en zijn ontmoeting met Christus niet de bron of de kern van zijn boodschap. De kern van Paulus’ prediking bestond uit de dingen die God aan hem heeft geopenbaard. Dat was de basis van alles wat hij vertelde en leerde.
Paulus was door God voorbestemd om Zijn wil te leren kennen en die bekend te maken aan alle mensen: zowel Joden als heidenen (Handelingen 22:14-15). Dit zie je ook terug in andere gedeelten van het Nieuwe Testament, zoals 1 Korinthiërs 4:1, Efeziërs 3:2-12 en Kolossenzen 1:25-26. Daar legt Paulus uit dat hij een beheerder is van wat God hem heeft toevertrouwd, en dat hij het geheim van Gods plan moest bekendmaken.
Samenvatting
Onderweg naar Damascus ziet Paulus een fel licht en hoort hij Jezus zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?”
Paulus wordt duidelijk door God uitgekozen om Zijn wil te leren kennen en de Rechtvaardige te zien.
Na zijn bekering volgt een langere periode van voorbereiding, waarin God hem meerdere keren bijzondere aanwijzingen geeft.
Paulus maakt soms uitzonderlijke geestelijke ervaringen mee, zoals beschreven in 2 Korinthiërs 12:1-5.
Toch zijn zijn bekering en die ervaringen niet de kern van zijn boodschap.
De kern van Paulus’ prediking is wat God hem heeft geopenbaard.
Paulus moest Gods wil verkondigen aan alle mensen, zowel Joden als heidenen (Handelingen 22:14-15).
Dit wordt bevestigd in 1 Korinthiërs 4:1, Efeziërs 3:2-12 en Kolossenzen 1:25-26.